‘Nieuwe Oogst’ vol vocale vlakken en felle accenten

De componisten die een bijdrage hebben geleverd aan het jongste programma van het Nederlands Kamerkoor zijn kennelijk gretige poëzielezers.

Desondanks is de verhouding tussen woord en toon in de vijf composities die onder de gezamenlijke noemer ‘Nieuwe Nederlandse Oogst’ worden gepresenteerd enorm verschillend.

Neem ove ’l mar non ha vanto, een groots opgezet, maar nog onvoltooid werk, waarin Eric Verbugt meer dan honderd versregels uit Dantes Divina Commedia verklankt. Verbugt haalt het onderste uit de kan, met vocale vlakken vol wemelingen, felle accenten en engelachtige vrouwenkoren. Vreemd genoeg maakt het werk desondanks een wat vlakke indruk. De verstaanbaarheid van de tekst is minimaal, en het voortdurend streven naar variatie maakt de muziek op den duur eenvormig.

Het contrast met Poèmes de Paul Celan van Matthias Kadar kan nauwelijks groter zijn. Kadar is van Hongaarse komaf, maar werkt al geruime tijd in Nederland en heeft op zijn 31ste al meer dan tweehonderd composities op zijn naam. Nu kunnen sommige onderdelen van zijn koorcyclus hem niet veel tijd hebben gekost: in twee ervan is er slechts een enkele solozanger aan het woord en ook in de overige zettingen is de textuur overwegend spaarzaam. Maar Kadar slaagt er wel in Celans gedichten woord voor woord in te kleuren, nu eens welluidend, dan weer in broze verglijdingen.

Met zijn A questo punto op teksten van de Italiaan Eugenio Montale bereikt Elmer Schönberger vergelijkbare resultaten. Alleen zet hij daarvoor het hele koor in, dat de tekst scandeert in dwarse akkoorden en ontheemde ritmes die de Letse dirigent Kaspars Putninsh maar amper op hun plaats weet te houden. De dromerige verglijdingen in het derde deel (De waarheid) zijn het meest vocaal gedacht.

Bernard van Beurdens Pas de Quatre sluit op het punt van verstaanbaarheid aan bij Verbugts Dante-muziek, maar dat komt doordat hij het koor in vier subkoren heeft verdeeld die door elkaar heen zingen, maar elk hun eigen muzikale karakteristiek hebben. De inhoud gaat daardoor grotendeels verloren, maar de strekking niet. Het is een rijk geschakeerd werk, waarin zelfs de passages waarin alle ensembles elkaar overspoelen toch transparant blijven. Het afsluitende Schizophrenic Girl van Micha Hamel is een kort en in weerwil van de titel gemoedelijk stuk, dat de zangers van het NKK na die andere veeleisende stukken soepel van de tong glijdt.

Meer over