Niemand wilde naast Vuijsje zitten

Geen uitgever die er brood in zag, maar inmiddels is 'Alleen maar nette mensen' een drievoudig succes, en zelfs vergeleken met De avonden. ‘Ik heb toch geen seksboek geschreven?’

Het manuscript was zo goed als af in de zomer van 2007. De mededeling komt met een montere blik: ‘De ruwe versie was toen al afgewezen door iedere uitgever in Nederland die ook maar zou kùnnen overwegen de roman uit te geven.’

Hij weet niet precies waarom niemand het lustte. ‘Ik vond het een goede roman. Iedereen die ik het aanbood vond het niet een goede roman. Of wat ze ook wel zeiden: het is aardig, maar het past niet in ons fonds. Ik weet niet wat erger is. Al die afwijzingen bij elkaar zijn niet zo goed voor je zelfvertrouwen, dat weet ik wel.’

Doelden ze met ‘ongeschikt voor ons fonds’ op al die geile scènes?
‘Mijn indruk was dat ze het inderdaad te grof vonden. Ik denk ook dat ze dachten: ‘Jezus, een boek over de Bijlmer, met allemaal Marokkanen en zwarte negers, wat moeten we daarmee. Dat is niet commercieel.’ Ik denk dat ze sterk aan de verkoop dachten, die uitgevers. In het licht van de recente gebeurtenissen is dat wel komisch.’

Als enige auteur is Robert Vuijsje met zijn debuutroman Alleen maar nette mensen genomineerd voor zowel de Libris Literatuur Prijs als voor de (Vlaamse) Gouden Uil. Het contract voor de verfilming (regie Lodewijk Crijns) is getekend.

Het boek gaat, in elk geval op het eerste gezicht, over het spectaculaire verschil in levensgevoel tussen Amsterdam Oud-Zuid en Amsterdam Zuidoost, beter bekend als de Bijlmer. Met de metro is het niet meer dan een kwartiertje, mentaal is het een afstand tussen planeten.

David, de hoofdpersoon voelt zich verloren in het intellectualistische en snobistische milieu van zijn joodse ouders. Er is de constante druk aan de verwachtingen van het milieu te voldoen, een hoogvlieger te zijn en het stille verwijt als de zoon tekort schiet. Maar David verlangt naar het leven van hoeren en snoeren dat hij in de Bijlmer leert kennen. Zwart moeten de ‘negerinnen’ zijn van David, gitzwart, met een cup 90F of beter nog G en een kont die strak naar achteren steekt.

En dat alles in een snelle en geestige stijl.

Niet toevallig noemde het Belgische dagblad De Standaard Vuijsje’s boek ‘de 21ste eeuwse versie van De Avonden’. Hij zegt: ‘Het is vervreemdend zoiets te lezen. Als er geschreven staat dat jouw boek is als De avonden is dat toch een monumentale mededeling, waarvan je beduusd raakt. Zeker als je maar niet kunt vergeten hoe moeilijk het was het manuscript te slijten.

‘Je moet heel erg in het manuscript en ook in jezelf geloven, wil je het kunnen volhouden en toch een uitgever vinden. Dat geldt zeker voor iemand als ik die tot dan toe een makkelijk leven had.’

Hij is de zoon van Bert Vuijsje, voormalig hoofdredacteur van HP/De Tijd en adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant. Zoon Robert groeide op in Zuid. Hij ging zoals veel kinderen uit Zuid op het Barlaeusgymnasium naar school. Hij rekruteerde er zijn vrienden en vriendinnen. Thuis vierde hij het bestaan van een jongen die alles, nu ja bijna alles kon krijgen.

Hij was tien jaar verslaggever voor Nieuwe Revu. Tegenwoordig werkt hij voor de gratis krant De Pers. ‘Ik heb nooit moeite hoeven doen om ergens binnen te komen. Toen ik met het manuscript moest leuren, was het voor het eerst in mijn leven dat ik heel veel inspanning moest leveren. Ik ben 38 nu.’

Uiteindelijk heeft Nijgh & Van Ditmar het boek uitgegeven, nadat de schrijver in spe in de zomer van 2007 nog eens drie maanden had uitgetrokken voor een nieuwe versie. De eerste druk van Alleen maar nette mensen verscheen vorig jaar. Het werd welwillend ontvangen; de verkoop was nog niet uitbundig.

Maar nu, na de ook voor hem verrassende dubbele nominatie, is Vuijsjes boek opeens hot stuff. Het is alsof hij per raket gelanceerd is. In tien dagen verschenen drie nieuwe drukken. Hij was gast bij De Wereld Draait Door. Advertenties voor zijn boek staan op de voorpagina’s van de kranten.

Vuijsje is een keurige verschijning in zijn blauwe sweater van Ralph Lauren. Hij oogt bescheiden, bijna verlegen. Hij heeft een zachte stem. ‘Wat ik wel een beetje lastig vind in televisieprogramma’s waar het maar een paar minuten mag duren, is dat het gesprek meteen over de seks moet gaan en de zwarte vrouwen. Dan lijkt het net of ik een seksboek heb geschreven. Het komt er in voor, maar het gaat toch niet over seks?’

Waar het boek over gaat, staat meteen aan het begin, op bladzijde 8: ‘De mensen die ze allochtonen noemen, denken de hele dag na over wat het betekent om te horen bij de mensen die ze allochtonen noemen. Bij iedere sociale interactie worden ze eraan herinnerd dat dit niet hun land is.’

Er niet bij horen, de verstoting van wat afwijkt – dat is zijn thema. Vuijsje: ‘David weet niet waar hij bij hoort. Daarom trekt hij naar de Bijlmer.’

Tussen hoofdpersoon en auteur bestaan treffende gelijkenissen. Ook in dat opzicht dringt een vergelijking met De avonden zich op. Robert Vuijsjes romanfiguur is uitvergroot, maar blijft in ruime mate zijn alter ego.

Wie van de twee je ook neemt, hun positie is complex. Net als Robert is David joods. David ziet eruit als een Marokkaan, net als Robert en deze deelt met David een geile belangstelling voor zwarte vrouwen met grote tieten en een achterwerk dat twee barkrukken nodig heeft.

Robert Vuijsje: ‘Verwarring was het begrip waarmee ik aan het boek begon. Verwarring, ook voor mezelf, over mijn sociale achtergrond in combinatie met mijn uiterlijk. Dan heb je het over de twee grootste uitersten die je kunt bedenken in de Nederlandse samenleving.

‘Op het Barlaeus zat ik op school met kinderen van beroemdheden, van Harry Mulisch, van Hedy d’Ancona. Of je wilt of niet, in je hoofd groeit dan de idee dat je tot een elite behoort.’

Terwijl je eruit ziet als een Marokkaan – is dat wat je bedoelt?
‘Ja, je denkt dat je bij een bovenlaag hoort, maar op straat word je behandeld als wat op het ogenblik in Nederland als het allerlaagste wordt gezien: een Marokkaanse jongen, zeg maar een kutmarokkaan.’

In het boek zit een prachtige scène waarin David vanuit Memphis terugvliegt naar Amsterdam. Een Henk en een Ria hebben plaatsen naast hem. Ze houden hem voor een Amerikaan.

‘Ria vroeg aan Henk, in het Nederlands: ‘Denk je dat het een moslim is?’

Henk wist het niet zeker, maar hij dacht van wel. Ria vroeg of ze de stewardess moest waarschuwen.’

Robert heeft overeenkomstige verhalen: ‘Als ik in een tram of een trein zit, gaan mensen niet naast me zitten. Pas als het vol is, echt helemaal vol, pas dan gaan ze naast me zitten. Ik heb er geen bezwaar tegen, hoor. Ik heb liever meer dan minder ruimte.’

Is dat echt waar, heb je er geen bezwaar tegen?
‘Het is voor mij vervelend. Niet meer dan dat. Ik bedoel: ik hoor erbij. Ik heb papieren die bewijzen dat ik een Nederlander ben. Ik spreek Nederlands zonder accent. Ik zie eruit als een allochtoon; ik ben het niet.

‘Als allochtoon krijg je de hele dag allerlei signalen dat je niet bij de meerderheid hoort, niet bij de mensen die er toe doen. Iedere niet-blanke Nederlander weet in één tel waar ik op doel. Het kan de manier zijn waarop iemand naar je kijkt. Of z’n hoofd juist wegdraait. ’

Kan het zijn dat je slachtoffer bent van inbeelding?
‘Dat zeg jij, omdat jij het gevoel niet kent. Maar iedereen die allochtoon wordt genoemd, weet haarscherp wat ik hiermee bedoel. Het is een gevoel van afwijzing en vernedering, in de Nederlandse maatschappij. Dat heb ik geprobeerd tastbaar te maken in mijn roman.’

Heb je niet een hekel gekregen aan dit land?
Met verbazing: ‘Nee. Ik heb daar geen reden voor. Ik vind Amsterdam een fijne stad. Buiten Amsterdam kom ik zelden of nooit. Amsterdam is de leukste stad van de wereld, denk ik.’

Ondanks de fenomenen van alledaags racisme die je beschrijft? Het is bijna alsof je de strekking van je boek aan het wegredeneren bent.
Hij begint over zijn familiegeschiedenis. Zijn opa, wiens gezin na de oorlog gehalveerd was. ‘Ik heb nog wel eens de gedachte: stel, ik zit op het terras, deze keer komen ze de Marokkanen halen, zouden er dan veel mensen zijn die iets zouden doen?’

Aan het eind van het boek stel je de vraag. Je formuleert het zo: ‘Waarom zou ik meedoen aan een land waar niemand iets met me te maken wil hebben?’
‘Jij wilt een soort politiek statement van me horen, over Wilders of over het politieke klimaat in het algemeen. Dat is juist wat ik niet wilde. Ik wilde de lezer vermaken, uiteraard. En ik wilde, ongemerkt, tussen de regels door, de lezer aan het denken zetten. Over de vraag hoe het in Nederland nu eigenlijk echt is met al die verschillende mensen die hier leven.

‘Ik wil niet onbescheiden zijn. Toch denk ik dat het vernieuwende van het boek is dat voor de eerste keer is beschreven hoe het echt is, zonder er omheen te blijven draaien. Ik ben niet geïnteresseerd in politieke actie. Ik wilde duidelijk maken hoe het voelt te horen bij de mensen die ze allochtonen noemen.’

Meer over