Neem het allerbeste groen dat je op je palet hebt

Al eeuwenlang zoeken kunstenaars elkaars gezelschap. Ze zonderen zich en groupe af om gestalte te geven aan een alternatief voor de burgermaatschappij....

ARNO HAIJTEMA

Het is zo'n slome zaterdagmiddag. Pont-Aven sluimert in het zonlicht, zoals ieder Frans dorp op dit tijdstip - en alle andere uren van een zomerdag. Toeristen schuifelen door de straatjes. Langs de gerestaureerde watermolens in het riviertje de Aven. Langs de galeries met matig gelukte impressies van de Bretonse rotskust en de heuvels. Over de oude brug waaraan het plaatsje zijn naam ontleent. En over de Place Paul Gauguin, het plein dat zijn naam dankt aan de schilder die hier ruim honderd jaar geleden werkte.

In het museum achter het plein, opgericht ter ere van Gauguin en de talrijke andere kunstenaars die het plaatsje aan de zuidwestkust van Bretagne beroemd hebben gemaakt, komen de toeristen niet. Deze zaterdag niet in ieder geval. Zodat zij de enkeling die er wel binnen gaat de gelegenheid bieden in alle rust te kijken naar de schilderijen en tekeningen die hier in de vorige eeuw zijn gemaakt.

Vrouwen en meisjes in klederdracht en met hoge coiffes, de Bretonse hoofdkappen, figureren op de doeken. Ze zijn aan het werk op het land, of neergevleid langs de rivier of in het bos. Vissers en Pardons, de processies met een typisch Bretonse inslag, zijn andere geliefde onderwerpen. Net als de hemel, die zo vaak dreigend is van de wolken die vanaf de Atlantische Oceaan over het land worden geblazen.

Het zijn niet de topstukken van Gauguin, Paul Sérusier en Émile Bernard die de vaste collectie vormen - die zijn verspreid over de wereld. Maar de werken die er wel te zien zijn, weerspiegelen mooi hoe de beroemde kunstenaars en hun minder getalenteerde vakbroeders zich lieten inspireren door Bretagne. Hoe ze, uit geldgebrek, soms niet alleen de voor- maar ook de achterkant van hun doeken beschilderden. En hoe een anonymus, misschien uit arren moede, op een deur een drieluik schilderde.

Loop door Pont-Aven, en je krijgt de indruk dat het dorp als kunstenaarskolonie pas iets ging voorstellen met de komst van Gauguin in 1886, en dat het zijn functie in de kunstgeschiedenis had voltooid met Gauguins vertrek naar Tahiti in het midden van de jaren negentig. Elk tweederangs schilderij in een galerie is, behalve door geld, geïnspireerd door Gauguin. Elk koekblik, galettes van roomboter zijn de andere streekspecialiteit, is met een kopie van zijn werk gesierd.

De commercie beperkt haar geschiedschrijving tot het decennium-Gauguin. Maar als kunstenaarsgemeenschap begon Pont-Aven toen al een beetje te verwelken. Ruim twintig jaar voordat Gauguin er neerstreek, hadden Amerikaanse schilders het plaatsje ontdekt.

In 1863 kwam de 25-jarige Robert Wylie, afkomstig uit Philadelphia, aan in Parijs om zich te melden bij de École des Beaux-Arts. Helaas had de prestigieuze opleiding net een opnamestop afgekondigd voor buitenlandse studenten. Wylie week uit naar Bretagne. Hij, en in zijn kielzog andere in Parijs afgewezen Amerikanen, vestigden zich in Pont-Aven.

Alledaagse overwegingen speelden daarbij geen geringe rol. Het verblijf was er goedkoop. En de eigenaresse van pension Gloanec, dat al snel uitgroeide tot de uitvalsbasis van de schilders, was niet kinderachtig in het verstrekken van krediet. Maar tijdens hun verblijf ontdekten de kunstenaars ook andere voordelen.

Het handelsplaatsje was een van de zeldzame plekken in Bretagne waar Frans, en niet Bretons de voertaal was. Hier konden ze zich zonder al te grote taalbarrières verstaan met de bevolking. Bovendien lag het plaatsje strategisch voor de kunstenaars die zich wilden bekwamen in het plein air schilderen. Zowel de zee, de rivier, het ruige landschap en een lieflijk bos, het Bois d'Amour, bevonden zich op loopafstand.

De omgeving sprak tot de verbeelding. Het landschap, nu grotendeels bedekt met bossen, was kaal - de kachels werden met hout gestookt, met kaalslag van de heuvels tot gevolg. De schilders, die in de steden de kwalijke gevolgen van de industrialisering zagen, beschouwden dit gekortwiekte land juist als ongerept. Maar ook het rebelse, van het Parijse gezag afgekeerde karakter van de Bretons sprak de romantisch ingestelde artiesten aan.

Hoezeer de kunstenaars het er naar hun zin hadden, blijkt uit de foto's waarop ze zijn vastgelegd. Voor Pension Gloanec, en het al even beroemde Hotel des Voyageurs, poseren ze. Met hoeden en woeste baarden, gitaar onder de arm, wijn en cider binnen handbereik. Dagenlang konden ze discussiëren over de val van het licht in de Aven, over de majeure schilderijen waaraan ze werkten, en over de schoonheden die ze zouden verleiden om voor hen te poseren.

Sommigen, zoals Wylie en William Lamb Picknell wisten in de jaren zeventig hun werk geëxposeerd te krijgen op de Salon van Parijs, en werden met medailles behangen.

Steeds meer kunstenaars trokken naar Bretagne. Midden jaren zeventig telde Pont-Aven er ruim vijftig, tien jaar later wel honderd. Drukker en drukker werd het, want in het kielzog van de kunstenaars kwamen de toeristen, die wel eens met eigen ogen wilden zien hoe het in zo'n artiestenkolonie toeging. Het Hotel des Voyageurs moest uitbreiden, en kreeg een grote dependance. De winkels gingen verf en andere schildersbenodigdheden verkopen.

Ook Gauguin werd aangetrokken door de internationale sfeer in Pont-Aven. Hij had net zijn Deense vrouw Mette-Sophie en hun vijf kinderen achtergelaten in Kopenhagen, om zich, hoe slecht hij er financieel ook voor stond, volledig aan het schilderen te gaan wijden. Hij bleek op middelbare leeftijd een van talent overstromende laatbloeier. Al snel groeide Gauguin in Pont-Aven uit van leerling (van Émile Schuffenecker) tot meester, die zijn vakbroeders in het Bois d'Amour met nieuwe ogen leerde kijken.

'Hoe zie je die boom?', hield hij Sérusier voor. 'Hij is levendig groen, toch? Neem dus wat groen, het beste groen dat je op je palet hebt. En die schaduw, die is toch blauw, niet? Nee, niet bang zijn, maak 'm zo blauw als je kunt'

Gauguins definitieve vertrek uit Pont-Aven naar Tahiti in 1895 markeerde het begin van het einde van de kolonie. Kunstenaars weken uit naar omliggende plaatsjes als Concarneau en Quiperlé, het beu om onder de blik van drommen toeristen te moeten werken. Het tij keerde, maar de toeristen bleven komen, tot op de dag van vandaag.

Ze schuifelen langs de dependance van Hotel des Voyageurs. In het souterrain, de Salle Paul Gauguin, is een jongerensoos gehuisvest. Inrichting en lambrisering wedijveren met het beste dat de DDR in een halve eeuw interieurverzorging heeft voortgebracht. In het hotel zelf zit een galerie. Pension Gloanec biedt dezer dagen onderdak aan een souvenir-annex boekenwinkel.

De commercie en het toerisme hebben elkaar gevonden in het centrum van Pont-Aven. Waar niets te verdienen valt, daar zijn ook geen toeristen. Zodoende lijkt het Bois d'Amour nog ongerept. De Aven flonkert onder de bomen in de zon, de waterplanten deinen in de stroming.

In een tuintje tussen het bos en het centrum, aan de Aven, werkt Jean-Jacques Colin aan een pentekening. Niet de kalmte, de bomen of het zonlicht op de rivier inspireren hem, maar zijn sombere toekomstvisioenen. In het volgende millennium controleren de computer en het grote geld alles en iedereen, zo waarschuwen zijn tekeningen.

Colin is de enige die zich in Pont-Aven openlijk boos maakt over de commercie. Hij heeft aanklachten op posterformaat opgehangen in zijn tuin. Correspondentie met gemeentebestuurders, spotprenten van toeristen die zich als vee door het plaatsje laten leiden. Dat alles onder het motto dat in koeienletters op de gevel van zijn huis is te lezen: POUR L'AMOUR DE L'IMAGE.

Ik had Colin graag om een toelichting gevraagd. Maar een scheppend artiest behoor je niet te storen.

Arno Haijtema

Dit is de tiende aflevering in een serie die deze zomer op dinsdagen en zaterdagen wordt gepubliceerd. Eerdere afleveringen verschenen vanaf 11 juli.

Meer over