Nederlandse speelfilm op klein formaat

Producenten van Nederlandse speelfilms willen hun bedrijfstak redden door de publieke omroep te verplichten tot afname. Hilversum voelt echter niets voor deze gedwongen winkelnering....

Van bioscoopbezoek kan de Nederlandse speelfilm al lang niet meer leven. Neem de in oktober uitgebrachte speelfilm De nieuwe moeder van regisseur Paula van der Oest. Deze road-movie kreeg redelijk lovende kritieken en sleepte deze week nog een Franse festivalprijs in de wacht. Niettemin vervoegden zich niet meer dan zesduizend mensen bij de bioscoop voor De nieuwe moeder, een van de vijftien Nederlandse speelfilms die jaarlijks nog worden uitgebracht.

Een veel groter publiek, tenminste enkele honderdduizenden mensen, zal de film over twee jaar op televisie bekijken. De KRO die de televisierechten bezit, mag hem dan pas vertonen. In ruil daarvoor heeft de omroep een cruciale bijdrage aan de financiering van het project geleverd. Van de twee miljoen gulden die De nieuwe moeder kostte, kwam de helft via de KRO en aan de publieke omroep gelieerde fondsen als CoBO (Coproductiefonds Binnenlandse Omroepproducties) en CoBO-extra binnen. De andere helft betaalde het Fonds voor de Film.

'De nieuwe moeder is daarmee een gemiddelde Nederlandse film, want via de omroepen komt doorgaans de helft van het geld binnen', vertelt René Scholten, producent van De nieuwe moeder en voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Speelfilmproducenten. Hij ziet de geringe belangstelling voor De nieuwe moeder als een teken van 'de verdere verslechtering van het bioscoopklimaat'.

Die geldt dan vooral de Nederlandse speelfilm, want naar de bioscoop gaan is populair. Vorig jaar werden er ruim zeventien miljoen kaartjes verkocht, weer meer dan in het vorige recordjaar 1995. De Amerikaanse films, die circa 90 procent van het publiek trekken, zijn steeds dominanter. Het aandeel van de Nederlandse speelfilm is afgebrokkeld tot minder dan 5 procent.

Particulieren of bedrijven durven daardoor nauwelijks meer in een Nederlands project te investeren. De kans op een flop is te groot. Scholten: 'Een jaar of tien geleden was er nog wel eens een distributeur die bereid was een kwart miljoen in een film te stoppen. Nu mag je blij zijn als hij bereid is te distribueren.'

Commerciële tv-omroepen tonen zich al even terughoudend. Behalve aan een van het Flodder-succes afgeleide tv-serie op Veronica wagen de commerciëlen zich niet aan risicovolle producten van eigen bodem. Net als in de bioscoop wint bij hen de Amerikaanse film het ruimschoots van Europese, en al helemaal van Nederlandse producten.

De producenten zijn daarom bovenal aangewezen op de publieke omroepen en hun fondsen. Het eigen Filmfonds beschikt jaarlijks over zo'n tien miljoen gulden, een bedrag dat wordt uitgesmeerd over een groot aantal projecten. Tot voor kort keerde het fonds maximaal een miljoen voor één film uit, maar het gerucht onder producenten wil nu dat 'je geen miljoen meer kunt krijgen.' Dat vergroot het belang van de publieke omroep in de financiering nog verder.

De onderhandelingen met de omroepen leiden tot frustraties, zo blijkt uit het relaas van Scholten. Hij gaat zelfs zover te stellen dat het 'in Nederland met de filmindustrie is misgegaan door toedoen van de publieke omroep. Die is sterk versnipperd in allerlei omroepverenigingen, die ieder voor zich weer zeggen dat ze te klein zijn om speelfilms te financieren. Gevolg is dat het echt armoedig is wat er hier gebeurt in vergelijking met het buitenland. Er is wel iets van productie, maar het is absoluut onder de maat.'

De sector is uitgeleverd aan toevallige bevliegingen van omroepdirecteuren, stelt Scholten. Als voorbeeld noemt hij de omroep die aan zijn laatste twee voltooide projecten heeft meebetaald, de KRO. Dat gebeurde omdat dramaturg Frank Jansen enthousiast bleek. Maar een paar weken geleden liet de KRO weten ermee te stoppen. Bezuinigingen werden als argument aangevoerd.

Via de politiek hopen de producenten nu gedaan te krijgen dat de publieke omroep gedwongen wordt tot het afnemen van Nederlandse speelfilms. In november werd een plan opgesteld dat voorziet in de productie van een Film van de Maand; twaalf televisiefilms per jaar, die tezamen 22 miljoen moeten gaan kosten. De helft van dat bedrag moet het ministerie van OCW betalen, de andere helft zou de publieke omroep moeten betalen.

Voor dit Telefilmproject hield Scholten samen met zijn collega Martin Lagestee vorige week een pleidooi tegenover de media-specialisten van de grote fracties in de Tweede Kamer. 'Een heel erg goed plan', reageert kamerlid Marijn de Koning (D66). Zij denkt dat omroepen, producenten én kijkers bij Nederlandse films zijn gebaat. Bij haar collega's heeft zij eveneens enthousiasme bespeurd. 'Ik denk dat hier wel een kamermeerderheid voor te vinden is.'

Bij de publieke omroep ontbreekt dat enthousiasme vooralsnog. De omroepdirecteuren hebben het Telefilmproject eind vorig jaar afgekraakt. Zij zagen er niets in zich te verplichten tot het gedwongen aankopen van televisiefilms zonder invloed op de inhoud te kunnen uitoefenen. Nu kan nog per project worden getoetst. Komt het Telefilmproject er, dan zou dat, in de ogen van Hilversum, een blanco cheque van elf miljoen voor de producenten inhouden. Dat past niet bij efficiënt gebruik van overheidsgeld zoals Den Haag dat eist, luidt de redenering.

Vraagtekens plaatsen de omroepdirecteuren bij het bedrag van 1,8 miljoen gulden die de producenten opvoeren als kosten van een televisiefilm. Met name jongere makers tonen aan dat ook voor lagere bedragen interessante films (Zusje, 06) kunnen worden gemaakt. Bovendien maakt het Telefilmproject in Hilversumse ogen geen inhoudelijke keuze: zowel artistieke als puur commerciële films komen voor financiering in aanmerking.

Die ambivalentie erkent ook Scholten. De producenten die hij vertegenwoordigt, vormen een bont gezelschap, van strikt kunstzinnig tot zuiver commerciële beroepsbeoefenaren. Vandaar dat het Telefilmproject de sector in brede zin wil stimuleren, zodat alle vakbroeders er plezier aan beleven. Die ruimhartigheid roept wel de vraag op wie precies gaat profiteren van deze regeling.

De Nederlandse speelfilmsector is maar piepklein: het bedrijfstakje bestaat uit zo'n 25 kleine tot wat grotere zelfstandigen, die vaak niet meer dan een handjevol mensen in vaste dienst hebben. Per project huren de producenten scenario-schrijvers en regisseurs in. Zelf krijgen ze bij iedere film naast hun salaris een zogeheten producer's fee, gemiddeld 5 tot 8 procent van de begroting. Om die reden is voor hen een speelfilm van 1,8 miljoen veel interessanter dan een project dat de helft daarvan kost.

Naast de filmproducenten kunnen tv-producenten als Endemol en IDTV profiteren van het Telefilmproject. De verwevenheid van film en televisie speelt ook hier op. Zo maakt First Floor Features van producent Laurens Geels, een van de grootste producenten, naast speelfilms ook de televisie-serie Flodder voor Veronica. Omgekeerd bemoeien tv-makers als Endemol en IDTV zich met film. Endemol stak onder meer geld in Filmpje! van Paul de Leeuw, terwijl IDTV volgend jaar debuteert als filmproducent met Winter '89 van regisseur Daniël Daniël.

De opstellers van het Telefilmplan laten ruimhartig toe dat ook die tv-producenten mee kunnen dingen, wat voor de pure speelfilmmakers op zijn minst bedreigend is. Of het Telefilmplan daadwerkelijk een zelfstandige speelfilmindustrie gaat stimuleren, is daarom de vraag.

Nederland is op filmgebied een Derde-Wereldland, was de teneur van een vorig jaar mei uitgebracht rapport van KPMG. Maar daar viel zeker wat aan te doen, meenden deze economische adviseurs, die ingeschakeld waren door de filmsector zelf. Met een drietrapsraket van fiscale maatregelen, directe overheidssteun en het Telefilmproject zou het nog goed kunnen komen.

Het ministerie van Economische Zaken was het met de KPMG-analyse 'helemaal eens', zegt een woordvoerder. 'Maar geld geven aan deze sector gaat ons te ver.' Weg plan van de overheidssteun. Ook is er volgens EZ niet meer fiscale ruimte nodig; de filmers moeten eerst maar eens leren de bestaande ruimte volledig te benutten. Twee onderdelen van de drietrapsraket zijn daarmee gedemonteerd. Wat er met Telefilm gaat gebeuren is nog onduidelijk. In het KPMG-voorstel was er nog sprake van een 'Film van de Week'. Dat is inmiddels teruggeschroefd tot een 'Film van de Maand'. Het ministerie van OCW zegt daar wel brood in te zien, maar heeft nog wel af te rekenen met bezwaren van de omroepen tegen het plan. Wordt daaraan tegemoet gekomen, dan is het de vraag of nog iets voorstelt. Van de status van Derde-Wereldland op filmgebied komt Nederland voorlopig niet af.

Fokke Obbema

Meer over