Nederlandse slavenschepen

Vanaf het begin van de zestiende eeuw werden vermoedelijk in totaal twaalf miljoen mensen als slaven verscheept van Afrika naar Amerika....

door A.Th. van Deursen

HET IS lang niet gebeurd, maar als het Nederlandse elftal eens zou winnen van België, dan zijn we trots. We zijn trots op die elf voetballers, maar vooral op onszelf, en als ze verliezen, dan schamen we ons in hun plaats. Zo kun je ook met geschiedenis omgaan. Dan ben je er trots op dat wij in 1607 de slag bij Gibraltar hebben gewonnen, en je voelt schaamte dat we ooit de uitvinding van de boekdrukkunst hebben toegeschreven aan Laurens Jansz. Coster. Dan beleef je de geschiedenis als een sportieve krachtmeting tussen Nederlanders en buitenlanders.

Toch is er een groot verschil. Neem eens aan dat we werkelijk van België zouden winnen. Dan zullen we niet op het idee komen dat we nu aan de Belgen onze excuses moeten aanbieden. Maar als iemand klaagt dat we ons tegenover de Duitsers horen te verontschuldigen voor Costers standbeeld in Haarlem, dan wordt hij waarschijnlijk nog ernstig genomen ook.

Sport maakt bij ons geen schuldgevoelens wakker, geschiedenis wel. Dat is tenminste wat de samenleving thans van de geschiedwetenschap lijkt te vragen. Dat we ons dienen te schamen voor ons verleden, hoeven de historici ons niet meer te leren, dat spreekt vanzelf. Wat we van hen nog willen horen is hoe we onze gevoelens van spijt het beste tot uitdrukking kunnen brengen. Kunnen we het bij woorden laten, of zijn de feiten zo ernstig dat we ook moeten betalen, en zo ja aan wie?

Het is niet uit balorigheid dat ik deze vragen opwerp naar aanleiding van het nieuwe boek van P.C. Emmer over de Nederlandse slavenhandel. De auteur zelf staat ons niet toe ze te ontwijken, want hij stelt zich een tweeledig doel. Enerzijds wil hij een objectieve beschrijving geven van de slavenhandel, zoals die bijna twee eeuwen lang door Nederlanders is uitgeoefend. Anderzijds gaat het hem zeer beslist ook om een morele beoordeling. Hoofdstuktitels als 'Hoe schuldig is Nederland', en 'De slavenhandel - de zoveelste Nederlandse ereschuld' spreken ondanks de twee toegevoegde vraagtekens een duidelijke taal.

Om schuld en boete kunnen we dus niet heen, maar laten we eerst het feitenrelaas samenvatten. De intercontinentale slavenhandel is begonnen in de zestiende eeuw, toen de Spanjaarden en Portugezen zich meester hadden gemaakt van het Zuid-Amerikaanse continent. Voor de exploitatie van dit werelddeel hadden ze arbeidskrachten nodig, en omdat de indianen voor die taak minder geschikt bleken, besloot men werkvolk in te kopen op de Afrikaanse markten. Daar bestond slavernij, zoals destijds overal in de wereld, West-Europa alleen uitgezonderd. De Afrikaanse slavernij vertoonde echter twee bijzondere kenmerken.

Ten eerste was het aantal onvrijen extreem hoog, zeker in West-Afrika. Daar maakten ze misschien wel eenderde tot de helft van de bevolking uit. Maar West-Afrika was er niet in geslaagd zijn economie te baseren op dit ruime aanbod van goedkope arbeid. Mijnbouw was onbekend, grootschalige landbouw of nijverheid werden nauwelijks bedreven. Dat was het tweede speciale kenmerk. Een slaaf produceerde doorgaans niet meer dan de waarde van zijn eigen levensonderhoud. Als de oogst laag uitviel en de voedselprijzen stegen, werd een groot slavenbezit voor de eigenaar een zware belasting. De slavenhouders besloten dan gemakkelijk tot verkoop. Voor hen was het een groot voordeel dat er op de slavenmarkt een ruime, aanhoudende en koopkrachtige vraag bestond.

Sommige van deze slaven bleven in Afrika, andere kwamen in de Arabische wereld terecht. Een aanzienlijk deel vloeide af naar Amerika. Vermoedelijk zijn meer dan twaalf miljoen mensen op transport gesteld naar de andere zijde van de oceaan. Heeft deze gedwongen emigratie geleid tot ontvolking van West-Afrika? Emmer ontkent dat. Twaalf miljoen over een periode van vierhonderd jaar betekent per jaar gemiddeld dertigduizend. Een gebied met ongeveer twintig miljoen inwoners kan zo'n verlies verwerken zonder ontvolkt te raken.

Helemaal overtuigend vind ik de rekensom niet. De titel van Emmers boek begrenst het tijdvak van de internationale slavenhandel met de jaartallen 1500-1850. Dan ontbreken dus meteen al vijftig jaar aan die vierhonderd, en bovendien is er geen sprake van gelijkmatige spreiding door de tijd heen. Gedurende de eerste decennia van de zestiende eeuw bleef het jaarlijkse contingent ver onder de dertigduizend, en ook in de negentiende eeuw - toen slavenhandel illegaal was geworden - werd dat gemiddelde niet gehaald. Er is dus een tijd geweest waarin elk jaar veel meer dan dertigduizend slaven werden ingescheept, en dat moet toch een behoorlijke aderlating hebben betekend.

De Nederlander Bosman vertelt terloops dat heel wat slaven van ver moesten komen. 'De opkopers trekken soms wel driehonderd kilometer het land in, waar zij alle markten afgaan, want u moet weten dat ze hier mensenmarkten hebben, zoals bij ons met beesten het geval is.' Het kustgebied alleen kon dus aan de vraag niet meer voldoen. Is het geen aanwijzing dat er buitengewone maatregelen nodig waren om de Europese handelaren te bedienen?

Hadden de schippers genoeg mensen ingekocht, dan kon de overtocht naar Amerika beginnen. Nu was elke lange zeereis in de zeventiende of achttiende eeuw een beproeving, ook voor de matrozen. Een slavenschip vormde geen uitzondering op die regel. Verhoudingsgewijs was de sterfte onder de zeelieden zelfs iets hoger dan onder de slaven. Maar daar is natuurlijk niets mee gezegd. Een zeeman wist waarvoor hij gekozen had. De slaaf zag zich met een paar honderd lotgenoten opgesloten en vastgeketend in een benauwde stinkende ruimte met een temperatuur van boven de dertig graden, overgeleverd aan mannen die hij niet kon verstaan, in volkomen onzekerheid over de toekomst die hem te wachten stond.

V

IJFTIENHONDERD Nederlandse slavenschepen zijn uitgevaren. Op driehonderd zijn de slaven in verzet gekomen. Kans van slagen hadden ze ternauwernood. Zelfs als het hun gelukt zou zijn zich tegen alle waarschijnlijkheid in meester te maken van het schip, dan hadden ze niet geweten hoe ze het vaartuig moesten besturen. Het zegt dan ook alles over de wanhoop die de slaven bezielde, dat ze driehonderd maal tot verzet zijn overgegaan.

De slaven hadden slechts één voordeel als ze in opstand kwamen. Ze moesten ontzien worden, want ze waren geld waard. Elke slaaf die bij een verzetsactie gedood werd, betekende een schadepost voor de slavenvaarder. Dat was belangrijk, want in tegenstelling tot de gangbare mening waren de winsten niet hoog, gemiddeld niet meer dan twee tot drie procent. Als dus de slavenhandelaar zijn ziel verkocht, dan moest hij het doen voor een zeer bescheiden prijs. Nederland is niet rijk geworden van de slavenvaarten. Vergeleken met andere landen is Nederland trouwens slechts in beperkte mate bij deze handel betrokken geweest. Toen de slavenhandel haar grootste omvang had bereikt, verlieten jaarlijks ongeveer dertig slavenschepen de Nederlandse havens. Ongeveer vijf procent van de slaven is op Nederlandse schepen naar Amerika gebracht.

Maar als we dan even terugdenken aan het totaal van twaalf miljoen, dan vormt die vijf procent toch een grote menigte van mensen. In moreel opzicht maakt het ook geen verschil of er nu tienduizend of tien miljoen mensen zijn versleept, en evenmin of daarmee tonnen gouds verdiend zijn dan wel slechts enkele guldens. Los van alle getallen en statistieken vertelt de geschiedenis van de slavenhandel ons wat er gebeurt als, om met Salomo te spreken, de ene mens macht heeft over de andere tot diens onheil.

Die morele zijde wil Emmer ook niet buiten beschouwing laten, zoals door het hele boek heen tot uitdrukking komt: 'Natuurlijk schaamt ieder weldenkend mens zich thans over dit bedrijf.'

Waarom is die schaamte 'natuurlijk'? Er is geen schaamte zonder verantwoordelijkheid, en niemand zoekt zijn eigen voorouders uit. Je kunt niet verantwoordelijk zijn voor wat je onmogelijk had kunnen verhinderen. Wie hier spreekt van schaamte, bedoelt eigenlijk dat hij geen reden ziet voor trots. Maar kan daar dan wel ooit aanleiding toe zijn? De kloeke daden van ons voorgeslacht zijn al evenmin door ons bewerkt. Trots is hier een even vals gevoelen als schaamte. Het is tamelijk onvruchtbaar het verleden gevangen te houden in een dilemma van schaamte en trots. Het een noch het ander kan doel van de geschiedschrijving zijn. We beoordelen het verleden dan naar de emoties die het bij ons oproept. Met andere woorden, wij hebben onszelf tot maatstaf gemaakt. Maar geschiedenis gaat niet over onszelf, ze gaat over andere mensen. Die moeten dan ook de maatstaf zijn. Hun moeten wij recht doen. Of dat ons dan stof geeft tot lijden of verblijden is niet van wezenlijk belang.

Emmers boek ontleent zijn betekenis dan ook vooral aan de nuchtere en zakelijke beschrijving. Hij heeft de feiten helder en duidelijk voor ons neergezet. Wie wil weten wat er gebeurde in de slavenhandel, kan bij Emmer altijd terecht. De bespiegelende kant lijkt mij wat minder sterk, omdat ze zich concentreert op die eigenaardige vraag van verantwoordelijkheid voor andermans daden.

Die vraag is niet alleen onmogelijk, ze is ook verkeerd gesteld. Nederlanders zijn niet aansprakelijk voor hun verleden. Maar ze kunnen niet onverschillig blijven voor de gevolgen van dat verleden. Zwakke en economisch nauwelijks levensvatbare staten als Suriname en de Antillen zijn een product van de Nederlandse geschiedenis, inclusief de slavenhandel. Zolang die staten zo zwak blijven, hebben ze het zedelijke recht zich op Nederland te beroepen. Dat is niet een historische, maar een actuele verplichting.

EMMERS conclusie luidt anders. Hij pleit ervoor het onrecht van slavernij en slavenhandel symbolisch te erkennen door de oprichting van een gedenkteken. Dat kan natuurlijk, maar historici hoeven niet op de beeldhouwers te wachten. Zij kunnen voor de slaven doen wat Presser heeft gedaan voor de joden. Zijn Ondergang is een imponerend monument voor de jodenvervolging in Nederland. Heel anders, maar in zijn soort niet minder overtuigend, is Eugene Genovese's boek over godsdienst en geloof in het slavenkwartier, Roll, Jordan, Roll. Dat gaat over plantageslavernij in het zuiden van de Verenigde Staten. Het veel kleinere slavenhoudende gebied onder Nederlandse controle zal minder rijk zijn aan bronnen, maar ze ontbreken niet. De slaven komen daar zelden rechtstreeks aan het woord, maar het is een misvatting te denken dat ze volstrekt stemloos zijn geworden. De zwarte cultuur van de achttiende eeuw onttrekt zich niet aan iedere waarneming.

Zo'n taak zal veel geduld vragen. Ze vergt onderzoek in allerlei uiteenlopende bronnen, die ieder stuk voor stuk weinig te bieden hebben. Schijnt een enkele wat meer op te leveren, dan zullen we die des te gretiger gebruiken.

Zo'n extra mogelijkheid is het wonderbaarlijke leven van Johannes Capitein, onlangs opnieuw beschreven door Henri van der Zee. Als kind werd Capitein geroofd en als slaaf naar de markt gebracht op de Goudkust. Daar was het geluk hem goed gezind. Een Hollandse koopman verzorgde hem als zijn eigen zoon. Toen de pleegvader naar Europa terugkeerde, mocht de jonge ex-slaaf mee. Hij kreeg een uitstekende opvoeding, en studeerde theologie aan de Leidse universiteit. In 1742 publiceerde hij een boek - volgens sommigen zijn dissertatie - over de rechtmatigheid van de slavernij. Toen keerde hij terug naar Afrika om als predikant in Elmina aan de heidenen het evangelie te verkondigen.

Het werd een bittere teleurstelling. Van zending kwam niet veel terecht. Wel hield Capitein zich in zijn vrije tijd onledig met zaken doen, maar dat leverde nog minder op. Zwaar met schuld beladen stierf hij onverwacht, op 1 februari 1747, ongeveer dertig jaar oud.

Veel meer is over Capitein niet bekend, eigenlijk te weinig voor een biografie, zodat de auteur zijn verhaal wat heeft moeten oprekken. Dat hindert mij echter minder dan de schampere toon, die is afgestemd op trots of schande, en met overtuiging voor het laatste kiest: geschiedenis als het verhaal dat bewijst waarom Nederlanders vroeger niet deugden. Zelf zie ik ze liever net zoals Jacobus Capitein is geweest: kleine, zwakke mensen die er zelden in slaagden hun grote idealen waar te maken. Maar Nederlanders kunnen in de geschiedenis van de slavernij onze kleinste zorg zijn. Laten de historici liever proberen recht te doen aan de mannen en vrouwen die leefden en werkten in het slavenkwartier.

Meer over