Nederlands cultuurhuis in Brussel

Na decennia van discussie komt er een Vlaams-Nederlands huis in Brussel. Het instituut heeft als opdracht het uitdragen van de Nederlandstalige cultuur....

Het Vlaams-Nederlands huis wordt beschouwd als een tegenhanger van het Vlaams cultuurhuis De Brakke Grond in Amsterdam. Volgens G. Heijkoop, hoofd van de afdeling culturele zaken van de Nederlandse ambassade in België, is het de bedoeling dat het instituut ook een Europese functie krijgt. 'Het blijft niet bij het ophangen van een Mondriaan en een Van Gogh. Je kunt bijvoorbeeld ook een debat houden over de nieuwe grondwet van Europa, in het Engels.'

De plannen voorzien in een gehoorzaal, horeca, faciliteiten voor radio en tv, mogelijk een boekhandel en een appartement waar kunstenaars kunnen verblijven. De commissie Vlaanderen/Nederland zal er zich vestigen. Gedacht wordt ook aan een gedeeltelijke verhuizing van de Taalunie uit Den Haag.

De opening voorafgaand aan de verbouwing wordt vooral gezien als een gebaar aan de Vlaamse minister van Cultuur Paul van Grembergen, die zich sterk heeft gemaakt voor de komst, maar na de regionale verkiezingen op 13 juni niet zal terugkeren. De komst van een gehoorzaal betekent dat het pand zal worden uitgebreid. Mogelijk blijft de kantoorruimte tijdens de werkzaamheden open.

Als voorlopig intendant is benoemd M. van den Bergh, gewezen vice-voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam en voormalig hoofd Inspectie Hoger Onderwijs. Zij was onder meer algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie en voorzitter van het Fonds van de Letteren.

Nederland en Vlaanderen dragen samen bij aan de exploitatie. Die is begroot op 1,5 miljoen euro per jaar. Nederland betaalt daarvan tweederde, verdeeld over de ministeries van Onderwijs en Buitenlandse Zaken. Vlaanderen stelt het pand, waarin vroeger de administratie van de Muntschouwburg zat, gratis beschikbaar.

Dat onderhandelingen bijna een kwart eeuw zonder resultaat bleven, leidde tot vertroebeling van de verhouding tussen Nederland en Vlaanderen. Den Haag voelde aanvankelijk niet veel voor steun uit vrees dat de instelling een factor zou worden in de taalstrijd tussen Vlamingen en Franstaligen. Later groeiden twijfels over de noodzaak van culturele instituten in het buitenland.

Meer over