interviewAnn Demeester en Jacqueline Grandjean

‘Nederlanders vragen: ‘Hoe kun je rondkomen als kunstenaar?’ Belgen vragen: ‘Waar gaat je werk over?’’

Jacqueline Grandjean (links) en Ann Demeester. Beeld Daniel Cohen
Jacqueline Grandjean (links) en Ann Demeester.Beeld Daniel Cohen

De Volkskrant kijkt met museumdirecteuren Ann Demeester (46) en Jacqueline Grandjean (53), die elk de stap naar een groter museum maken, terug op hun tijd in de (Nederlandse) kunstwereld.

Ja, deze museumdirecteuren kennen elkaar. ‘Kent niet iedereen elkaar in de Nederlandse kunst?’, vraagt Ann Demeester, directeur van het Frans Hals Museum in Haarlem. Jacqueline Grandjean, directeur van de Oude Kerk in Amsterdam, weet het nog precies: ‘We ontmoetten elkaar in Amsterdam, jij was nog directeur van De Appel.’ Demeester: ‘O ja, en jij van Huize Frankendael.’

Ze legden allebei een mooi parcours af in de Nederlandse kunstwereld: van leidinggevende bij een presentatie-instelling naar museumdirecteur. Binnenkort vervolgen ze die route in het buitenland: Demeester (46) verlaat het Frans Hals Museum begin volgend jaar om directeur van het Kunsthaus Zürich te worden. Grandjean (53) heeft vrijdag haar laatste werkdag bij de Oude Kerk en begint volgende maand als artistiek directeur van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA).

Het gaat om twee indrukwekkende carrièrestappen. Het Kunsthaus is het grootste museum van Zwitserland, en is qua collectie volgens Demeester te vergelijken met Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam: van de Middeleeuwen tot nu. Het KMSKA is het grootste museum van Vlaanderen en is qua collectie verwant aan het Rijksmuseum in Amsterdam (‘een kleinere versie’). Daar houdt de vergelijking niet op, want ook het KMSKA is inmiddels tien jaar gesloten voor een grondige renovatie; wanneer het heropent is nog niet bekend. ‘Als een Doornroosje, die jij mag wakker kussen!’, zegt Demeester, die als Belgische het museum goed kent. Ook haar Kunsthaus is verbouwd: het museum opent in oktober een nieuwe vleugel, waarmee het totale tentoonstellingsoppervlak bijna is verdubbeld.

Met werken in het buitenland heeft Demeester ruimschoots ervaring. Ze is nu 21 jaar in Nederland en voelt zich een ‘Nederbelg’: ‘Ik vond Nederland aanvankelijk heel vervreemdend, omdat we dezelfde taal spreken, maar de rest helemaal anders is: hoe je eet, hoe je praat, hoe je communiceert.’ Grandjean herkent die verwarring nu al: ‘Ik zei tijdens een bestuursvergadering in Antwerpen: ik spreek graag straks iedereen nog even bij de borrel, waarop de voorzitter me corrigeerde: wij spreken hier van receptie.’ Ze heeft al vergeefs gezocht naar een Vlaams-Nederlands woordenboek.

Beide directeuren deinzen er niet voor terug opschudding te veroorzaken. Grandjean oogstte lof met de kunstinstallaties die zij programmeerde in de Oude Kerk. Ze zette die plek internationaal op de kaart met grootschalige multimediale kunst van bijvoorbeeld Christian Boltanski en Adrián Villar Rojas. De Oude Kerk kreeg onder haar leiding officieel de status van museum. Grandjean kreeg het in de negen jaar dat zij directeur was een aantal keer met omwonenden en andere belanghebbenden aan de stok, tot in de rechtszaal aan toe (de kunst won). Toen ze in april vond dat de ‘geestelijke nood’ hoog was, opende ze de deuren van de Oude Kerk voor een ‘meditatieve wandeling’, met kunst, terwijl de presentatie-instellingen nog waren gesloten. ‘Uit medemenselijkheid, ter verlichting van de mentale nood tijdens deze eindeloze lockdown’, aldus Grandjean.

Demeester besloot tot een ‘huwelijk van tussen oud en nieuw’, toen zij in 2014 directeur werd van twee Haarlemse musea: het Frans Hals Museum (met oude kunst) en De Hallen (met hedendaagse kunst). Ze ging de oude en nieuwe kunst zelfs mixen, ‘transhistorisch programmeren’ heet dat in museumjargon. Vorig jaar werd ze bijzonder hoogleraar aan de Radboud Universiteit en ging ze over dit specialisme doceren. Net als bij haar voorganger was de financiële ondersteuning vanuit de gemeente Haarlem tijdens haar directeurschap een grote zorg. Die zorg, ook om de historische gebouwen (die nodig toe zijn aan renovatie), is nog actueel. Al wil Demeester daar nu niet te veel over zeggen, ‘want ik ben nog niet weg en er is tot die tijd nog werk aan de winkel’. Ze ontpopte zich de afgelopen jaren tot bevlogen woordvoerder van de kunstensector. Onlangs mocht ze nog in Buitenhof komen uitleggen waarom kunst wél essentieel is.

Voor het vervolg van het gesprek houdt de Volkskrant de twee museumdirecteuren zeven stellingen voor.

Jacqueline Grandjean (links) en Ann Demeester. Beeld Daniel Cohen
Jacqueline Grandjean (links) en Ann Demeester.Beeld Daniel Cohen

1. De kunstwereld is een mannenwereld

Ann Demeester: ‘Nou, ik denk dat de genderbalans redelijk naar de andere kant aan het doorslaan is.’

Jacqueline Grandjean: ‘Maar de top is nog wel behoorlijk mannelijk. Ik heb filmwetenschappen gestudeerd en daarna kunstgeschiedenis. Bij kunstgeschiedenis zat ik met alleen maar vrouwen, maar toen ging ik werken in de sector en zag ik dat de museumdirecteuren meestal mannen waren. Ik dacht toen echt: waar komen die mannen nou vandaan?’

AD: ‘Inmiddels is de directeur van het Kröller-Müller Museum een vrouw, net als van het Mauritshuis en van het Van Gogh Museum. Het verschilt ook per land. In België zijn er nu maar twee vrouwelijke museumdirecteuren, allebei bij het KMSKA: Carmen Willems als algemeen directeur en jij, Jacqueline, als artistiek directeur. In Zwitserland was het feit dat ik een vrouw ben nog nieuws.’

JG: ‘Het Louvre heeft nu ook een vrouw als directeur: de eerste ooit. Daar stonden de kranten vol van.’

2. Nederland zorgt goed voor kunstenaars

AD: ‘Nee.’

JG: ‘Nee, nee, voor kunstenaars wordt niet goed gezorgd. De coronacrisis liet dat pijnlijk zien. Ik spreek kunstenaars die echt diep in de armoede zijn gezakt, heel pijnlijk. Voor instituten wordt beter gezorgd.’

AD: ‘Wat er gebeurt is dat kunstenaars noodgedwongen kiezen voor bestaanszekerheid en hun praktijk afbouwen. Maar je hebt voor kunstenaarschap een bepaald soort stilte en leegte nodig, die heb je niet als je het moet combineren met een fulltimebaan.’

Er is wel een uitgebreide infrastructuur van fondsen en subsidies en regelingen.

AD: ‘Je kunt er zo veel geld tegenaan gooien als je wilt, maar als er geen basiswaardering is voor het kunstenaarschap, dan is dat water naar de zee dragen. Tijdens het Paradisodebat (over cultuur, op 29 augustus, red.) was iedereen verontwaardigd over prins Bernhard (nadat de band Chef’Special het verzoek had gekregen om bij de Grand Prix van Zandvoort op te treden in ruil voor vipkaarten, red.). Maar Prins Bernhard stond helemaal niet ver van de samenleving toen hij dat vroeg. Kunstenaars worden gezien als cadeautjesmachines. Ik ben niet pessimistisch, maar hier wind ik me enorm over op: hoe verander je dat?’

JG: ‘Het zit heel diep in de Nederlandse cultuur, het is ook een effect van het calvinisme om te denken: alles wat franje is, dat hebben we niet nodig. En dat is heel problematisch. Als je in Nederland zegt dat je kunstenaar bent, dan vragen mensen: ‘Hoe kun je daarvan rondkomen?’ Als je in België zegt dat je kunstenaar bent, dan vragen mensen: ‘Waar gaat je werk over?’’

AD: ‘In België is er meer intrinsieke waardering, en het besef: het is er gewoon, je kunt het niet wegdenken. Hier moet kunst zich constant bewijzen.’

JG: ‘Het effect is dat je steeds als sector in het nieuws komt omdat je geld nodig hebt, en dat je dan wordt gezien als rupsje-nooitgenoeg.’

3. Een museum leiden is strijd voeren

JG: ‘Ik denk van niet. Maar een museum kan verandering teweegbrengen – dat woord ‘verandering’ is cruciaal, zeker als je het hebt over erfgoed. De geschiedenis is niet in beton gegoten, maar sommige mensen denken daar anders over. Dat zorgde wel voor strijd bij de Oude Kerk. Het is prima om het hartstochtelijk oneens te zijn, zolang je maar met elkaar in gesprek blijft.’

AD: ‘Ik denk dat je wel strijdlustig moet zijn wanneer je een museum leidt, dat je vecht voor de goede zaak. Er wordt wel gezegd dat musea neutraal zijn, maar musea zijn uitermate politiek. Vaak staan we in het teken van progressief denken, wat niet noodzakelijkerwijs betekent dat je links bent. Als je je in de arena van maatschappelijke verandering begeeft, dan ontstaan er schermutselingen. Wij zijn, denk ik, allebei wel het strijdlustige type.’

JG: ‘Mijn vrienden zeggen altijd: ‘Jij bent echt van het harmoniemodel.’ Ik zei dat eens tegen de raad van toezicht van de Oude Kerk, en die waren echt verbaasd: ‘O ja?’’

AD: ‘Musea zijn altijd op zoek naar een balans tussen harmonie en frictie. Verandering doet altijd pijn.’

4. Oude en nieuwe kunst horen in aparte museumzalen

AD: ‘Zeker niet. In het Frans Hals Museum worden oude, moderne en hedendaagse kunstwerken systematisch naast elkaar geplaatst. We zijn het enige museum in Nederland dat dit continu doet, als een voortdurend experiment. We hebben nu een team opgebouwd met die mentaliteit. Het museum wordt niet meer gezien als een mausoleum, als statisch. Ook de collectieopstelling blijft trial-and-error. Je kunt nooit zeggen: nu is het af, zó moet het zijn. Het moet altijd in beweging zijn.’

JG: ‘In de Oude Kerk hebben we tentoonstellingen gemaakt met bijna acht eeuwen erfgoed als onderzoeksgebied. Het was juist de twijfel over erfgoed, het waren de blinde vlekken in de geschiedenis die nieuwe perspectieven opleverden voor kunstenaars en bezoekers. Dus ik ben het met Ann eens: het is een interessante zoektocht en we zijn er nog lang niet, gelukkig maar.’

En neemt u die werkwijze beiden mee naar uw nieuwe werkplek in Zürich en Antwerpen?

AD: ‘Daar kan ik nog weinig over zeggen, aangezien ik daar pas in 2022 aan de slag ga en eerst goed wil kijken en luisteren wat er leeft. Maar het verlangen om te zoeken naar verbanden tussen het verleden en het heden draag ik met me mee, het is onderdeel van de manier waarop ik denk over en kijk naar kunst.’

JG: ‘Ook ik zou met kijken, ontmoeten en goed luisteren willen beginnen in Antwerpen. In het KMSKA hangen oude en moderne kunst straks al in hetzelfde gebouw. Er is ook al een traditie van interdisciplinair werken, dus ook muziek, dans en mode naast de kunst. Dus iets van die werkwijze is er al.’

5. Het lukt musea niet om een nieuw publiek te bereiken

Lange stilte.

AD: ‘Ik zeg: jein... Ja plus nein.’

JG: ‘Wat ik geweldig vind in de Oude Kerk, is dat er mensen binnenlopen die gewoon denken: ik ga eens binnen kijken, de deur staat open. Wij krijgen echt een ander soort publiek binnen dan musea, met allerlei soorten achtergronden. Vervolgens ontstaat natuurlijk een schrikreactie, want ineens is er kunst. Ik vind dat ook mooi, zo ontstaat er iets onverwachts. Zo’n bordje ‘museum’ schrikt sommige mensen af.’

AD: ‘Musea zetten er heel hard op in om allerlei soorten nieuw publiek te bereiken.’

Maar lukt het ook?

AD: ‘Qua kwantiteit lukt het niet, kijk maar naar de cijfers van de museumjaarkaart: 75 procent is nog steeds wit, vrouw, hoogopgeleid, 50+. Maar als je kijkt naar kwaliteit wel. Kijk naar bepaalde musea die echt verandering teweegbrengen in wie ze weten te verleiden, zoals het Amsterdam Museum en het Van Abbemuseum. Ik verwonder me erover dat het label ‘museum’ een tegenstrijdig leven leidt. Aan de ene kant trekt het mensen aan, kijk maar naar pseudomusea als Moco of het Next Museum. Dat zijn eigenlijk geen musea, want ze hebben geen collectie. Maar ze gebruiken die naam met succes als een stempel van goedkeuring. Aan de andere kant kan dat stempel mensen afschrikken, vanuit de aanname: musea zijn saai en alleen voor liefhebbers.’

JG: ‘Wat ik heel jammer vind, is dat veel mensen zeggen: ‘Ik begrijp het niet.’ Dan is de verwachting dat een museum een plek is waar iets wordt uitgelegd. Dat is een misvatting, ik begrijp ook niet alles.’

AD: ‘Daar moeten we volgens mij nog meer propaganda op voeren, want dat is een groot obstakel, dat mensen kunst benaderen als een breinbreker of sudokupuzzel.’

6. We moeten het kunstwerk los zien van de maker

AD: ‘Ik denk tot op zekere hoogte wel. Een kunstwerk is bijvoorbeeld nooit schuldig. Als de maker een crimineel is, dan moeten we het kunstwerk niet noodzakelijkerwijs aan het publieke domein onttrekken. Tenzij het kunstwerk een soort propaganda of uitdrukking is van het criminele gedrag van de kunstenaar. Anders kun je geen Céline meer lezen, je censureert daar zo veel mee. Je kunt wel besluiten die kunstwerken een tijd in spreekwoordelijke quarantaine te zetten, net als wanneer een schilderij last heeft van mot en schimmel.’

JG: ‘Ik geloof ook niet in boycotten, het gesprek is veel interessanter. Het risico op zelfcensuur is ook problematisch, dat musea een tentoonstelling annuleren in de veronderstelling dat iemand zich beledigd zou kunnen voelen, zoals onlangs gebeurde in Tate Modern, met de tentoonstelling van Philip Guston. Een museum moet de kijker ook uitdagen, polemieken uitlokken. In de Oude Kerk hebben we een schilderij van het uitvaren van de eerste VOC-vloot, heel feestelijk geschilderd. Op een goed moment zaten we er toch een beetje mee in onze maag: willen we dat nog wel laten zien? Dan is dát het gesprek. We hebben besloten het in de spiegelkamer te laten hangen, een van de historische zijruimten van de kerk, en hebben de Indonesische kunstenaar Iswanto Hartono uitgenodigd om in reflectie een nieuw kunstwerk voor onze collectie te maken. Doordat je dan iets toevoegt, verandert ook de betekenis.’

7. Kunst kan de wereld redden

JG: ‘Kunstenaars zijn wel de profeten van onze tijd. Kunst kan helpen om je te laten nadenken en om in gesprek te blijven over het ondenkbare, dat wat er nog niet is. Redden is misschien een beetje een groot woord. Door te werken in een kerk heb ik gezien dat er zeker wel parallellen zijn te trekken tussen de missiedrang van kerken en de missiedrang van de kunst. Die kerken waren er natuurlijk ook om mensen te redden, door ze geestelijk te voeden. Ik vind het mooi dat er regelmatig een idealistische ondertoon in actuele kunst in zit.’

AD: ‘Toch zeg ik nee. Ik denk inderdaad wel dat kunst heel essentieel is voor onze geestelijke lenigheid, voor ons scenariodenken, dat ze mensen kan voorbereiden om anders over de toekomst na te denken. Het is een soort warming-up. Maar kunst kan geen wereldproblemen oplossen.’

Jacqueline Grandjean (links) en Ann Demeester. Beeld Daniel Cohen
Jacqueline Grandjean (links) en Ann Demeester.Beeld Daniel Cohen

KMSKA

Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen opende in 1890 op de huidige locatie, maar de collectie werd al opgebouwd vanaf 1663, toen de kunstacademie van Antwerpen werd opgericht. Topstukken uit de museumcollectie (achtduizend kunstwerken) zijn bijvoorbeeld van Peter Paul Rubens, Jan van Eyck en James Ensor. Toen de grootschalige renovatie in 2011 begon, was de verwachting dat het museum in 2017 zou heropenen, maar die datum verschoof steeds door ‘bijkomende en ongeplande werken’. Inmiddels heeft het museum besloten een jaar voor heropening een datum bekend te maken.

Kunsthaus Zürich

Het Kunsthaus werd in 1787 opgericht door een kunstenaarsgezelschap. In 1910 werd het gebouw in Zürich geopend, dat onlangs is uitgebreid met een grote nieuwbouw door David Chipperfield. Hoogtepunten uit de museumcollectie (99 duizend werken) zijn kunstwerken van onder anderen Claude Monet, Vincent van Gogh en Pipilotti Rist.

Nu te zien in de Oude Kerk in Amsterdam:

Discover the Collection, t/m 31 december

Dennis Rudolph, Minute Apocalypse, t/m 20 september

Nu te zien in het Frans Hals Museum in Haarlem:

Who is she? Portretten vertellen, t/m 2 januari 2022 (Locatie Hal)

Frans Hals: Alle schuttersstukken en Haarlemse Helden. Andere Meesters, t/m 1 juli 2022 (Locatie Hof)

Meer over