Boeken

Nederland keek vol afschuw naar de gruwelen in Armenië, laat deze degelijke studie zien ★★★☆☆

De genocide in Armenië kwam niet uit de lucht vallen, laat Dirk Roodzant overtuigend zien in een degelijk boek. En Nederland gruwde er openlijk van.

null Beeld Avalon Nuovo
Beeld Avalon Nuovo

Mocht er ooit een nieuw kabinet komen, dan ligt er een op het oog onbeduidend klusje op de ministers te wachten: de vraag of Nederland nu eindelijk de Armeense genocide van 1915 wil erkennen. In februari heeft de Tweede Kamer dat uitdrukkelijk gevraagd, met 147 stemmen voor en 3 tegen, die van de vertegenwoordigers van Denk. Tot nu toe heeft het kabinet nooit verder durven gaan dan te spreken over ‘de kwestie van de Armeense genocide’ – één stapje verder en er is, zo vreesde het vorige kabinet-Rutte, weer heibel met de Turkse regering.

Misschien helpt het vandaag verschenen boek De Armeense Gruwelen van historicus Dirk Roodzant straks een handje. Want daarin staat dat de Nederlandse kranten 106 jaar geleden al zonder enige aarzeling hun afschuw uitspraken over wat er in het Ottomaanse Rijk gebeurde. Het Rotterdamsch Nieuwsblad schreef: ‘Het schijnt de bedoeling der Turkse regering te zijn met alle mogelijke middelen thans het Armeense ras te doen uitsterven.’

De Tribune: ‘Dorpen, steden, landstreken zijn in bloedige lijkenvelden veranderd.’

De Nieuwe Tilburgsche Courant: ‘Wat in Armenië gebeurt grenst aan het duivelachtige en steekt in wreedheid uit boven al het andere. Dit is de grootste schande welke ooit de mensheid heeft gedrukt.’

De bladen hadden geen eigen verslaggevers in het gebied; ze baseerden zich op buitenlandse kranten en berichten van reizigers, missionarissen, zendelingen, consuls en gezanten. Ook het ministerie van Buitenlandse Zaken was heel goed ingelicht. Ambassadeur Van der Does de Willebois had al op 1 september 1915 naar Den Haag geschreven dat ‘het Armenisch vraagstuk is opgelost’ en wel zodanig dat ‘het in Armenië stil is geworden’. Hij verwees naar de manier waarop de Russische tsaar Nicolaas I in 1831 een opstand in Warschau had neergeslagen, waarna was gerapporteerd: ‘De stilte heerst in Warschau.’ In zijn rapport maakte Van der Does er melding van dat de Armeense bevolking ‘die twee miljoen bedroeg tot één miljoen is samengesmolten’.

Bewijsmateriaal

Het is niet vol te houden dat de schrik over wat in het Aziatische deel van het Ottomaanse Rijk was gebeurd, snel voorbij was. Berichten over het leed van de Armeense bevolking – christenen in het islamitische Ottomaanse Rijk – bleven binnenkomen, met een duidelijke piek in 1917. Toen kwam het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken met een wetenschappelijk verantwoord rapport over het lot van de Armeniërs, opgesteld door de historicus Arnold J. Toynbee. Het werd een ‘blauwboek’ genoemd en bevatte 700 bladzijden met verklaringen van ooggetuigen en correspondenten. Roodzant spreekt van ‘een overstelpende hoeveelheid bewijsmateriaal’.

Het blauwboek is destijds niet in het Nederlands vertaald, maar hier wel ruim vermeld. De Telegraaf van 27 maart 1917 ruimt er zelfs bijna de hele voorpagina voor in. Niet met de chocoladeletters die we vandaag van deze krant zouden verwachten, maar onder het piepkleine kopje ‘Turksche gruwelen tegen de Armeniërs’ volgen vier gestrekte kolommen met alleen maar afschuwelijke details van de slachtpartijen waarin twee jaar eerder mannen, vrouwen en kinderen de dood hadden gevonden. In de saaist denkbare opmaak spat het bloed van de pagina.

Comité

In hetzelfde jaar werd in Nederland een voorlopig Armenië Comité opgericht, waarvan vooral politici lid waren geworden. Het comité sprak van ‘volkerenmoord en uitroeiing’ en wilde de overgebleven Armeniërs waar mogelijk te hulp komen. Bij alle gerenommeerde namen ontbrak die van Abraham Kuyper, de voormalige voorman van de Anti-Revolutionaire Partij en in 1917 nog lid van de Eerste Kamer. Hij stond bekend als een vriend van Duitsland, dat in Turkije een bondgenoot had tijdens de Eerste Wereldoorlog. Kuyper ontkende, net als de Duitse regering, de massamoord op de Armeniërs en vond dat er hooguit sprake was van deportatie van een bevolkingsgroep. Deportatie is toch heel iets anders dan moord, hield hij vol. ‘Voor Kuyper’, concludeert Dirk Roodzant, ‘was zijn sympathie voor Duitsland groter dan zijn empathie voor Armenië.’

In zijn uiterst degelijke (maar niet heel toegankelijk geschreven) boek, tevens de dissertatie waarop hij gisteren in Amsterdam promoveerde, toont Roodzant aan dat de Armeense genocide niet uit de lucht kwam vallen. Al heel lang waren de Armeniërs vervolgd. En elke keer verschenen daar ook berichten over in de westerse kranten. In 1894 waren er zulke gruwelijke pogroms geweest dat de Nederlandse gezant Van der Staal van Piershil naar Den Haag schreef ‘dat de geur afkomstig van lijken zo sterk is dat het land erdoor is geïnfecteerd’. De gezant had het geluk dat hij in die periode in audiëntie werd ontvangen door sultan Abdul Hamid II, de sterke man van het rijk. Het was alleen niet de bedoeling dat daar over politiek werd gesproken, en vandaar dat Van der Staal van Piershil zich beperkte tot conversatie over het geschenk dat hij voor de sultan bij zich had: een hondje.

Alleen al uit schaamte dáárover zou het volgende kabinet eens flink moeten zijn en de Armeense genocide ronduit erkennen.

null Beeld Uitgeverij Verloren
Beeld Uitgeverij Verloren

Dirk Roodzant: De Armeense Gruwelen Nederland en de vervolgingen van de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk 1889-1923. Uitgeverij Verloren; 480 pagina’s; € 39.

Meer over