Nationalisme als product van moderne tijd; INDUSTRIALISATIE SCHIEP SOCIALE VOORWAARDEN VOOR STAATSVORMING

NATIONALISME IS een taai verschijnsel. Na de Tweede Wereldoorlog leek het een tijdlang te zijn verdwenen. De West-Europese landen betraden de veelbelovende weg van verzoening en samenwerking....

Na de val van de Berlijnse Muur is pijnlijk duidelijk geworden dat het communisme het nationalisme alleen maar heeft onderdrukt; verdwenen was het geenszins. Toen het communisme ineenstortte, stak het nationalisme meteen weer de kop op.

Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie leidde tot gewelddadige botsingen tussen volkeren in het gebied van de Kaukasus. De regering in Moskou ontketende een bloedige oorlog toen de Tsjetsjenen voor hun onafhankelijkheid gingen strijden. En wat er gebeurde toen de republiek Joegoslavië uiteenviel, is nog niemand vergeten. Tijdens de oorlogen in Kroatië en Bosnië dook het begrip 'etnische zuivering' op, een eufemisme voor moord en doodslag, roof en verdrijving. De geschiedenis, zo werd op gruwelijke wijze zichtbaar, was teruggekeerd.

De Tsjechisch/Engelse filosoof en antropoloog Ernest Gellner heeft zich tot zijn dood eind 1995 beziggehouden met het verschijnsel nationalisme. De laatste jaren van zijn leven was hij directeur van het studiecentrum voor nationalisme aan de universiteit van Praag. Voor Gellner was dit een terugkeer. Hij werd in 1925 in Praag geboren. Zijn ouders waren van joodse afkomst. Het gezin moest in 1939 vluchten voor de nazi's en vond onderdak in Groot-Brittannië. Gellner doceerde na de oorlog eerst filosofie aan de London School of Economics en werd later hoogleraar sociale antropologie aan de universiteit van Cambridge.

Zijn bekende boek Nations and Nationalism verscheen in 1983, in een tijd dus dat nationalisme in Europa nog geen brandende kwestie was. Vandaar wellicht dat hij kort voor zijn dood nogmaals over nationalisme is gaan schrijven. In Nationalism, dat nu is verschenen, heeft hij zijn laatste gedachten neergelegd over ontstaan en ontwikkeling van dit verschijnsel.

In dit lange essay keert Gellner zich tegen twee heersende meningen. Nationalisme is niet van alle tijden en niet inherent aan de menselijke natuur, zoals nationalisten graag beweren. Nationalisme is echter ook niet een doctrine die quasi toevallig is ontstaan aan het begin van de negentiende eeuw. Gellner meent dat nationalisme een onvermijdelijk product is van de moderne tijd. Nationalisme ontstaat noodzakelijkerwijs als gevolg van bepaalde sociale omstandigheden. Die omstandigheden doen zich niet overal voor en 'daarom is nationalisme niet het lot van alle mensen'.

Gellner gaat ervan uit dat daar waar mensen samenleven, er altijd een cultuur en een organisatiestructuur ontstaan, maar dit leidt niet automatisch tot nationalisme en het stichten van een staat. 'Cultuur en sociale organisatie zijn universeel en van alle tijden. Staten en nationalisme zijn dat niet.'

Gellners bewijs vormt de oude, agrarische samenleving. In die agrarische samenleving heerste een strenge, door God gegeven hiërarchie. Iedereen kende zijn plaats en zijn taak. In die samenleving van strikt gescheiden rangen en standen had iedere stand zijn eigen cultuur. Al deze verschillende culturen waren erop gericht iedereen op de hem toebedeelde plek te houden. Zij waren niet gericht op het vormen van een natie/staat.

Dit klinkt plausibel. De rijken in de Middeleeuwen en de Renaissance trokken zich niets aan van cultuur- of taalgrenzen. Karel V was koning van Spanje, Bourgondië en de Nederlanden, heerste over Italië en werd keizer van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie, ofschoon hij geen woord Duits sprak. Nog in 1815 tijdens het Congres van Wenen, gehouden nadat Napoleon was verslagen, werden in Europa de oude, feodale rijken hersteld en wel zonder dat veel acht werd geslagen op volken, cultuur en taal. Maar, schrijft Gellner, de 'nationalistische slang bevond zich toen al in de tuin'.

Want wat was er gebeurd? De industrialisatie kwam op gang en die schiep de sociale voorwaarden die nodig zijn voor het ontstaan van nationalisme; althans zo luidt de theorie van Gellner, die hij eerder al uiteenzette in Nations and Nationalism.

In de industriële samenleving moest het onveranderlijke, hiërarchische systeem van rangen en standen plaatsmaken voor sociale mobiliteit. Mede onder invloed van de Verlichting groeide het inzicht dat alle mensen gelijk zijn. Arbeiders die machines gingen bedienen, moesten kunnen lezen en schrijven, en voor een vlotte communicatie moest iedereen zich gaan bedienen van een taal die algemeen werd verstaan. Scholing werd noodzakelijk en zelfs verplicht. Zo ontstond een hoogontwikkelde, homogene cultuur.

Volgens Gellner ligt in deze ontwikkeling de verklaring van het nationalisme: homogeniteit van cultuur wordt de politieke band die een volk verbindt; het bezitten van een bepaalde hoge cultuur is de eerste vereiste voor politiek, economisch en sociaal burgerschap. Wie die cultuur niet bezit, is een tweederangs burger, wat op zich weer kan leiden tot nationalisme van degenen die zich buitengesloten voelen.

Gellner geeft toe dat deze theorie niet alles kan verklaren. Want als industrialisatie leidt tot een hogere, homogene cultuur, dan verdwijnen dus juist de culturele verschillen en verliest nationalisme zijn basis. In werkelijkheid werd het nationalisme in de negentiende eeuw echter steeds sterker. Bovendien hadden de eerste nationalistische opstanden in de negentiende eeuw - die van de Grieken in 1822 en later die van verschillende Balkan-volkeren tegen de Turkse overheersing - niets met industrialisatie te maken.

Volgens Gellner verdwenen wel culturele verschillen, maar dit leidde niet tot één cultuur, maar tot verschillende grotere culturen. Verder vond industrialisatie niet overal gelijktijdig plaats. Engeland en Frankrijk hadden begin negentiende eeuw een voorsprong op het toen nog zeer versnipperde Duitsland. Vandaar dat de Duitse eenwording in 1834 begon met de Duitse Douane-Unie, bedoeld om de nog zwak ontwikkelde Duitse industrie te beschermen tegen de sterkere buitenlandse concurrentie.

In Nationalism ontwerpt Gellner een interessant model, aan de hand waarvan hij verklaart waarom het nationalisme in de negentiende eeuw in West-, Midden- en Oost-Europa een verschillende uitwerking had; geen geweld in het westen, maar wel geweld in Duitsland en Italieé en veel geweld op de Balkan en in Oost-Europa. Maar hij beseft dat dit model niet het gruwelijke nationalisme kan verklaren dat Europa in de eerste helft van deze eeuw heeft geteisterd. Erger nog, schrijft hij, het model 'voorspelt kwaadaardige gevolgen alleen voor sommige delen van Europa en juist niet voor die delen waar het nationalisme in feite het meest extreem en moorddadig was'.

In Duitsland en Italië waren ideologische factoren buitengewoon belangrijk. Gellner gaat niet concreet in op het Duitse nationaal-socialisme. Hij beschrijft veel meer de geestelijke stromingen die hiervoor de voedingsbodem vormden: de Romantiek met zijn nadruk op de waarden van het verleden en zijn leer dat de mens wordt bepaald door zijn 'wortels', en het darwinisme met zijn leer dat in de natuur alleen het sterkere en het gezondere overleven. De 'fusie' van die twee, schrijft Gellner, 'was werkelijk explosief'. Het gevolg was dat mensen zonder wortels werden buitengesloten en vervolgd, want het niet hebben van wortels werd beschouwd als de 'grootste van alle zonden'.

Aan het eind van zijn boek doet Gellner enkele aanbevelingen die kunnen leiden tot een verdwijnen van nationalisme. Supranationaliteit hoort daarbij. De problemen en gevaren van technologisch hoogontwikkelde samenlevingen kunnen niet meer op het niveau van de staat worden aangepakt, maar vereisen een supranationale autoriteit. Van de andere kant ziet Gellner mogelijkheden kwesties betreffende de infrastructuur op regionaal niveau te regelen. De staat zou dus sterk aan belangrijkheid kunnen inboeten, temeer daar cultuur niet meer gekoppeld hoeft te worden aan land.

Gellner geeft toe dat dit meer hoop dan een voorspelling is, maar 'het is geen onredelijke hoop'.

Jan Luijten

Ernest Gellner: Nationalism.

Weidenfeld & Nicolson, import Consul Books; 114 pagina's; ¿ 50,35.

ISBN 0 297 81612 8.

Meer over