InterviewNana Adjoa

Nana Adjoa houdt niet van smalltalk, dus praten we met haar over haar muziek

Beeld Latoya van der Meeren

Een van de mooiste Nederlandse popplaten komt dit jaar van de Amsterdamse bassist en singer-songwriter Nana Adjoa (29). Zij vertelt over zichzelf, haar werk en de wereld waarin we nu eenmaal moeten samenleven in vijf veelzeggende liedjes van haar debuut Big Dreaming Ants.

Het is een plaat die je gelijk op scherp zet, vanaf het eerste nummer, en dan in één ruk naar het aangrijpende slot. De manier waarop de bas, de synthesizers en hier en daar een verdwaalde viool aan elkaar gehaakt zijn: weloverwogen en zelfverzekerd. Net als de boodschap in de liedjes en die ongekunstelde, intieme stem van de zangeres.

Maar Nana Adjoa is niet zo zelfbewust als haar debuutalbum doet vermoeden. Meer iemand ‘die liever luistert’, zegt ze zelf, dinsdagochtend in een café in Amsterdam-Noord met uitzicht op eindeloos heen en weer pendelende pontjes, aan de vooravond van een nieuwe gedeeltelijke lockdown. Een beetje gezellig ouwehoeren over niets, dat kan ze ook niet. ‘Dan wil ik het liefst wegrennen.’ Maar over dat soort sociale pijnpunten schrijft ze dan wel weer graag een pakkend trackje, zodat ze alle dagelijkse ongemakken een beetje kan verwerken.

Dat haar plaat Big Dreaming Ants klinkt als het werkstuk van een gelouterde artiest, komt door de muzikale ervaring van de multi-instrumentalist en liedschrijver. Adjoa zit al in bandjes vanaf haar 10de. Ze doorliep het Amsterdamse conservatorium. Werd als bassist een veelgevraagd studiomuzikant en speelde in bands van vele Nederlandse artiesten, zoals Janne Schra. 

‘Zelf schrijven deed ik altijd een beetje heimelijk thuis’, zegt Adjoa, die werd geboren als Nana Effa-Bekoe, kind van een Ghanese vader en een Nederlandse moeder. En als ze vertelt over haar inspiratie en voorbeelden bij het schrijfwerk, dan hoor je die daarna ook terug in haar muziek. De triphop uit de jaren negentig bijvoorbeeld, van Massive Attack en Portishead. ‘Die vermenging van organische muziek met een elektronische productie, supermooi vind ik dat.’ Maar ook de grote liedschrijvers van veel langer geleden: Nick Drake, J.J. Cale en Nina Simone. ‘Ik hou van hun oprechte, onversierde stemmen. Als je luistert naar J.J. Cale, dan lijkt het alsof hij naast je zit en iets wil vertellen.’

Van huis uit kreeg ze andere muziek mee. Uiteraard de onvergelijkbaar groovende Ghanese highlife-muziek, van grootheden als Ebo Taylor. Maar ook veel soul, r&b en reggae, eigenlijk alle zwarte muziek. Dankzij haar moeder kwam Adjoa bij de bas terecht. Hoewel zij toch echt zelf de aanzet af. ‘Toen ik een jaar of 10 was, wilde ik met vrienden een band beginnen. Iedereen koos een instrument, en dit is natuurlijk echt een beetje een cliché bij bassisten maar inderdaad: alleen de bas was nog vrij. Ik ging naar gitaarles met een vriend die dus al de gitaar had gekozen. De leraar drukte mij een bas in de handen: hier, probeer jij dit maar.

‘Ik kwam thuis en zei tegen mijn moeder: mam, ik ga in een band en ik ga bas spelen. Toen zei zij: dat is grappig, ik heb ook bas gespeeld. Ik zal hem even pakken. Ik wist dat dus echt niet, en al helemaal niet dat we gewoon een bas in huis hadden. Mijn moeder was een drukke zakenvrouw met een eigen bedrijf, en ik dacht: huh, jij, de bas? Ze gaf me daarna mijn eerste lessen en ik ging met mijn band spelen in onze kelder. Ik speel dus de bas een beetje zoals in het cliché, maar ook omdat het misschien wel voorbestemd was.’

Beeld Latoya van der Meeren

National Song

In het openingsnummer van haar plaat valt gelijk dat droge geluid van Adjoa’s bas op. De bas vertelt het verhaal. ‘Ik schrijf niet op de bas, maar op de piano en de gitaar. Maar als een liedje structuur krijgt, dan pak ik vaak toch de basgitaar. Met een bas kun je heel mooi kleuren: het zware geluid contrasteert met een lichte stem.’

National Song is een wat dreigend nummer, met een pakkend refrein maar ook sombere ondertonen. ‘Ik had twee jaar geleden een paar keer gespeeld in Amerika, waar mijn muziek goed wordt opgepikt.’ Na haar single Sometimes Love Is Evil werd Adjoa ontdekt door een paar Amerikaanse popblogs, en een radiostation in Los Angeles draaide haar muziek. Daarop volgde de uitnodiging om te komen optreden. ‘Ik had tussen die shows door een paar goede gesprekken en iemand vertelde mij over haar kinderen, die ’s morgens op school het volkslied moeten zingen en daarna les krijgen over hoe ze moeten handelen als er een schietpartij is, een school shooting. Echt crazy. Het zette mij aan het denken over het opkomende nationalisme overal in de wereld. En over de angst en de woede die daar onlosmakelijk mee verbonden zijn.’ 

Zo ontstond tijdens de kleine doorbraak in de Verenigde Staten dus al het werk voor het nieuwe album. Dat het nu ook goed lijkt te doen in Amerika: Big Dreaming Ants werd besproken in bijvoorbeeld het Wall Street Journal Magazine en het  muziekmagazine The Fader. ‘Het lijkt wel of mijn muziek daar beter wordt opgepikt dan in Nederland. Ik denk dat ik hier toch nog een beetje die bassist ben die mensen kennen van die andere bandjes.’

I Want to Change

Het laatste nummer van haar plaat is verbonden aan het eerste, in klank en inhoud. Het is een bespiegeling over identiteit, bij open drumpatronen, dramatische strijkers en een vlammende finale. ‘I want to change what’s to come’, zingt Adjoa. ‘I want to change the subject. I want to change my initials. My name.’

We gaan terug naar de schooltijd. ‘Op school heette ik Nana Veenstra, naar mijn moeders achternaam. Gewoon omdat dat makkelijker was. Als er dan een officieel moment kwam of zo en ik werd in de klas opgeroepen, dan was het ineens Nana Effa-Bekoe, de naam van mijn vader. Al mijn klasgenoten: huh, wie is dat? Ik heb vaak nagedacht over wie ik ben en wie ik wilde zijn, door die naam.

‘Dit nummer gaat over alles wat in onze wereld heel snel aan het veranderen is: het is bijna niet bij te houden. Of goed te doen. Je wilt je best doen om overal in mee te gaan, om bij te dragen aan alle noodzakelijke maatschappelijke veranderingen. Maar het voelt soms ook bijna verlammend, en het lijkt ook alsof er alleen maar meer polemiek komt. In Amerika is nu alles óf rood óf blauw. Maar ik hoorde pas een mooi verhaal van mijn moeder. Een vriendin van haar moeder, die nu 93 is, vertelde haar dat zij veel spijt had omdat ze vroeger niet genoeg was ingegaan tegen mensen die best racistische dingen hadden gezegd over mijn moeder en haar Ghanese man. Dat vond ik hoopgevend, dat zij dat op die leeftijd bekende. Zie je, dacht ik toen: er kan echt iets veranderen, al kost het misschien heel veel tijd.’

Beeld Latoya van der Meeren

Throw Stones

Een aanstekelijk, prettig popachtig nummer, dat toch nog best ingewikkeld bleek. Adjoa: ‘Ik heb het al anderhalf jaar geleden geschreven, en het gaat over de meest vreselijke dingen die mensen roepen op sociale media. Dingen die je vroeger nooit in het openbaar zou zeggen, maar nu ineens wel. Ik voel zelf ook weleens die kinderlijke aandrang, om heel boos iets te gaan schreeuwen en met modder te gaan gooien. Maar ik vind dat je niet moet toegeven aan die innerlijke boosheid, dat lelijke in jezelf. Omdat het tot niets leidt.’ De muziek, met vooral een opvallend schril zinderend viooltje dat klinkt alsof er iets op uitbarsten staat, geeft exact de juist sfeer bij de tekst.

Adjoa zocht een vertaling voor ‘niet met modder gooien’, en kwam uit op ‘I’m not going to throw stones’. Toen zij de track wilde uitbrengen, bereikten de Black Lives Matter-protesten in de Verenigde Staten een kookpunt. ‘Het zou helemaal verkeerd opgevat kunnen worden, vertelde mijn Amerikaanse pr-team. ‘Het zou kunnen lijken alsof ik tégen de protesten was. Dat was uiteraard niet zo: het had er niets mee te maken. We hebben het nummer toen maar even laten liggen. Het was sowieso not done om in die tijd liedjes uit te brengen vond ik, of aan zelfpromotie te doen. Het protest op de Dam was ook net geweest. De sfeer op straat was echt elektrisch.’

Throw Stones is ook een zelfonderzoek, zegt Adjoa. ‘Ik vind mezelf soms ook wel wat te passief. Ik schreeuw niet op sociale media, ik verwerk de dingen die me echt bezig houden in mijn muziek. Maar dit jaar leert me wel dat je soms niet langer kunt zwijgen. Je kunt bijna niet subtiel zijn als de ongelijkheid in de wereld zo uit de klauwen loopt. Maar hoe kun je ergens voor gaan staan en duidelijk laten merken wat je goed vindt en wat niet, zonder de nuance uit het oog te verliezen? Daar denk ik vaak over na.’

Beeld Latoya van der Meeren

No Room

We horen de groove van de Ghanese gitaarmuziek en inderdaad, zegt Adjoa, die zit er ook echt in. ‘Niet bewust hoor, ik probeer niet opzettelijk Ghanese roots in mijn muziek te verwerken. Ik speel gewoon graag op deze manier gitaar.’ Het liedje gaat over de door Adjoa zo gevreesde small talk, zegt ze. Van die gesprekjes over niets. ‘Als ik daarin terecht kom, voel ik me echt gevangen in mijn eigen ongemak. En ik drijf helemaal weg.’ Of zoals ze zingt in No Room: ‘I imagine my way out, of this cubicle life.’

Ook hier proberen de gitaren de boodschap te verduidelijken. ‘Ik laat heel veel gitaren door elkaar heen lopen, als al die gesprekken om je heen in de kroeg of zo, of op een bedrijfsborrel. Het is bijna een polemiek in geluid: al die stemmen en heel veel niets. En daar probeer ik die relaxte Ghanese gitaargroove dan tegenin te laten spelen. Als een soort tegengas ja.’

In Lesser Light Pollution

Big Dreaming Ants is een plaat over de wanhopige zoektocht van de nietige mens naar iets groters. Over krioelende mieren met grote dromen. En daarom vond Adjoa haar song In Lesser Light Pollution eigenlijk niet op het album passen. Waarom niet? ‘Nou ja, het is nogal een liefdesliedje. Ik was gewoon heel erg verliefd geworden. Voor de eerste keer. Ik ben  helemaal groen in het liefdesgedoe. Ik had dus ook nooit een liefdesliedje geschreven. Ik dacht: past dit op mijn plaat? Het voelde heel vreemd om die kant van mezelf bloot te geven. Ik was gewoon nooit zo met de liefde bezig, al had ik soms best het gevoel dat ik iets miste. Het lukte niet zo, ik kwam niet echt iemand tegen.

In Lesser Light Pollution gaat over de tijd die verstrijkt. En over de maan. Ik was net aan het daten, mijn vriendin moest twee maanden weg en ik dacht: o nee, twee maanden, wat vreselijk lang. Ik ging nadenken over wat tijd is, en over de getijden en dus de maan. En dat je allebei, ook al ben je op verschillende plekken op de wereld, samen naar dezelfde maan kunt kijken. Ja, het is best wel een cliché he? Maar goed: ik keek dus naar de maan vanuit Amsterdam. Zij vanuit een of andere berg in Portugal. Waar volgens mij dus minder lichtvervuiling was, en dat probeerde ik te omschrijven.

‘Ik vind het soms moeilijk om naar mezelf te luisteren, mijn eigen stem te horen. Of ik denk: dit synthesizertje had hier net even anders moeten klinken. Maar bij dit nummer heb ik het gevoel dat alles is gelukt.’ 

Ook die eerste liefde? ‘Ja, die ook. We zijn nu anderhalf jaar samen.’

Nana Adjoa doet het goed in de Verenigde Staten, net als bijvoorbeeld de zangeres Sevdaliza. De plaat Big Dreaming Ants werd besproken in veel Amerikaanse muziekmagazines. ‘Haar cover van Ebo Taylors Love and Death is de aanschafsprijs al waard’, schreef bijvoorbeeld Vice. Het cultuurblog Flood Magazine: ‘Adjoa bewijst een briljante liedschrijver te zijn, die moeilijke vragen durft te stellen en weet dat de antwoorden niet voor het oprapen liggen.’

De plaat Big Dreaming Ants van Nana Adjoa is verschenen bij Bloomer Records. Een clubtour van Adjoa, die zou plaatsvinden in november, is verplaatst naar 2021.

Meer over