InterviewDe Sobibor Tapes

Na veertig jaar is de droom van Jules Schelvis gerealiseerd: zijn Sobibor Tapes komen op tv

Beeld uit de Sobibor tapes. Beeld EO
Beeld uit de Sobibor tapes.Beeld EO

In de jaren tachtig interviewde Jules Schelvis de overlevenden van Sobibor, het vernietigingskamp waar hij ook verbleef. Pas nu is uit de videoregistraties van die gesprekken een documentaire samengesteld, dankzij programmamaker Piet de Blaauw.  

‘Zo nam ik wraak. Ik schreeuwde: ‘Dit is voor mijn moeder, dit is voor mijn vrouw, dit is voor mijn zoon. En dit is voor het hele Joodse volk.’ Voor de camera vertelt de Joodse overlevende van vernietigingskamp Sobibor Chaskiel Menche hoe hij tijdens de opstand van enkele honderden gevangenen in oktober 1943 een kampbeul met een bijl de hersens insloeg. Menche doet zijn schokkende relaas met een intensiteit alsof het voorval, waarbij de opstandelingen twaalf nazi’s doodden, een dag eerder heeft plaatsgevonden.

Het fragment is afkomstig uit een serie van twaalf interviews – met een gezamenlijke duur van achttien uur – waaruit programmamaker Piet de Blaauw de documentaire De Sobibor Tapes heeft samengesteld, die woensdag wordt uitgezonden. De beeldkwaliteit van de gespreksopnamen overstijgt niet die van een home-video uit de jaren tachtig. Filmtechnisch zijn ze primair: camera op statief tegenover een pratend hoofd. Maar wat de overlevenden van het vernietigingskamp vertellen, en vooral hoe, is zeldzaam openhartig, aangrijpend en bloedstollend.

De opnamen zijn in de jaren tachtig gemaakt door de Nederlander Jules Schelvis (1921-2016), een van de slechts zestien overlevenden van Sobibor. Hij werd in 1943 met zijn vrouw Rachel vanuit kamp Westerbork gedeporteerd naar Sobibor. Op het perron werd hij van Rachel gescheiden. Zij werd vrijwel meteen vermoord in de gaskamer, net als 170 duizend Joodse lotgenoten (onder wie 33 duizend Nederlandse). Hij werd na twee uur doorgestuurd naar een werkkamp in Polen, maakte omzwervingen langs andere concentratiekampen (waaronder Auschwitz) en keerde uiteindelijk in Nederland terug.

Jules Schelvis op zijn eigen opnamen. Beeld Jules Schelvis
Jules Schelvis op zijn eigen opnamen.Beeld Jules Schelvis

Zijn levensverhaal, als ook dat van de andere overlevenden, is te complex om in dit artikel in detail te beschrijven. Wat voor de docu ter zake doet: begin jaren tachtig hoorde Schelvis voor het eerst getuigenissen van overlevenden tijdens een herzieningsproces in het Duitse Hagen tegen Karl Frenzel, een van de kampbeulen van Sobibor. Zoals die verhalen voor de betrokkenen een confrontatie vormden met het dikwijls verdrongen verleden, zo moet Schelvis voor het eerst uit hun mond hebben gehoord hoe zijn vrouw, aan haar einde is gekomen. En hoe het kamp als moordfabriek was georganiseerd.

Schelvis zocht contact met alle getuigen in Hagen en besloot hun verhalen niet alleen op te tekenen, maar ook op video te registreren. Hij publiceerde er indrukwekkende boeken over en koesterde ambitieuze plannen met de video-opnamen: hij hoopte op integrale tv-uitzending van de interviews, schreef een scenario voor een documentaire, ging langs bij omroepen in Hilversum, maar kreeg nul op het rekest – de tijd was er klaarblijkelijk niet rijp voor. De compactbandjes droeg Schelvis over aan het Niod, het instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies, dat de opnamen veiligstelde door ze te digitaliseren en van ondertiteling te voorzien. Daarop werden ze opgeslagen in het archief.

Twaalf jaar geleden trokken de opnamen de aandacht van documentairemaker Piet de Blaauw, destijds programmamaker bij Netwerk, hij kreeg bij de actualiteitenrubriek niet de gelegenheid om er een documentaire over te maken. De Blaauw besloot pas in 2020 de docu alsnog te realiseren. Geïnspireerd door de Dodenherdenking op de lege Dam in Amsterdam, de toespraak van de koning over de bedenkelijke rol van zijn overgrootmoeder in bezettingstijd en diens eerbetoon aan Jules Schelvis. ‘Er is één getuigenis die ik nooit zal vergeten. (...) Een kleine man met heldere ogen – fier rechtop met zijn 93 jaar – vertelde ons het verhaal van zijn reis naar Sobibor, in juni 1943. Zijn naam was Jules Schelvis’. 

Jan Pieter Tuinstra en Piet de Blaauw  in Sobibor. Beeld Toto Kersten
Jan Pieter Tuinstra en Piet de Blaauw in Sobibor.Beeld Toto Kersten

Met cameraman Jan Pieter Tuinstra reisde hij naar Sobibor, waar alleen een spoorlijntje en, indirect door zijn camouflagefunctie, een dennenbos op de schandplek aan het vernietigingskamp herinneren. Hij interviewde naasten van Schelvis en holocaustdeskundige Johannes Houwink ten Cate. Maar het indrukwekkendst zijn toch die interviews, waarin de meeste overlevenden - voornamelijk zestigers - zakelijk, ingehouden, haast sereen, en slechts een enkele keer emotioneel als Menche, hun verhaal vertellen.

De documentaire spitst zich toe op de opstand die uitbrak toen een groep Russische krijgsgevangenen in Sobibor werd opgesloten. Zonder die opstand was er niemand geweest die had kunnen getuigen van wat er zich in het kamp heeft afgespeeld. Hoewel vrijwel iedereen die in Sobibor arriveerde binnen een half uur werd vergast, selecteerden de SS’ers kleine groepjes vaklieden, die van nut konden zijn. Bij het selecteren van kostbaarheden, laarzen en mooie kleding (die de dwangarbeiders vaak herkenden van inmiddels vermoorde reisgenoten), of het breien met wol afkomstig van de kleding van de slachtoffers. 

Een getuige vertelt wat hij dacht toen hij in een groeve kinderwagens met een bijl stuk moest slaan. ‘In een wagentje lag een kussen, en dat kussen was nog warm. Hier had een kind in gelegen. En nu hak ik die wagen zomaar in stukken. Dus dat kind hoeft er niet meer in te liggen?’

De komst van de Russische soldaten bracht een sprankje hoop onder de dwangarbeiders en al gauw klonken de eerste geruchten over een opstand. De gevangenen leefden, zoals de Poolse Regina Zielinski het verwoordt, ‘van moment naar moment’ en iedereen besefte dat de dood voortdurend nabij was. Een Rus vertelt hoe Poolse landarbeiders naast het kamp een snijbeweging maakten langs hun keel, om de gevangenen hun lot te voorspellen. Een jongen zei, aldus Zielinski, tegen zijn moeder: ‘Laten we de nacht vaarwel zeggen, want we zullen nooit de zon meer zien opgaan.’

Het besef van nietigheid hielp bij de bereidheid deel te nemen aan een actie die onvermijdelijk tot een groot aantal doden zou leiden. Een hoofdrol was weggelegd voor de (Joods) Russische-luitenant Alexander Petsjerski (1909-1990), die militaire ervaring koppelde aan vaardigheid in man-tot-mangevechten en de revolte organiseerde.

De Sobibor Tapes - Alexander Petsjerski met zijn vrouw Olga en Jules Schelvis in 1984 in Moskou Beeld Privé archief Jules Schelvis
De Sobibor Tapes - Alexander Petsjerski met zijn vrouw Olga en Jules Schelvis in 1984 in MoskouBeeld Privé archief Jules Schelvis

En zo begon de opstand op 14 oktober 1943, om 16 uur. De SS’ers waren gelokt met de mededeling dat er fraaie kledij te halen was en de kampbeulen waren gewoontegetrouw stipt, op de minuut nauwkeurig, volgens afspraak verschenen bij de barakken waar de gevangenen kleding sorteerden. Een beul werd naar achteren gelokt met de belofte dat er een leren jas in zijn maat klaar lag. Toen hij hem aan paste, sloeg Chaskiel Menche hem de schedel in en verborg hem onder een tafel. 

Drie SS’ers volgden, een voor een gelokt met dezelfde smoes. Een Oekraïense beul kwam op de vrouwenafdeling poolshoogte nemen – ‘Wat is hier aan de hand’ – en werd door een groot aantal gevangenen doodgeslagen. Zo brachten de opstandelingen twaalf SS’ers om. En toen begon fase twee: de uitbraak uit het kamp.

Gevangenen renden naar de hekken, langs SS’er Frenzel, die vluchters met een machinegeweer neer maaide. Ze holden naar het prikkeldraad, sommigen wachtten het moment niet af dat de hoogspanning er door anderen af werd gehaald. Na de hekken volgde het mijnenveld. ‘Mijnen ontploften en de eerste vijftig, zestig mensen kwamen om’, vertelt Menche. ‘Toen was er voor anderen een pad. Sommigen renden na de explosies terug, maar er was geen weg terug. Je moest verder.’ In een regen van kogels, afgevuurd vanaf de wachttorens, baanden naar schatting van Petsjerski vierhonderd gevangenen zich een weg richting vrijheid. Hoewel, vrijheid?

Voor de weinigen die het geweld tijdens de uitbraak overleefden, begonnen nieuwe ontberingen. ‘De ontsnapping was niet het eind. Als Jood mocht je niet in een stad of dorp komen’, vertelt de Pool Thomas Blatt over het virulente antisemitisme dat ook onder de Polen heerste. ‘Ik was met drie kameraden ontsnapt, en ik ben de enige die het heeft overleefd.’

Na de opstand van 14 oktober 1943 wisten de nazi’s Sobibor van de kaart, in een poging om de bewijzen voor de systematische uitroeiing van de Joden te ontkrachten. Het is dus dankzij een handvol opstandelingen dat de geschiedenis van Sobibor kon worden verteld. Dankzij Schelvis zijn hun getuigenissen te boek gesteld. Maar dat hij ook hun stem, hun gebaren, hun spraak en de blik in hun ogen heeft vereeuwigd op VHS-compact, mag visionair worden genoemd. Hij maakte een monument met eeuwigheidswaarde.

Terug naar 1 uur

Hoe breng je als programmamaker 18 uur vaak indringende interviews terug tot een documentaire van een uurtje?  Samensteller Piet de Blaauw van De Sobibor Tapes beperkt het verhaal van de overlevenden van kamp Sobibor tot hun getuigenissen over de aankomst in het kamp, (de voorbereidingen op) de opstand en ontsnapping. Aldus vormen de persoonlijke ervaringen de chronologie van de gebeurtenissen, van de dagelijks gruwelen en moorden in het kamp tot de ontsnapping. Veel interessante informatie viel noodgedwongen af. Bijvoorbeeld de belevenissen van een vrouw die, na haar ontsnapping uit Sobibor, naar Berlijn vluchtte en als dienstmeisje daar bleef tot het einde van de Tweede Wereldoorlog.  

Piet de Blaauw en Pieter Tuinstra in Sobibor. Beeld Toto Kersten
Piet de Blaauw en Pieter Tuinstra in Sobibor.Beeld Toto Kersten

Piet de Blaauw: De video-opnamen vormen een schat, waar jaren niets mee is gedaan’

Toen documentairemaker Piet de Blaauw (51) met zijn cameraman Jan Pieter Tuinstra (49) in 2020 in Sobibor op reportage was – een bosrijk gebied – telde hij de jaarringen van een pas gekapte boom. ‘Het waren er 77. Zo kon je zien dat meteen na de opstand in 1943 de nazi’s zijn begonnen met de aanplant om de sporen van het kamp uit te wissen.’ Een glorieus mislukte operatie, dankzij de getuigenissen uit de eerste hand van de ontsnapten én dankzij Schelvis, die zich realiseerde dat hun verhalen moesten worden geregistreerd voor het te laat was.

De Blaauw leerde Jules Schelvis twaalf jaar geleden kennen, toen hij hem interviewde over archeologische opgravingen op het kampterrein, waar ook uit Nederland afkomstige spullen tevoorschijn kwamen, zoals  muntjes, sieraden. In het contact kwam hij erachter dat Schelvis video-opnamen had gemaakt van zijn interviews met twaalf overlevenden, gemiddeld anderhalf uur per persoon. ‘Wat me vooral frappeerde is hoe open ze tegen hem praten. Omdat hij, hoe kort ook, in het vernietigingskamp is geweest, werd hij als een gelijke gezien en zie je dat ze in hun gedachten teruggaan naar 1943 en alles herbeleven.’

Wat De Blaauw raakt is dat er Joodse overlevenden aan het woord komen die niet alleen slachtoffer zijn, maar ook vertellen over hun wraakgevoelens, over de kracht om zelf het heft in eigen hand te nemen ook al stond dat bijna gelijk aan zelfmoord. ‘Deze mensen zagen wat er gebeurde, hoe naakte vrouwen en kinderen de gaskamer ingingen. Dat ze daarover hebben getuigd, maakt die video-opnamen tot een historische schat, waar jarenlang niets mee is gedaan.’

Dat het zo lang moest duren, heeft volgens De Blaauw te maken met veranderde inzichten. ‘Destijds werd neergekeken op amateuropnamen. Schelvis gebruikte een van de eerste consumentencamera’s in een tijd dat de omroep nog veel op film opnam. Hij heeft in Hilversum echt geleurd met die interviews en bepleitte integrale uitzending. Dat vond geen weerklank.’ 

Het typeert Schelvis dat hij zelfs al een script had geschreven voor een documentaire over de getuigenissen. ‘Ik trof tot mijn verrassing een getypt script aan in een doos met paperassen en foto’s die is nagelaten door Dunya Breur, de bevriende slaviste die Schelvis op zijn reizen vergezelde en ondersteunde.’

Met Breur reisde Schelvis in de jaren tachtig ook naar de Sovjet-Unie om de leider van de opstand in Sobibor, Alexander Petsjerski, te interviewen. De Blaauw: ‘Hij mocht van de Sovjet-leiding niet getuigen tegen Frenzel, bij diens proces in Hagen. Een Russische soldaat die krijgsgevangen was, gold er als een vernedering waarop de doodstraf stond. Het was dus uitgesloten dat Petsjerski naar Hagen zou afreizen. Bovendien was hij Jood en antisemitisme kwam in de Sovjet-Unie toen ook veel voor.’

Het uitreisverbod weerhield Schelvis en Breur er niet van op Petsjerski’s getuigenis te blijven jagen. Ze vroegen een visum, kregen wonder boven wonder toestemming en reisden af naar Rostov aan de Don, gelegen aan de Zwarte Zee. Daar filmden ze de monumentale kerel die Petsjerski was. Hij is ook te zien bij een typisch Russische feestmaaltijd, met veel gasten aan een rijk gevulde tafel en veel drank. Aan het hoofd Petsjerski, die geëmotioneerd een toost uitbrengt en een minuut stilte vraagt ‘voor de gestorven kameraden aan wie wij ons leven hebben te danken’. 

De Blaauw: ‘Het feit dat hij Joods was, daar heeft hij nooit nadruk op kunnen leggen. Hij rangschikte de opstand van Sobibor onder de heldendaden van de Sovjets in de Tweede Wereldoorlog. En zo maakt hij zijn persoonlijke geschiedenis ondergeschikt aan die van het grote verhaal.’

De Sobibor Tapes, de vergeten interviews van Jules Schelvis. Uitzending door de EO, 27/1, NPO 2, 20.30 uur.

Meer over