BoekrecensiePaul van Ostaijen

Na honderd jaar zucht en siddert de poëzie van Paul van Ostaijen nog altijd van het leven ★★★★★

Honderd jaar na verschijnen is Bezette stad van Paul van Ostaijen nog steeds een feest om te lezen. Het is wachten op poëzie die hetzelfde gevoel van vrijheid tot uitdrukking brengt. In de nieuwe bundel Besmette stad, met reacties op de Vlaamse dichter, is dat nog niet gelukt.

null Beeld Silvia Celiberti
Beeld Silvia Celiberti

Als het voorjaar te vroeg komt, weet je dat er dingen verkeerd lopen. Zo kon het vorige maand gebeuren dat met de eerste serieuze zonnestralen van het jaar de parken vol met mensen stroomden. In Amsterdam moest de gemeente meerdere opeenvolgende dagen de toegangspoorten tot het Vondelpark sluiten. Hordes jongeren hadden schoon genoeg van het binnen zitten en besloten in het lege hart van de hoofdstad te doen alsof besmettingen niet bestonden. Vondel, die op zijn monumentale stoel hoog boven hen uittorende, zag het onbewogen aan. Konden standbeelden bewegen, dan was er ongetwijfeld een kleine glimlach op zijn gezicht verschenen, want het leven barstte los en deed dat aan de voeten van een dichter.

Om die reden moest ik bij deze spontane uitbarsting denken aan een werk dat honderd jaar geleden verscheen en nu opnieuw is uitgegeven. In april 1921 publiceerde de op dat moment 25-jarige Paul van Ostaijen Bezette stad, een absoluut hoogtepunt uit de Nederlandstalige lyriek van de 20ste eeuw. Het is een bundel die eerst zucht en vervolgens siddert van het leven en tevens moeiteloos kritiek levert op de historische context waarin hij is ontstaan: het bezette Antwerpen ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.

Met de bezetting van Antwerpen was het leven aanvankelijk op harde wijze tot stilstand gekomen. Vanuit zeppelins regende het bommen en obussen vlogen in het rond. Er werd een avondklok ingesteld en er gold een verduisteringsplicht. Van Ostaijen schrijft dan ook: ‘veroveren huizen stad land/ omgeworpen mierennest/ vluchten mensen/ in de derde kamer/ blinde blinden’. De stad is, zoals de titel van een van de gedichten luidt, een ‘eenzame stad’, waar de lichten zijn uitgegaan en alleen de wind als een ‘gierende gek’ te horen is. De bioscopen zijn leeg, de pleinen verlaten, de barretjes stil en de mensen alleen – Bezette stad biedt een heuse ‘Nomenklatuur van verlaten dingen’. Wie het leven probeert te hervatten, belandt gebroken op de grond. ‘Leven giert/ leven grijpt/ en leven valt/ Knak’, schrijft de dichter, en ook de eerste, voorzichtige pogingen om te dansen eindigen steevast op die manier.

Paul van Ostaijen. Berlijn, 1918.  Beeld Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis
Paul van Ostaijen. Berlijn, 1918.Beeld Collectie Stad Antwerpen, Letterenhuis

Uitspatting

Toch kroop het bloed waar het niet gaan kon en na de val van Antwerpen gingen de cafés en bioscopen al snel, zij het voorzichtig, weer open. In werkelijkheid keerde het leven dus geleidelijk terug. Bij Van Ostaijen kwam het echter als uit het niets: ‘Plots/ binnen de kring van haar moedeloosheid/ begon de stad te/ leven’, schrijft hij, waarbij hij de tweede en de derde regel in halve cirkels om het leven buigt, als het aureool van een opkomende zon of de halo om een lamp in de nacht.

Vanaf dat moment wordt er wat afgedanst en trouwens ook geneukt in de bezette stad. Het leven van heren en hoeren ontspint zich als een grote, vunzige dans en je kunt je afvragen of de beroemde paukeslag uit ‘Music Hall’, net als al het andere tromgeroffel, niet evenzeer op die lichamelijke activiteit slaat als op de muziek zelf. In ieder geval krijgen onschuldige regels als ‘Donkere Straat/ vol gestolten/ KLAARTE’ er een dubbele betekenis door. Klaarblijkelijk is dat wat er gebeurt wanneer het ventiel ook maar een beetje opengaat. Daarmee vergeleken is een gezellige koffie-to-go of Aperol Spritz met vrienden op een nog vochtige winterweide een tamelijk onschuldig vergrijp.

Ondanks die plotselinge uitspatting in de bars en kino’s kon het leven pas echt terugkeren met de aftocht van de Duitse bezetter. En zoals vaker toont de oorlog pas tegen het einde zijn ware gezicht, als de wereld in puin ligt. De stad had zichzelf gehoereerd en wat rest zijn ‘sifilis druipers’. De longen van de mensen ‘krijsen piepen’ en ‘rotte deernen/ zatte mannen/ kinderkoppen’ keken met holle, uitpuilende ogen in het rond. De mensen, vermoeid en murw als ze waren, bereidden zich voor op de extase.

Van Ostaijen zelf daarentegen worstelde aan het einde van de bundel, zoals Erik Spinoy helder uiteenzet in het nawoord bij de heruitgave, met een toenemende politieke desillusie. Zelfs als het volk besluit weer te gaan werken, vraagt hij zich driemaal af waarom. ‘lig nou nie te klessen’, schrijft hij, ‘het leven ah ah/ alles is zonder zin/ nu.’ Al het creperen was voor niets geweest, zo suggereert hij op de laatste pagina, en ‘misschien wordt eens/ de nood zo groot/ alle dijken breken.’

null Beeld Boom
Beeld Boom

In Berlijn, waar Van Ostaijen zich twee jaar eerder had gevestigd, schreef hij in de tweede helft van 1920 het merendeel van Bezette stad. Daar kreeg hij als sympathiserend communist mee hoe Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg werden vermoord en de revolutie werd neergeslagen. Hij laafde zich er ook aan de avant-gardekunst van die tijd én onderging er de invloed van het dadaïsme. Meer nog dan op inhoudelijk niveau zien we dit weerspiegeld in de waanzinnige typografische vormgeving en in de montagetechnieken en gevonden teksten die hij inzette. Bezette stad bood daarmee de letzte Lockerung, om met de proto-dadaïst Walter Serner te spreken, de ultieme ontremming van de poëzie, zonder volledig aan betekenis in te boeten.

null Beeld Pelckmans
Beeld Pelckmans

Speurtocht

Tegelijkertijd was Van Ostaijens poëzie doordrenkt met de media van die tijd. Wie de bundel openslaat, ziet al gauw de invloeden terug van film en dagblad, van advertenties en tijdschriften. Matthijs de Ridder wijdde met BOEM Paukeslag een heel boek aan het naspeuren van de vele referenties. Een strooptocht, noemt hij zijn mooie boek, waarin vooral de sterke invloed van de film aan het licht wordt gebracht, op zowel inhoudelijk als vormtechnisch niveau. De Ridder meent dat Van Ostaijen schreef alsof hij met een camera door de stad vloog en dat hij dit deed omdat de jonge generatie het beeld van de nieuwe samenleving in de cinema zocht; iets wat ze volgens mij nog altijd doet. Waar het echt spannend wordt, namelijk wanneer hij Bezette stad als een soort eindtijdvertelling leest en wijst op de vele bijbelse metaforen, wil je als lezer meer weten. Meer nog dan over film of over barliedjes als ‘hartslag van de bezette stad’ zou je over dat religieuze aspect willen lezen.

De Ridder was samen met Willem Bongers-Dek ook redacteur van Besmette stad, een sympathiek project waarin dichters en kunstenaars honderd jaar later reageren op het werk van de Vlaamse dichter. De bijdragen zijn gebundeld in een boek dat bedoeld of onbedoeld laat zien dat je niet zomaar een Van Ostaijentje doet. Sommige bijdragen spelen weifelend met de typografie, maar opvallend genoeg doet geen enkel gedicht wat de vernuftige poëzie van ‘zot Polleke’ wel deed: de lineariteit openbreken. Van Ostaijen lees je van links naar rechts, van rechts naar links, van boven naar beneden of omgekeerd en zelfs diagonaal of cirkelend. Die speelsheid ontbeert Besmette stad, waarmee het toch vooral literatuur van de lockdown is, en niet van de Lockerung.

Als straks de bars en bioscopen weer opengaan, verwacht ik dat de wereld er ongeveer uit zal zien zoals Van Ostaijen honderd jaar geleden heeft opgetekend, sidderend van het leven, en deze keer totaal ontremd. Van wat dat betekent, zagen we al een glimp in de laatste weken van februari en afgelopen week opnieuw. Het is wachten op de nieuwe Van Ostaijen, die, het kan haast niet anders, zal voortkomen uit die menigte jongeren aan de voeten van Vondel, dansend van het leven en zingend van poëzie.

null Beeld Pelckmans
Beeld Pelckmans

Paul van Ostaijen: Bezette stad. Boom; 168 pagina’s; € 24,50. ★★★★★

Matthijs de Ridder: BOEM Paukeslag – Op strooptocht door Paul van Ostaijens Bezette stad. Pelckmans; 324 pagina’s; € 20. ★★★☆☆

Matthijs de Ridder & Willem Bongers-Dek (red.): Besmette stad – Vijfenzestig kunstenaars antwoorden op Bezette stad van Paul van Ostaijen. Pelckmans; 256 pagina’s; € 18. ★★☆☆☆

Meer over