Musicus met kwast

Componist Arnold Schönberg liet meer na dan een stapel partituren. Een boek inventariseert zijn picturale werk. Hij klodderde er vaak op los, maar zijn portretten tonen dat hij een scherpe blik bezat....

Veel langer dan een meter zestig mat hij niet, maar Arnold Schönberg was er al vroeg van overtuigd dat hij in metafysische zin een groot man was. Niet ten onrechte: nog voor hij 35 jaar was, had hij de muzikale wereldorde ingrijpend veranderd. Het geleidelijk loslaten van het oude systeem van majeur- en mineurtoonladders ten gunste van een 'atonale' stijl, waarin het onderscheid tussen consonant en dissonant was opgeheven, is te vergelijken met de weg van afbeelding naar abstractie die Mondriaan omstreeks diezelfde tijd aflegde in zijn schilderijen.

Waar Mondriaan zich vrij netjes bij zijn leest hield, ontplooide Schönberg naast zijn compositorische bezigheden nog allerlei andere creatieve activiteiten. Zo liefhebberde hij in de schilderkunst, maar hij draaide ook zijn hand niet om voor het ontwerpen van meubels, een muziektypemachine of overstapkaarten voor het openbaar vervoer.

Schönbergs nalatenschap omvat derhalve veel meer dan alleen maar een stapel partituren. Tot een kleine tien jaar geleden was het beheer over dit archief in handen van het Arnold Schönberg Institute in Los Angeles in de Verenigde Staten, waar Schönberg de laatste twintig jaar van zijn leven doorbracht. In de jaren negentig besloot de universiteit van Californië het archief af te stoten. Als gevolg daarvan is de boedel in 1997 overgebracht naar het nieuw opgerichte Arnold Schönberg Center (ASC) in Wenen.

De Oostenrijkers hebben hun taak - de ontsluiting van de collectie - voortvarend ter hand genomen. Alleen al de website van de organisatie biedt een schat aan gegevens. Voor gedrukte partituren dient betaald te worden, en nog niet al het materiaal is ingevoerd, maar verder is het belangrijkste deel van het archief online te raadplegen: manuscripten, foto's, artikelen. Er is zelfs een eigen webradio die 24 uur per dag muziek van Schönberg uitzendt.

Vanzelfsprekend heeft het ASC ook een uitvoerige inventaris gemaakt van Schönbergs picturale werk. De vrucht daarvan is de onlangs verschenen Catalogue raisonné, een fraaie uitgave in twee delen die samen meer dan vier kilo wegen. De dikste van de twee bevat de reproducties, de andere, iets dunnere band, de toelichtingen. In het Duits en het Engels, waarbij de samenstellers de tweede taal een lager soortelijk gewicht toekennen door die in niet altijd even prettig leesbare geelbruine lettertjes af te drukken.

Ze zijn bepaald niet over een nacht ijs gegaan. Het tekstdeel bevat geschriften en correspondenties van Schönberg, commentaren van tijdgenoten alsmede geschiedkundige en technische bijdragen van deskundige auteurs.

Natuurlijk zijn de commentaren van Schönberg zelf het interessantst, zoals zijn uitspraak uit 1911: 'Een portret hoeft niet op het model te lijken, maar wel op de schilder.' Hoewel hij later in zijn leven stelde dat hij slechts een amateurschilder was, ging hij in de periode dat hij zich er intensief mee bezighield toch wel prat op zijn verrichtingen met kwast en verf, die hij ook wel omschreef als 'musiceren met kleuren en vormen'.

Net zoals bij het componeren uitte Schönbergs scheppingsdrift zich in heftige, maar voorbijgaande golven. Het overgrote deel van zijn schilderijen is dan ook ontstaan in een paar jaar tijd, kort voor de Eerste Wereldoorlog. Dat was natuurlijk ook een tijd waarin het op alle fronten gistte. Schönbergs vriendschap met schilders als Kandinsky en Kokoschka zal het vuur nog wat verder aangewakkerd hebben.

Schönbergs schilderijen zijn indertijd ook geëxposeerd. De recensies waren destijds bepaald niet positief: termen als 'der grauenvollste Dilettantismus' waren niet van de lucht. Toch moesten veel critici toegeven dat Schönberg niet gespeend was van talent, en dat hij verontrustende beelden wist op te roepen.

Curieus is het wel dat Schönberg, die als componist en docent altijd hamerde op het belang van een gedegen techniek, er in zijn schilderijen vaak op los klodderde als een ware zondagsschilder. Vooral zijn vrije stukken - bijvoorbeeld de schilderijen met gloeiende ogen die hij als Blicke betitelde - maken daardoor nogal eens een onbeholpen indruk. Zijn portretten daarentegen tonen meer discipline en hebben daardoor, ook al zijn ze conventioneler, de tijd beter doorstaan. Het portret van Alban Berg bijvoorbeeld toont niet alleen Schönbergs scherpe blik als portrettist, maar ook de waardering die hij zijn vriend en leerling toedroeg. Datzelfde geldt voor de portretten van zijn kinderen en zijn beide echtgenotes. De talrijke zelfportretten lijken vooral sterk op elkaar, hoe divers de materialen en kleurstellingen ook mogen zijn.

De ontwerpen die hij voor zijn eigen muziektheaterwerken maakte zijn natuurlijk van wezenlijk belang voor regisseurs en decorontwerpers. Dat de catalogus daarnaast ook nog reproducties van vrijwel elke droedel of krabbel bevat doet wat overdreven aan, maar wordt goedgemaakt door de grote zorg die er aan deze uitgave besteed is. Voor minder diepgaand geïnteresseerden is een portfolio, een pocketboekje, met 32 afbeeldingen uitgebracht.

Het multitalent van Schönberg is hoe dan ook intrigerend. Zoals hij zelf schreef in 1911: 'Het is veel interessanter om geportretteerd te worden door een musicus van mijn reputatie, dat door een willekeurige ambachtsman wiens naam over twintig jaar geen mens meer kent.' Eigendunk daargelaten had hij natuurlijk wel gelijk. Dit boek vormt daarvan het tastbare bewijs.

Meer over