'Motörhead is kick ass rock 'n' roll'

Guten Abend , bon soir at the Montreux Jazz Festival, we are Motörhead and we play rock ‘n’ roll.’ Waar de band ook staat, de aankondiging van Lemmy is al meer dan dertig jaar hetzelfde....

‘Ja, ineens worden we gevraagd op de raarste plekken’, zegt Lemmy een klein uur voordat Motörhead in de veel te chique Stravinsky-hal in Montreux zal optreden. Het publiek dat zich of tooit in een bandshirt met het klassieke door Joe Petagno ontworpen stormramlogo of in de door hun motorclub voorgeschreven kledij, lijkt hier geen stamgast, net zo min als de band zelf. ‘Maar dat vind ik eigenlijk wel leuk. Al die metalfestivals waar we altijd spelen, ook goed, maar eigenlijk zijn we gewoon een kick ass rock ‘n’ roll band. Dus op dat Lowlands Festival van jullie horen we ook thuis. Je zult zien dat we nog altijd de vloer aanvegen met iedere band daar.’

Ian ‘Lemmy’ Kilmister, laadt zich op voor zijn show zoals hij dat altijd doet. Hij rookt een sigaret en drinkt grote plastic bekers Jack Daniels aangelengd met cola. Zijn sluike, wat dun geworden haar glanst nog van een verse zwarte kleurspoeling. ‘Dit uurtje voor de show vind ik altijd het meest boring, vandaar dat ik dan wel even wil praten. Anders zitten we ons toch maar met z’n drieën te vervelen.

‘Dus vertel maar, wat is dat eigenlijk, Lowlands? O, nieuwe hippe popmuziek? Wat lollig, een jazzfestival en een alternative rockfestival. Precies die scenes waar ze ons nooit moesten. Ach, ik ben 61 nu en het zal me een worst wezen wat ze van ons vinden, life’s too short.’

Maar, het bewijst wel zijn gelijk vindt hij. ‘Ik heb nooit concessies gedaan, nou ja, een keer hebben we op aandrang van de platenmaatschappij een cover opgenomen. Maakte niet uit want ook die werd niet op de radio gedraaid. Motörhead heeft altijd rock ‘n’ roll gemaakt, gewoon op eenvoudige bluesschema’s maar dan honderd keer zo snel. De smerigheid van MC5 gekoppeld aan de expressie van Little Richard, dat is wat ik wilde en nog altijd wil. Soms is dat in de mode, dan weer niet. Ik zie nu weer vijftienjarigen bij onze shows. Goed zo. Er was een tussenliggende generatie die ons niet moest. Logisch, iedere generatie verzet zich tegen zijn ouders. Zie je een plaat van Motörhead bij je vader, dan denk je, bah zal wel niks wezen.’

Lemmy is dat op en neer gaan in populariteit inmiddels gewend. ‘Nu zitten we weer even in een piek, al weet ik zeker dat we nooit meer op één zullen binnenkomen zoals indertijd.’

Dat was in 1981, met het live-album No Sleep ’til Hammersmith, de band was toen in Groot-Brittannië op de top van hun roem. Het album was de opvolger van Ace Of Spades, nog altijd het beste en meest beroemde Motörhead-album, en verscheen op een moment dat de Britse New Wave Of Heavy Metal floreerde met groepen als Iron Maiden en Saxon.

‘Wij werden als godfathers van die scene gezien, terwijl ik er eigenlijk niks aan vond. Ik voelde me altijd meer verwant met de punkbeweging dan met heavy metalbands. En voor even werden we ook voor punks aangezien, maar ja toen besloot de Britse pers dat mijn haar te lang was, ik te oud was en dus was ik heavy metal. En het lullige was dat we nooit echt van die zogeheten new wave van metalbands hebben geprofiteerd, want ook zij vonden ons te oud.’

Maar, een hoogtepunt in zijn leven is die nummer 1-positie nog altijd. ‘En ik heb toen al gezegd, vanaf nu kan het alleen nog maar minder worden. We hebben ook fouten gemaakt, verkeerde muzikanten genomen wanneer er iemand opstapte, en verkeerde producers.’

Vooral slechte herinneringen heeft Lemmy aan Bill Laswell, die in 1986 het veelgeprezen maar door de band verafschuwde Orgasmatron produceerde. ‘Die klootzak nam de banden mee naar New York, om de nummers aan flarden te mixen. Ik heb er nog geprobeerd wat aan te redden maar vergeefs. Klonk bagger. Later hoorde ik dat die Laswell zo’n gevierd producer is in jazz- en avantgardekringen. Nou ze mogen hem hebben, ik heb nooit meer een noot van hem willen horen.’

Lemmy heeft er in elk geval van geleerd zich geen producers te laten aanpraten. ‘Kijk, het komt allemaal aan op de eerste indruk. Ik stel iemand een simpele vraag en kijk hoe hij reageert. Vraag ik: wat doe je als de meter in het rood schiet, en hij zegt, dan zet ik ’m zachter, dan is het einde verhaal. Zo’n producer die zich zorgen maakt over de mengtafel: fuck him. Die tafel kun je vervangen, het moment in de studio niet.’

Zeer tevreden is Lemmy over Cameron Webb, verantwoordelijk voor het vorig jaar verschenen Kiss Of Death en de onlangs uitgekomen live-plaat Better Motörhead Than Dead. ‘Hij is de eerste bij wie ik me echt op mijn gemak voel en die me ook goed uitlegt wat hij doet en wil. We hebben natuurlijk ook wel een stel types gehad, met Jimmy Miller als ergste. Een complete junk die soms uren te laat kwam met kutsmoesjes en wij toch duizend pond per uur betalen. Wel een briljante man trouwens die Miller. Maar met Webb vind ik het echt leuk toeven in de studio, en leer ik nog wat op mijn oude dag.’

Is hij dan nooit bang dat het een keer ophoudt en dat hij een keer denkt, ik ben te oud voor rock ‘n’ roll?

‘Oud heb ik me nooit gevoeld. Ik was voor sommigen in 1975 al te oud. Nou niet voor de vrouwen kan ik je vertellen’, grinnikt hij. ‘En ja de drijfveren in mijn leven zijn nog altijd dezelfde: seks, drugs en rock ‘n’ roll . Weet jij drie betere redenen om dit leven in stand te houden?’

En, zo wil Lemmy ook wel even kwijt, ‘kijk nou eens naar de concurrentie. Ik heb me altijd vrolijk gemaakt over die malle black metal. Al die jongens met hun beschilderde gezichten. Vanaf Kiss vond ik dat al bespottelijk. Een van die Kiss-gasten schminkte zich als een fuckin’ pussycat. Kinderachtig toch, en dan je mond vol hebben over satan. Er zat geen enkel gevaar in Kiss. En dat werd een voorbeeld voor al die nieuwe satanvereerders.’

Nee, ook hedendaagse rock doet Lemmy weinig. ‘Nou, weet je, ik vind dat Evanescence wel goed. Prachtwijf die zangeres en ook heel goed. Maar ja, ze is onlangs getrouwd, dus dat zal wel slecht aflopen. Ik heb altijd gezegd: jongens je mag je vriendin best een keertje laten komen, maar voor de show is het wegwezen. Rock ‘n’ roll maak je niet in nabijheid van je vrouw, daar komt alleen maar ellende van. Een loodgieter neemt zijn vrouw ook niet mee als hij wat leidingen moet ontstoppen. Nee, rocksterren moeten zich niet binden dat is beter voor de muziek. Anders moeten er weer psychiaters aan te pas komen, en voor je het weet zit je in een fucking documentaire.’

Lemmy doelt natuurlijk op Some Kind Of Monster, de documentaire die een paar jaar geleden de persoonlijke problemen in Metallica blootlegde. ‘Metallica is misschien wel mijn favoriete band, en Lars Ullrich kende ik al als fan van de band voordat hij met Metallica doorbrak, maar wat een oenen dat ze die docu hebben laten maken. Ik zou dat nooit doen, al weet ik zeker dat ik maar hoef te bellen of ik krijg tien cameraploegen over de vloer thuis in Los Angeles. Maar ik weet waar ze op uit zijn: dirt. Nou laat ze maar een Motörhead plaatje draaien, smerig genoeg, haha.’

Nee, Lemmy’s privéleven gaat niemand iets aan, net zo min als zijn zakelijke beslommeringen. Hij heeft zich in de band in tijden niet zo goed gevoeld en verwacht dat de driemansbezetting die de band sinds 1995 weer heeft, stand zal houden. ‘We hebben een paar jaar met z’n vieren gespeeld, maar dat is toch minder. Al die gitaarsolo’s daar hou ik niet van. Hou het strak en simpel, is mijn motto, en hard. Everything louder than everything else, ja.’

In Montreux vraagt gitarist Philip Campbell bezorgd aan het publiek of het wel hard genoeg is. ‘No’, brult het publiek in koor, maar de sfeer is er niet minder om. Drummer Mikkey Dee stuwt de boel flink op en de schorschreeuwende Lemmy speelt nog altijd even verwoestend bas. Zijn spel oogt als een lichamelijk behoorlijk vermoeiende inspanning. En dat hij het op den duur fysiek allemaal niet meer aan kan, is ook zijn enige zorg.’

Niet alleen spelen, ha ha, maar wat dacht je van de vrouwen. Kijk wij hebben de vrouwen nooit bij ons laten komen, maar wilden na optredens zelf op jacht. Nu ik 61 ben, ben ik niet zo snel meer, en hebben de anderen de eerste keus. Voor mij blijven op den duur alleen de gehandicapten over. Maar ach, echt kieskeurig ben ik toch al nooit geweest.’

Motörhead Beeld
Motörhead
Meer over