ColumnSylvia Witteman

Moeten die mannen nou werkelijk huilen bij die gedichten? Ik geloof er niets van

null Beeld

Het lijkt wel of er steeds méér van die minibibliotheekjes in de stad bij komen. Mijn hart springt nog steeds op als ik er een zie, want alles is veel voor wie niet veel verwacht: vergeelde Ludlums (ik heb nog nooit een boek van hem gelezen, al vind ik zijn naam fascinerend, Ludlum, het klinkt als die omgekeerde namen die Surinamers weleens hebben, Madretsma of Reemnet), een Prisma-woordenboek Nederlands-Duits met een bladwijzer van de Vlinderstichting erin, of een Woezel & Pip-kleurboek, nooit ingekleurd en zo goed als nieuw, behalve dat iemand de beide schattige hondjes op pagina 11 met een rode stift van een forse, erecte lul heeft voorzien, inclusief harige balzak.

Verder tref je in die bibliotheekjes ook wel boeken aan in het genre ‘Ik wist niet wat ik hem voor zijn verjaardag moest geven en het lag bij de kassa’: The Art of Not Giving a Fuck, 40 jaar jong Verhalen van en voor jongens en meisjes van 40, een Zeurkalender uit 1998 en een bundeltje Gedichten die mannen aan het huilen maken uit 2015.

Dat laatste nam ik mee naar huis. Ik was wel benieuwd, want ik heb nog nooit een man zien huilen om een gedicht. Ook Bertus Aafjes (daar is hij weer!) merkte al snedig op: ‘Een dichter schrijft slechts voor een dichter verzen/ en voor wat vrouwen die ze niet begrijpen’. Die Bertus, met zijn toxic masculinity! Maar een beetje gelijk had hij wel, tenminste als ik voor mezelf mag spreken: ik begrijp poëzie vaak niet, dat wil zeggen, ik lees een gedicht en dan denk ik: O. Ja. Nou, dat zal dan wel, maar dat had je toch ook gewóón kunnen opschrijven? (Er zijn gelukkig een heleboel uitzonderingen.) (Daar hoort Hans Faverey niet bij.)

Nou, eens even kijken. Arnon Grunberg huilt om Piet Paaltjens’ ‘Aan Rika’ (‘Ach! Geen enkel blij glimlachje liet ik meer sinds ik u zag’). Herman Brusselmans om Leopold (‘O, als ik dood zal, dood zal zijn’), Ed van Thijn houdt het niet droog bij Jan Campert (‘Een cel is maar twee meter lang’), Ivo Niehe bij Vasalis (‘Ik droomde dat ik langzaam leefde’) en Herman Koch bij Reves gedicht ‘Droom’, over zijn moeder. Dat vind ik inderdaad ook een ontroerend gedicht, net als Herman vooral om die laatste zin, ‘Ze had kralen om die goed pasten bij haar jurk’.

Daar hebben we Gijs Scholten van Asschat. Die houdt van Hans Lodeizen, dat verbaast me nou niks. Dan zijn er een heleboel mannen die snikken bij Willem Wilmink: Wilfred Genee, Bennie Jolink, Aart Staartjes, Huub Stapel, Bert Visscher… Ook dat verbaast me niks, want Willem Wilmink schreef fijne kindergedichten voor grote mensen.

Özcan Akyol gooit er een Weemoedtje tegenaan, ‘Don Juan Lul’ (‘Nooit kan ik iets leuks verzinnen/ sta ik voor een mooie meid/ ach, dan schiet mij slechts te binnen/ dat ik dood wil. Heel de tijd.) Eus merkt daarbij zeer terecht op: ‘Of Lévi hiermee de Grote Levensvragen beantwoordt, staat niet onomstotelijk vast.’

Van mij hoeft niemand grote levensvragen te beantwoorden, maar één ding vraag ik me toch af: moeten al die mannen nou werkelijk huilen bij die gedichten? Ik geloof er niets van. Ik denk dat het zo is gegaan: ze kregen een mailtje van de uitgeverij. Of ze een gedicht konden noemen waar ze om moesten huilen. Al die mannen dachten: nou ja, huilen, huilen is een groot woord. Weet je wat, ik noem gewoon een gedicht dat ik wel mooi vind.

Gelukkig maar. Want een huilende man is hartverscheurend. Dat moeten we koste wat kost zien te vermijden.

Meer over