Misleidende verwantschap

0 E WEDUWE Oda Arpman is ver in de tachtig. Ze woont in Dalen, een rustige villawijk in Stockholm. Haar lijf is versleten; ze loopt met een stok en moet bij inspanningen de inhalator gebruiken....

Oda Arpman is de belangrijkste romanfiguur in Breng mij weer tot leven, het jongste boek van de Zweedse schrijfster Kerstin Ekman (1933), die elf jaar lang als lid van de Zweedse Academie meebesliste wie de Nobelprijs voor literatuur kreeg toegekend. Medio jaren tachtig werd al werk van haar in het Nederlands vertaald, maar naam maakte ze hier tien jaar later met Zwart water en de opvolger De dwaas.

In het eerste hoofdstuk van Breng mij weer tot leven betreedt Oda Arpman moeizaam de besneeuwde begraafplaats waar ze lang geleden de as heeft uitgestrooid van haar buurman, minnaar en mentor Johan Krylund, samen met zijn rouwende (en onwetende?) echtgenote Aina - twee weduwen op een strooiakker.

Ook om de figuur en de opvattingen van de groothandelaar (in koffie en specerijen) Krylund - verklaard atheïst, rationalist, humanist - draait een wezenlijk deel van de roman. Zelden is hij uit Oda's gedachten. Sinds kort kent zij de jonge Sigrid ('Sigge') Falk, die literatuurwetenschap studeert en worstelt met haar proefschrift. Zij heeft er een baantje bij als een soort factotum voor de snelle jongens die de voormalige villa van Krylund hebben ontdaan van zijn Scandinavische karakter en ingericht als opnamestudio, maar zij staan op het punt het pand te verlaten en elders hun vleugels uit te slaan. In de kelder heeft Sigge een doos aangetroffen met 27 boekbanden, gedrukte verslagen van 'de bijeenkomsten van de gespreksgroep 1937-1948, met commentaar van J.A. Krylund'.

Het is het begin van een mystificatie waarvan de wat naïeve Sigge de dupe wordt. Ze leest wat Krylund in de groep van vijf mannen zoal aansneed: of kwaad is aangeboren, hoe groot de invloed van propaganda kan zijn (het is oorlog, Zweden heeft zich neutraal verklaard), waar de grenzen liggen van de persoonlijke verantwoordelijkheid. Maar ze kent ook de Krilon-trilogie van de antifascistische schrijver Eyvind Johnson en opeens treft haar de frappante overeenkomst. De fictieve Krilon deed begin jaren veertig in Grupp Krilon, Krilons resa en Krilon själv in feite hetzelfde als deze Krylund, en er is meer dan alleen die klankverwantschap Krilon-Krylund: ook de namen van zijn fictieve gesprekspartners lijken op die van de 'echte' uit de (kleinere) kring rond Krylund.

Als Oda vertelt dat Johan Krylund eind december 1940 tijdens een wandeling op het ijs tussen Brommaland en Kärsö de dan nog niet zo bekende schrijver heeft getroffen, werkt Sigge de hypothese uit dat Johnson zijn idee voor de Krilon-reeks tijdens die ontmoeting min of meer aangereikt heeft gekregen. Maar hebben de twee mannen elkaar wel gesproken? (Bij Johnson ziet Krilon op het ijs vanuit een ooghoek alleen een vrouw die hij lang geleden heeft bemind.) Na een lezing over het onderwerp laat een literatuurprofessor erg weinig van Sigge's aanname heel.

Ook Oda Arpman maakt deel uit van een gespreksgroep, die alleen uit vrouwen bestaat. De leden worden een voor een geïntroduceerd, maar veel samenkomsten zullen er niet meer zijn, de animo is weg, onderling groeit afstand, ze hebben elkaar weinig meer te vertellen. Met elk van hen is of gaat ook persoonlijk iets grondig mis, waarbij soms sprake is van een willoosheid op het masochistische af en van moeilijk te accepteren vormen van berusting. Of het nu gaat om ontrouw, zelfmoord, bedrog, verraad, fysieke bedreiging, ziekte of de verdwijning van een dochtertje, het gebeurt, het overkomt ze - en dat is het.

De (overspelige) vriend van Sigge bijvoorbeeld blijkt te lijden aan een exclusief syndroom, dat van Lazar. Hij begint een sterke geur af te scheiden, blijft 's nachts steeds vaker weg en alle symptomen wijzen erop dat hij aan het veranderen is - in een weerwolf. Sigge praat er met niemand over, roept evenmin professionele hulp in, maar begeeft zich wel regelmatig op weg naar het stadspark waar - het is al haast Kerstmis - hij zich deels ontkleed in de bosschages schuilhoudt. Wanneer hij zich niet vertoont, laat ze een pakje boterhammen en een thermosfles met warme melk voor hem achter, waarna ze maar weer eens op huis aangaat.

Ook wanneer de kleine Rosemarie, halfzusje van Mariella, verdwijnt, lijkt dat een terloops voorval dat verder nauwelijks emoties losmaakt bij haar alleenstaande moeder Ann-Britt. Het leven gaat door, en het was toch al moeilijk. Na de vondst van haar lijkje (en de vlotte aanhouding van de moordenaar) volgt tijdens een kort bezoek van beide nabestaanden aan het graf nog een ontluisterende scène met een steile dominee - het slot van de roman.

De boektitel is ontleend aan de opera Dido en Aeneas van Purcell (1689), gebaseerd op de Aeneïs van Vergilius. Dido, koningin van Carthago, wordt gescheiden van haar geliefde, de Trojaanse prins Aeneas, en slaat de hand aan zichzelf. 'Breng mijn ledematen weer samen', klinkt het smekend, 'breng mij weer tot leven.' Niet letterlijk, het is een bede haar nagedachtenis levend te houden - zie Oda, die elke herinnering aan haar Johan koestert.

In ieder hoofdstuk van haar gelaagde en met vaak indrukwekkende beelden opgebouwde verhaal - ondanks de moord zonder de spanningsboog van Zwart water - verlegt Ekman het perspectief naar een van de vrouwen. Dat heeft op den duur het effect van tv-kijken met iemand die blijft zappen. Naast Oda en Sigge blijven de anderen vrij losse individuen in de periferie. Van saamhorigheid is zo weinig sprake dat de vraag zich opdringt wat de damesclub ooit écht heeft gebonden. Een wezenlijk gemis aan liefde?

Adriaan de Boer

Kerstin Ekman: Breng mij weer tot leven.

Vertaald uit het Zweeds door Mariyet Sanders en Mats Keuls.

Bert Bakker; 452 pagina's; ¿ 49,90.

ISBN 90 351 1674 7.

Meer over