InterviewDj en schrijver Joost van Bellen

‘Mijn vlucht in het nachtleven was als een lapdance voor de duivel’

Joost van Bellen. ‘Het gevoel dat je bespuugd wordt, dat je er niet bijhoort, in de ogen van gelovigen een zondaar bent, dat geeft een enorme knauw.’ Beeld Lin Woldendorp
Joost van Bellen. ‘Het gevoel dat je bespuugd wordt, dat je er niet bijhoort, in de ogen van gelovigen een zondaar bent, dat geeft een enorme knauw.’Beeld Lin Woldendorp

Zeven jaar na zijn debuut Pandaogen heeft dj Joost van Bellen deze maand een tweede roman uitgebracht. In het grotendeels autobiografische Nachtdier vlucht een rustige, lieve jongen in het jachtige nachtleven van Amsterdam in de jaren tachtig.

In de voormalige studio van Erwin Olaf, inmiddels woonhuis van Joost van Bellen (59), drinkt de dj en schrijver – T-shirt met opdruk, loszittende broek, baardje – een glas water. Een eerdere afspraak was geannuleerd wegens hartkloppingen en een paniekaanval, veroorzaakt door drukte na het verschijnen van zijn roman Nachtdier. Van de presentatie had hij, vintage Van Bellen, een circus gemaakt, met visuals, paaldanseressen, vegan frikadellen en Wende Snijders. Daarna werd er gegeten, gedronken en flink gepimpeld. De volgende dag pers, ADE, een optreden in dancebolwerk Mary Go Wild en dan ’s avonds de sociale media bijwerken. ‘Toen ik eenmaal in bed lag was het zo druk in mijn hoofd, het vloog me naar de keel.’

De afgelopen twintig jaar verlangde hij weleens naar de rust van het boerenland. Naar een lekker huisje en een grote tuin met fruitbomen en kippen. De stad is druk. ‘Ik ben gek op de natuur, op alles wat groeit en bloeit, daar voel ik me prettig bij, daar word ik rustig van. Het jachtige Amsterdam vermoeit me en kan uitputtend zijn.’

Vooral als nachtdier, lijkt me. Je roman is grotendeels autobiografisch en beklemt precies op dit punt: een rustige, lieve jongen vlucht in het jachtige nachtleven van Amsterdam in de jaren tachtig. Waar vluchtte je voor?

‘Voor het normale leven, de standaard, de moraal. Als heel klein kind had ik al het gevoel dat er iets niet klopte. Ik wist al vroeg dat ik homoseksueel ben. Nu was dat bij mij niet eens echt een probleem omdat mijn ouders mijn homoseksualiteit absoluut accepteerden. Maar toch: op school was het moeilijk. Alle jongens hadden een lijstje van meisjes op wie ze verliefd waren, ik had een geheim lijstje van jongens die ik leuk vond. In die tijd vluchtte ik in mijn zelfgebouwde circustent, of door naar de sterrenhemel te kijken. Later, op het Rijnlands Lyceum in Oegstgeest, heeft een van mijn docenten, schrijver en feminist Ariane Amsberg, mij op het schooltoneel uit de kast laten komen. Daar werd goed op gereageerd, maar pestkoppen zijn er altijd. Als je jong bent en kwetsbaar en een gevoelige jongen zoals ik, dan raakt dat je. Daar wilde ik van wegvluchten.’

Van het gevoel niet aan de norm te voldoen?

‘Precies. Terwijl de jaren zeventig, waarin ik opgroeide, van de vrije seks en de open moraal waren. Bij de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming had je zelfs praatgroepen voor pedofielen. Alles moest maar kunnen. Maar ondertussen werden demonstraties van homo’s bespuugd. Het gevoel dat je bespuugd wordt, dat je er niet bijhoort, in de ogen van gelovigen een zondaar bent terwijl je juist alles zo goed wilt doen, dat geeft een enorme knauw. Ik ben iemand die altijd door iedereen leuk gevonden wil worden, de beste, de opvallendste wil zijn. Als een deel van de mensen je afwijst op grond van wie je bent, dus niet op grond van je denkbeelden, doet dat veel pijn. Dan ga je mensen die jou verstoten zelf maar verstoten. Een andere wereld creëren, je eigen familie kiezen om je daar veilig en beschermd te voelen.

‘Vind je het erg dat ik rook?

Nachtdier schreef ik in eerste instantie in de derde persoon, om het nachtleven in de jaren tachtig centraal te stellen en tegenover dat van nu te zetten. Omdat het toen zo ontzettend anders was. Om te laten zien waar het echte nachtleven voor mij vandaan kwam. Maar de bevriende schrijver Thomas van Aalten zei: gooi alles maar weg, je voert een poppenkast op, ik voel niks, ga vanuit de eerste persoon schrijven.

‘Dat werkte. Soms was het heel pittig om bepaalde periodes uit mijn leven terug te halen. Zo heb ik het in het boek over de jongen die nooit sliep en op wie ik smoorverliefd was. Hij was mijn eerste liefde. Als jonge homo weet je helemaal niet hoe relaties werken, omdat je er als tiener niet mee kunt experimenteren. In mijn beleving was ik al die jaren de enige homo op die heel grote school. Die eerste liefde heeft, pas veel later, een einde aan zijn leven gemaakt. Daarover schrijven maakte me erg van streek en dan moet je ook nog zien hoe je dat gevoel op papier krijgt.’

Door je vlucht in het nachtleven was het er nooit eerder van gekomen om die emoties te verwerken, lijkt me. Heb je veel onverwerkte emoties?

‘Absoluut. En de rekening komt later. Een van de heftigste jaren was 2014. Mijn eerste boek kwam uit, ik zou gaan trouwen, het leek allemaal fantastisch te worden. Toen bleek mijn vader longkanker te hebben. Een van mijn allerbeste vrienden pleegde zelfmoord. Een ander overleed aan hiv-dementie, een ander aan maagkanker en zo ging het maar door. En ik stond gewoon op festivals te draaien. Soms kroop ik op een vieze plastic Dixi-wc om even te kunnen huilen. Dat was slopend.’

Waarom annuleerde je die shows niet?

‘Dat kwam niet in me op. Immers: the show must go on. Later kreeg ik last van hyperventilatie en angsten. Ik was constant bang dat er iets zou gebeuren, dat de festivaltent zou instorten, dat de speakers naar beneden zouden komen, dat een voorbijganger me aan zou vallen.’

Irreële angsten.

‘Ja. En die gingen over in depressies. Zo erg dat ik in bed bleef liggen.’

Om je ’s avonds weer naar de club te begeven en op te treden.

‘Omdat ik bang was om buiten de boot te vallen, er niet meer toe te doen. Bang dat mijn carrière voorbij zou zijn. Toen ben ik hulp gaan zoeken. En heb ik zelf aangegeven dat ik aan de antidepressiva moest. Dat was zo’n bevrijding. Ik zag opeens weer dat bloemen mooi waren, dat het gras groen was. Daarvoor was alles donker.

‘Bevrijding is misschien niet het goede woord. Pas als ik me goed voel zonder medicatie ben ik bevrijd. Ik wil graag stoppen met medicatie, maar toen corona kwam, durfde ik dat niet, omdat alles zo onzeker was. Zoals afgelopen zomer: alles leek door te gaan, we hadden plannen en weer werd alles afgezegd. Op een bepaald moment durf je niet meer te hopen. En daarbij had ik ook extreme angsten voor corona. Als ik iemands parfum rook, dacht ik: zie je wel, zo bereiken die aerosolen mij. De verplichte corona-afzondering heeft me wel gedwongen goed na te denken waarom ik ooit koos voor escapisme en een bestaan als dj. Dat dansen op het randje van de vulkaan.’

Heb je het antwoord gevonden?

‘Ik denk dat ik tijdens mijn jeugd heb gedacht: als ik niet in de hemel hoor, dan hoor ik in de hel. Precies wat Lil Nas X nu laat zien. In zijn clip Montero (Call Me By Your Name) komt hij aan een danspaal vanuit de hemel naar beneden om terecht te komen in de hel, waar hij de duivel trakteert op een lapdance. Precies zo zou ik mijn vlucht in het nachtleven omschrijven.’

Joost van Bellen. ‘Er was een enorme saamhorigheid in het nachtleven, die van een heftige, rare, pittige familie. Maar ik wist zeker dat ze het niet slecht met me voorhadden.’ Beeld Lin Woldendorp
Joost van Bellen. ‘Er was een enorme saamhorigheid in het nachtleven, die van een heftige, rare, pittige familie. Maar ik wist zeker dat ze het niet slecht met me voorhadden.’Beeld Lin Woldendorp

In Nachtdier krijg ik de indruk dat je drugs nodig had om de gekte van het nachtleven aan te kunnen. Omdat je afgezet tegen het rauwe nachtleven dat je beschrijft zo zacht en gevoelig bent.

‘Mijn boek zit vol met drugs, hè. Misschien heb je gelijk. Zo heb ik er nog nooit over nagedacht. Als kind jatte ik al pilletjes uit de medicijnkast. Drugs nemen is escapisme en kan bevrijdend werken, je wordt losser en bent op vakantie in je hoofd. Soms voor de lol en soms helaas heel destructief. Speed maakt je kil en gevoelloos. En het zorgt ervoor dat je blijft doorgaan.

‘Drugs waren leuk tot ze niet leuk meer waren. Ik gebruikte niet de hele week door, soms zelfs weken niet. In de jaren negentig weleens een pilletje. Ik was een van de allereersten die ecstasy namen, denk ik. Nu kan ik me niet meer heugen wanneer ik voor het laatst drugs heb gebruikt. Overigens ga ik nu beginnen aan een boek over de jaren negentig, het begin van de houserevolutie. Door Nachtdier heb ik de vorm gevonden.’

Een van de scènes waarin je de gevoelige jongen versus het rauwe nachtleven goed beschrijft vond ik deze: ‘Daar stonden ze: drie bleke en perfecte naakte lichamen bewapend met een zwaard, een benen fallus en een stijve kloppende vleespik, de druipende eikel naar het plafond gericht. Ik kon niet anders dan wegkijken. Beschaamd door mijn eigen erectie en een herinnering aan mijn brute ontmaagding tuurde ik naar de punten van mijn schoenen.’

‘Als je je buitengesloten voelt en je komt in het nachtleven terecht zoals ik hier beschrijf, met mensen die op hun manier zijn buitengesloten, of misschien zijn misbruikt, dan voel je een verbintenis. Er was een enorme saamhorigheid, die van een heftige, rare, pittige familie. Maar ik wist zeker dat ze het niet slecht met me voorhadden.’

Je roman is een zeer geslaagd tijdsbeeld van de jaren tachtig. Hoe vergelijk jij het nachtleven van de jaren tachtig met nu?

‘Er waren minder clubs, er werd minder gedanst, uitgaan was meer voor een bepaalde generatie die zichzelf ontdekte, daarna werd er niet meer uitgegaan. Het was rauwer, smeriger, ranziger. Portiers hadden nog geen portiersbrevet. Je vond injectienaalden op straat, zwerfvuil, je zag dichtgespijkerde panden. Als ik nu optreed, is alles goed gepland. Mijn set staat klaar, ik heb een tourmanager, een agent en in de club zelf is het brandveilig, er is EHBO en er zijn nooduitgangen.’

Mis je het rauwe weleens?

‘Ik vind het prettig dat alles nu beter is geregeld, maar ik mis het smerige ook. Ik hou van een stad waar soms iets niet pluis is. Waar een bepaalde dreiging van uitgaat. Maar dat is ook een soort romantiek, hè. Er zitten ook slechte kanten aan, dat besef ik heel goed. Toch mis ik het soms.’

Heb je ooit overwogen te stoppen als dj, omdat het ook zoveel spanningen geeft?

‘Ik merk nu pas hoe leuk mijn vak is. De zenuwen zijn er niet meer. Voor het eerst denk ik alleen maar: leuk, we gaan het doen. Ik draaide op de Gentle Disco van kunstenaar Arne Hendriks bij Mediamatic in Amsterdam. Gewoon openbaar op straat werd er gedanst op mycelium, oftewel wortels van oesterzwammen, dat als het aangedrukt wordt als bouwmateriaal gebruikt kan worden. Op de dansvloer stond een chic en smoorverliefd ouder echtpaar van wie de man een John Travolta in zich bleek te hebben, er dansten Afghaanse evacuees mee uit het nabijgelegen opvangcentrum, families met kleine kinderen, studenten vanuit de hele wereld, een wandelclub van meisjes van 50. Daar haal ik echt geluk uit. Dat is wat een dansvloer doet: het brengt mensen samen.’

Nachtdier, Joost van Bellen.
 Beeld
Nachtdier, Joost van Bellen.

Joost van Bellen (Leiden, 4 januari 1962) is een eminent dj en feestorganisator. Hij was van 1991 tot 1996 artistiek leider van de extravagante nachtclub Roxy in Amsterdam en een van de grondleggers van de houserevolutie. Zeven jaar geleden verscheen zijn roman Pandaogen, over de duistere kanten van de modewereld. Zijn recent verschenen roman Nachtdier speelt zich af in het nachtleven van de jaren tachtig in Amsterdam. Van Bellen speelt met het idee voor een vervolg, over de jaren negentig en de opkomst van de house.

Meer over