'Mijn stem is die van mijn kamelen: loeiend'

MISSCHIEN komt alle poëzie wel van de Arabieren, dacht ik, net als de algebra...

door Willem Kuipers

Het denkbeeld overviel me op een mooie zomerzondag, toen ik zat te lezen in een boek dat alleen al vanwege de titel mijn dichterlijke gevoelens prikkelde. Een Arabische tuin heet het en het is een bloemlezing van 'klassieke Arabische poëzie', die door de Arabist Geert Jan van Gelder, hoogleraar in Oxford, werd samengesteld.

Even overwoog ik de geldigheid van mijn idee. Per slot van rekening heeft de poëzie recht op sweeping statements (Komrij: alle dichters zijn homoseksueel), maar helaas moest ik algauw gas terugnemen. Ik was in mijn enthousiasme duidelijk te ver gegaan. Er zijn wel (ingewikkelde) argumenten te bedenken voor een bepaalde beïnvloeding van onze vaderlandse dichtkunst door oude Arabische dichters, maar bij elkaar vormen die geen sluitend bewijs. De poëzie is, helaas, helaas, geen algebra.

Mijn gedachte was overigens niet nieuw. Al heel lang verbazen geleerden, schrijvers, maar ook wel gewone, geïnteresseerde lezers zich over een opvallende verandering in de Europese poëzie van de twaalfde eeuw, iets wat de oude Gerard Knuvelder - iemand die nog in staat was de hele geschiedenis van de Nederlandse literatuur te overzien - omschreef als een 'uitermate belangrijk verschijnsel'. Hij doelde daarmee op de 'hoofse minnelyriek' die toen in de Zuid-Frankrijk, in de Provence, ontstond en die - let op - 'de oorsprong betekende van heel de Europese moderne dichtkunst'.

Het was de dichtkunst van de troubadours, de minnezangers - die daadwerkelijk de Duitse taal poëtisch hebben gemaakt - en die ook onze literatuur een vleugje verfijning hebben geschonken dat men hier, nog zonder dijken, eenvoudigweg niet in huis had.

Verrassend, in het licht van de betrekkelijk ruwe zeden van die tijd, is de 'hoofse' wijze waarop in die poëzie de vrouw werd benaderd. Mannen waren er niet op uit zich lichamelijk met haar te verenigen, zoals Knuvelder nog kon schrijven, maar wilden haar slechts om 'haar deugd en voortreffelijkheid' beminnen.

Tja, dat was inderdaad een wonder en wonderen laten zich nu eenmaal moeilijk verklaren. Vandaar Knuvelders wanhopige uitroep: 'De allesbeheersende vraag, die generaties van geleerden heeft beziggehouden, wordt uiteraard: waarvandaan deze plotselinge nieuwe visie en lyriek?'

Een antwoord was: dat hebben we niet van onszelf, dat hebben we van de Arabieren, die tot diep in de vijftiende eeuw hun stempel op de cultuur van Zuid-Europa hebben gedrukt. Dat is niet zonder gevolgen gebleven, zoals iedereen kan zien die er rondreist, maar zo gemakkelijk als je zulke dingen kunt aflezen aan de architectuur, of kunt horen in de muziek, zo lastig zijn ze te traceren in de literatuur. De invloed van de Arabische dichtkunst op de Provençaalse lyriek, en daarmee op onze eigen hoofse dichtkunst, blijft een kwestie van speculatie, maar, zeg ik erbij, zulke speculaties zijn vaak boeiender dan waarheden of feiten, omdat ze soms het verleden op een inspirerende, geestige of verneukeratieve wijze met het heden verbinden, zoals ik zag in de jaren zestig toen nog niet uit de kast gekomen medestudenten in de hoofse poëzie een geheime en verboden homo-erotiek zagen (vermoedelijk waren het, zie Komrij, dichters in de dop).

Wie geen idee heeft van 'de klassieke Arabische poëzie' zal nu wellicht de nodige subtiliteiten verwachten van de kant van de tientallen dichters die zich vanaf de voor-islamitische tijd tot aan het eind van de Middeleeuwen in deze bundel mogen presenteren. Dan is het goed om u even met beide benen op de grond te zetten. Willekeurig geef ik u een drietal staaltjes van klassieke Arabische dichtkunst, die wij onmogelijk met het begrip verfijning zullen verbinden. Integendeel, dunkt mij. Hier komen ze. Het eerste is van een anonymus:

Het haar op haar reet

wordt gerookt door haar scheet;

tot haar kut wenden lullen

zich bij hun gebed

en haar kittelaar torent

als een minaret.

Even verder in de bundel vinden we een vers, ditmaal niet van een anonymus, maar van Ibn Ar-Roemi, een bekend dichter uit Bagdad, die bij zijn dood in 896 een omvangrijke diwaan (Arabisch voor 'verzamelde dichtwerken') naliet:

Het geluid van een knoestige, stijve,

in de reet van een zwaarbeheupte,

klinkt als de hand van de kneder in 't deeg

of een metselaarsvoet in de specie.

Een stevige pik in een mollige kut,

in een meisje met ampele gaven,

ter aarde gedrukt, niet uit vroomheid of godsdienst

beneden een man, van haar liefde verzekerd,

als een eend die zich drukt voor de valk.

En nog een, van de beroemde dichter Aboe Noewaas, die in 786 naar Bagdad verhuisde en daar de favoriete dichter van de kalief al-Amien werd, met wie hij, zoals Van Gelder schrijft, 'een voorliefde voor knapen en wijn deelde':

O wat een mooi gezicht: Moefáddal, die

op mijn charmante Doerra is gelegen!

En ik als tweede ruiter op Moefáddal,

heb toen twee parels aan één draad geregen.

Goed, dat laatste is iets subtieler dan de twee daarvoor, maar van een verheven bezingen van de liefde kun je toch moeilijk spreken. Het zal de lezer die deze bloemlezing ter hand neemt, blijven verbazen: de klassieke Arabische poëzie neemt, ook na de vestiging van de islam, geen blad voor de mond en om die reden alleen al zou je kunnen concluderen dat de samenhang tussen de Provençaalse lyriek en de Arabische poëzie op louter fantasie berust. Eerder zou je je, ook al gezien het vaak uitgesproken homoseksuele of biseksuele karakter van deze verzen, kunnen verbazen over deze moderne openhartigheid, die in het christelijke Westen pas de laatste decennia in zwang is geraakt.

Nu zijn dit maar drie gedichten uit de rijke voorraad die Van Gelder uit de kast heeft gehaald, maar ze zijn niet lukraak gekozen. Er staan erg veel liefdesgedichten in deze bundel, en dikwijls schuwen de makers daarvan het scabreuze of obscene niet. Dat Van Gelder ze heeft opgenomen, bewijst, neem ik aan, dat ze 'normaal' waren in die tijd, in elk geval noemt hij ze 'klassiek'.

Wie daaraan, volkomen ten onrechte overigens, zou twijfelen, kan te rade gaan bij de Nederlandse schrijver Hafid Bouazza, die ook een bloemlezing uit de Arabische poëzie heeft gemaakt (Schoon in elk oog is wat het bemint). In zijn inleiding daarbij schrijft hij dat men de Arabische literatuur in het Europa van de negentiende eeuw 'overerotiseerde' en dat was een vertekening van de werkelijkheid. Niettemin, zegt Bouazza, had men één ding wel begrepen: 'Dat Arabieren liefde vooral zagen als een fysiek fenomeen.'

Maar niet alleen de liefde. Ook andere terreinen van het menselijke genieten worden, afgaande op deze bundel, in de traditionele Arabische cultuur nogal aards, om niet te zeggen 'plat' beleefd. Welke literatuur kan bogen op een canon, die een vers als het volgende, van Ibrahiem Ibn al-Mahdi, serieus neemt?

Je vraagt mij naar het heerlijkste gerecht:

je hebt je tot het juiste adres gericht.

Je neemt, mijn vriend, een stel ribstukken

en een bout erbij, en vet

Hak dan het vette, malse vlees in kleine stukjes,

en was het schoon met zoet en helder water.

Doe het in de braadpan, zet het op het vuur,

en braad het in de olie met wat kruiden.

Wanneer de inhoud bruin geworden is

snipper een paar ronde uien erdoorheen,

en verse groene bieslook. (. . .)

En zo gaat Ibrahiem nog even door, tot het ganse gerecht in de vorm van een narcis (!) op tafel staat.

Het laatste lijkt te verwijzen naar een inderdaad zeer verfijnd vormbewustzijn, dat ook de poëzie karakteriseert.

Misschien begrijpen wij niet goed dat het bij deze verzen niet zozeer om de 'inhoud' gaat, als wel om het zeer behendige spel met de taal, waarvoor je je het sierlijke en onbegrijpelijke Arabische schrift voor de geest moet halen om het enigszins te kunnen begrijpen. Maar voordat ik daar, aan de hand van Van Gelder, iets over zeg, eerst dit: laten de geciteerde verzen u niet misleiden. In de hele, hier verzamelde verskunst, van Marokko tot Irak, en van de vijfde tot en met de dertiende eeuw, vind je tal van regels, fragmenten en langere, haast epische gedeelten, die de beschaving van het oude Arabië een geschakeerder aanzien geven dan uitsluitend een gerichtheid op de fluit en de duit.

Terecht noemde Van Gelder zijn bundel 'een tuin', een tuin overigens met flink wat woestijn erin en alles wat je daar - Lawrence of Arabia indachtig - nog allemaal bij kunt denken. Prachtige regels roepen die sfeer op: 'Mijn stem is die van mijn kamelen: loeiend'; 'het zwaard, betrouwbaarder dan boeken'; 'Toen ik de berg Taubaad zag, barstte ik in snikken uit'.

Dhoer-Roemma, 'een van de laatste grote bedoeïenendichters', beroemd om zijn woestijnbeschrijvingen, aldus Van Gelder, schrijft in zijn liefdesgedicht over Majja:

Een hete middag, tussen mij en Majja. Mijn kameel houdt geen

siësta daar, terwijl de witte sprinkhanen het zand betrappelen;

Een woestenij, verlaten, waar de spiegelingen hollen op

het heetst van de dag, de blik verblindend;

Gewonden, als het schijnsel op een edel zwaard, rondom

de toppen van de heuvels, nu eens splijtend, dan weer heel,

Als de kameleon, bevangen door de hitte, met

zijn kop aan 't draaien en aan 't zwaaien gaat.

Vaak heb ik iemand, dronken door een lange sluimer, op-

en neergaande, alsof hij aan twee emmertouwen hangt,

Gewekt uit dommelslaap - hij wendt zijn hoofd zoals

een drinker zwaaiende de laatste rest in 't glas opslurpt.

Wanneer hij dood in 't zadel hangt, heb ik zijn geest verkwikt

door jou te noemen. (. . .)

Dat is de sfeer waarin je lezend in dit boek terecht kunt komen. Van Gelder is daarbij een betrouwbare, ontspannen gids. Je reist, je ziet veel, maar eenmaal thuis vraag je je af of je ook in poëtisch opzicht veel hebt beleefd. Eerlijk gezegd, geloof ik dat niet en dat komt niet doordat je te maken hebt met poëzie uit een ons vreemde cultuur en een nog vreemdere taal. Dat geldt voor het (oude) Chinees ook. Toch ervaar je in de bloemlezing die W. Idema van de klasssieke Chinese literatuur maakte regelmatig een grote mate van dichterlijke voldoening (wat dat ook moge wezen: je voelt het gewoon).

Heel recent verscheen nog een ander boek, dat elke twijfel over de vraag of oude, ontoegankelijke poëzie wel vertaald kan worden, wegnam. Dat was Die Erfindung der Poesie van de Oostenrijkse dichter en essayist Raoul Schrott, een schitterend boek, schitterende poëzie ook.

Schrott ontsloot voor ons een poëtische schatkamer van ver voor Christus. Hij nam ook een aantal klassieke Arabische gedichten op, onder meer van de al genoemde Aboe Noewaas, maar ook van Arabische dichters die in Spanje en Sicilië leefden. Het was voor mij, op een incidentele vertaling in een literair tijdschrift na, de eerste kennismaking met deze poëzie en ik was verbluft. Een vers van Imra' al-Qais, waarmee Van Gelder zijn galerij opent, komt ook bij hem voor.

In het Nederlands begint het zo:

Stop, laat ons huilen, denkend aan een lief en waar zij woonde,

bij 't kromme zandduin tussen ad-Dachóel en Háumal,

En Tóedih en Miqráah - de sporen nog niet uitgewist,

al heeft de wind uit zuid en noord daar nog zoveel geweven

Daar zie je, in de vlakten en de holle kommen,

de antilopemest, verstrooid als peperkorrels.

Bij hun vertrek, die ochtend, op de rijdieren geladen,

stond ik bij de acacia's - alsof ik kolokwinten spleet!

Mijn vrienden hielden halt voor mij en zeiden: Ga

niet dood aan je verdriet, beheers je toch!

Schrott maakte ervan:

Lasst mich an meine lieben denken dort wo sie lag wo die dünen enden

zwischen al-Dahul und Hawmal Tawdih und al-Miqrah:

der nordwind und der süd hatten ihr breites tuch bereits gewebt

und damit die spuren des lagers halb verwischt

der rest wurde zugedeckt vom sand dass man nur mehr die gazellen

und ihre krotten sieht wie pfefferkorner oder dattelkerne

Am morgen als wir uns trennten belud man die kamele dort drüben

wo die dornigen sträucher sind und dabei zertraten sie

die koloquinten mit den hufen - auch ich brach wie diese bittre frucht

Da fielen meine gefährten mir in die zügel und sagten:

bleib hart! man stirbt weder vor liebe noch an ihrem schmerz!

C'est le ton qui fait la musique, en daarmee raak je aan de kern van ondernemingen als deze. De vertaling. Vanzelfsprekend is de keuze van belang. Op gezag van de eminente en zorgvuldige geleerde die Van Gelder zich in dit boek betoont, neem ik aan dat zijn selectie representatief is, dat wil zeggen: ons de allerbeste gedichten uit de Arabische traditie biedt. Dat hij daarbij zijn voorkeur (voor het 'lichte vers') niet onder stoelen of banken steekt, siert hem en ik ben ervan overtuigd dat wie al deze verzen gelezen heeft, beslist een idee heeft van waar de klassieke Arabische poëzie over gaat. Van Gelder legt dat in zijn inleiding trouwens heel goed uit.

Maar wat je - als poëzielezer - zou willen is van tijd tot tijd getroffen worden, zoals je dat in de bundel van Schrott wordt, aangeraakt als het ware, auf flügeln des Gesanges, maar dat gebeurt helaas te weinig en ik denk niet dat dat aan de vertaler ligt. In zijn inleiding legt hij precies uit voor welke moeilijkheden je komt te staan als je deze oude Arabische poëzie in eigentijds Nederlands wilt overbrengen. Het is een poëzie die altijd rijmt, en volstrekt afhankelijk is van het (door het Arabisch bepaalde) metrum. Ga er maar aanstaan.

Van Gelder zegt dat hij bij ingewikkelde vormproblemen altijd voor een zo getrouw mogelijke vertaling heeft gekozen. Ik geloof hem op z'n woord, maar dat neemt niet weg dat tal van verzen in deze bundel - ongetwijfeld foutloos vertaald - lyrisch gezien niet erg opwindend zijn.

Ligt het aan de poëzie, of aan de vertaling? Wie het Arabisch niet beheerst, kan daarover geen uitspraak doen, tenzij hij er vertalingen in andere talen bijpakt (maar dan weet je nog niets over de juistheid van de vertalingen, zoals in het geval van Schrott, die nogal eens van Van Gelder afwijkt).

Toch aarzel ik niet het verschijnen van deze bloemlezing een gebeurtenis van belang te vinden. Je kunt de aanstichter ervan alleen maar dankbaar zijn (als je al niet de hoed heft voor zoveel eruditie, kennis en acribie).

De Arabische cultuur is niet meer zover weg als ze was in de tijd dat deze poëzie werd geschreven. Hafid Bouazza en andere Nederlandse schrijvers met een Arabische achtergrond bewijzen het. We leven niet meer in de tijd van Nescio, en dat weten we. We zien het aan de moskeeën bij ons in de buurt. Met Een Arabische tuin erbij hoeft het er niet saaier op te worden.

Meer over