ColumnManon Spierenburg

Mijn openingszet is meteen vertellen dat ik zowat niks hoor, dat voorkomt een hoop ellende

null Beeld Douwe Dijkstra
Beeld Douwe Dijkstra

Auteur en scenarist Manon Spierenburg schrijft wekelijks een column over hoe het steeds stiller wordt om haar heen nu ze doof wordt.

Ik word boven deze column aangekondigd als auteur en scenarist. Als je dat zou samenvoegen, zoals bijvoorbeeld Brad en Angelina samen Brangelina werden, wordt auteur en scenarist samen ‘autist’. Niet geheel gespeend van ironie, want volgens een vriendin van mij die psychiater is worden een heleboel dove of hardhorende mensen voor autistisch versleten voordat ze er eindelijk achter komen dat de audio stuk is. Dat komt doordat een gebrekkig gehoor in de dagelijkse omgang steevast leidt tot sociaal geblunder en ongepaste reacties.

In het begin leek het me ook wel een goed idee om mijn doofheid zo veel mogelijk verborgen te houden. Voor je het weet ben je een sociale paria. Zeg nou zelf: als je kunt kiezen tussen een gesprek met iemand die daadwerkelijk hoort wat je zegt of met iemand die daar maar een slag naar slaat en bij wie je alles telkens moet herhalen, dan weet je het wel.

Vaak is het niet erg dat ik niet kan horen wat zich om mij heen afspeelt, want mensen roepen maar wat. ‘Gaat het?’, vragen ze als iemand net een doodsmak heeft gemaakt. Of ze zeggen dat je gewoon lekker je eigen ding moet doen. Ze trekken consequenties. Geven ongevraagd advies. Ik zal ermee moeten leren leven dat dat niet eens mijn ene oor in gaat. Het is niet anders. 

Maar soms vertelt iemand iets belangwekkends. Bijvoorbeeld over een demente moeder, een alcoholistische geliefde of een merkwaardige uitstulping op een gekke plek. Dat is een dilemma, want je wilt iemand midden in zo’n aangrijpend relaas niet telkens onderbreken met een ‘sorry, watte?’, maar als je niet binnen drie zinnen toegeeft dat je het niet verstaat, is het te laat. Dan zit je al te ver in het verhaal en het is wel de bedoeling dat je de ontboezeming de volgende keer onthouden hebt, anders ben je een trut die totaal geen belangstelling heeft voor anderen. Probeer dan nog maar eens uit te leggen dat je niet autistisch bent.

Dus tegenwoordig is mijn openingszet om meteen te vertellen dat ik zowat niks hoor, dat voorkomt een hoop ellende. Tot mijn stomme verbazing reageren mensen een stuk aardiger dan ik had ingeschat. In de writers’ room van mijn serie zitten soms wel twaalf mensen, wat het doof-equivalent is van onmogelijk, maar al van tevoren gaan ze zo zitten dat ik alle monden kan zien, en ze houden rekening met vertraging op de lijn. Mijn paard staat altijd als een harige muur tussen mij en de rest van de wereld in, maar mensen duiken onder zijn nek door zodat ik kan liplezen wat ze zeggen. In de supermarkt, het gemeentehuis en zelfs bij het bloedprikken maakt de professionele desinteresse als bij toverslag plaats voor hoffelijkheid, zodra ze horen wat mijn makke is. Het heeft in de verte iets van ‘wat doen we met oma met Kerst’ en ik voel me enigszins opgelaten, maar het is ook wel fijn.

Meer over