‘Mijn lijf zit dans niet in de weg’

De kleine corpulente danser bewerkte een ballet van Nijinsky. ‘Dit kan toch niet! Dit mag hij niet doen!’

Hij praat net zo weelderig als zijn decor, het Parijse stationsrestaurant Le train bleu. Dit exuberante staaltje belle époque-architectuur is genoemd naar de vroeg 20ste-eeuwse sneltrein tussen Parijs en de Franse Rivièra en ook de titel van een ballet van het beroemde, indertijd in Frankrijk gevestigde, dansgezelschap Ballets Russes.

Datzelfde Ballets Russes heeft Olivier Dubois (1972), een kleine corpulente danser, geïnspireerd tot het stuk dat hij woensdag in Julidans presenteert: Faune(s), een interpretatie van L’Après midi d’un faune uit 1912.

Zoals de klassieke sterdanser Vaslav Nijinsky destijds een theaterschandaal veroorzaakte, werd ook Dubois na zijn première in het Festival van Avignon in 2008 door een deel van de pers hevig bekritiseerd: ‘Ik kreeg ironisch genoeg dezelfde kritieken als in 1912: ‘Dit kan toch niet! Dit mag hij niet doen!’ En waarom niet? Vanwege mijn dikke lijf, dat in de verste verte niet op Nijinsky lijkt. En omdat ik met een monument aan de haal ging en dus heiligschennis pleegde. Terwijl dat dikke lijf de dans helemaal niet in de weg zit – dit stuk is namelijk niet virtuoos in klassieke zin – en L’Après midi d’un faune nota bene zelf de balletgeschiedenis op z’n kop zette.’

In L’Après midi d’un faune, op muziek van Debussy, zien we een faun, een soort bosgod, flirten met een stel bosnimfen. Het erotische spel eindigt in een scène met hem alleen liggend op een van hun sjaals, al dan niet, dat verschilt per versie, masturbatie suggererend. Niet alleen dit shockeerde, maar ook het gegeven dat Nijinsky in hoekige houdingen, en profil, en met ingedraaide benen en voeten over het podium schuifelde.

Zijn choreografie staat inmiddels ook te boek als het eerste moderne ballet. Dubois: ‘Het schandaal draaide om iets heel fundamenteels. Mensen hadden altijd betaald om een man te zien, die hoog en snel kon springen. Sterker nog: ze verwachtten pijn en moeite voor hun geld. Een soort prostitutie dus. En wat doet de faun? Die maakt kleine sprongetjes!’

Dubois wilde een klassieker bewerken ‘omdat je pas deel van de geschiedenis kunt worden als je de geschiedenis doorgeeft.’ Juist L’Après midi d’un faune fascineerde hem, omdat het een stuk is dat met de geschiedenis brak en vervolgens geschiedenis werd, ook wat betreft de rol van de danser. Dubois: ‘De danser was tot die tijd de koning van de voorstelling, niet de choreograaf. Nijinsky ging hier tegenin. Ook voor mijzelf gold bij dit project: wat is mijn missie als performer en welke plaats neem ik in als kunstenaar? Naar een monument kun je op twee manieren kijken. Met respect, maar ook met een houding van: ik pak wat ik wil. Ik doe beide. Ik sterf een beetje, want om een dood stuk tot leven te brengen, moet je een deel van jezelf geven. Tegelijkertijd poog ik Nijinsky te doden, wil ik hem doen vergeten.’

Faune(s) telt vier delen: een exacte, historisch verantwoorde reconstructie van Nijsinksy’s monument en drie zeer eigenzinnige variaties daarop. Van een nouvelle vague-achtige film over een man die in Parijs een stel jonge jongens ‘najaagt’ tot een jager die zelf het opgejaagde vlees wordt, een verwijzing naar de dubieuze (machts)verhouding tussen Nijinsky en de grote baas van de Ballets Russes, Diaghilev. Voor Dubois gaat zijn vierluik behalve over interpretatie ook over eenzaamheid: ‘Die oude faun die al eeuwen wacht op ‘het’ moment, die al die jonge nimfen voorbij ziet komen maar zijn verlangen nooit bevredigd krijgt. Hij is eenzaam. Hij heeft het opgegeven. Het is ook de eenzaamheid van de kunstenaar, een schreeuw om te kunnen bestaan.’

Meer over