'Mij interesseert mijn eigen hersenpan'

Proust die rondloopt in de films van Kusturica. Zó wordt het oeuvre getypeerd van de Roemeense sterauteur Mircea Cartarescu...

Sommige mensen raken blijvend verbonden met de ruimtes waarin ze het meest verkeerd hebben. Als Mircea Cartarescu, klein, tenger, iets te groot bohémienscolbert, een suite van het Ambassade Hotel aan de Herengracht binnentreedt, zie je meteen dat hij een verleden heeft in betonnen flats met tot het plafond gestapelde verspochte boeken, en in ondergrondse kelders waarin Roemeense dichters illegale poëzie voorlazen. Het haar is als daad van verzet nog steeds iets langer dan het destijds mocht van het communistische regime. De blik getuigt van vergaande gedachtenexperimenten en ongeoorloofde fantasieën.

Dit is Roemenië’s grootste auteur van de laatste decennia. Zijn autobiografische drieluik Orbitor is een barokke romancyclus die in recensies met de Proustiaanse is vergeleken. Orbitor betekent ‘verblindend’. In Duitsland kwam het eerste deel uit als Die Wissenden, de zojuist verschenen Nederlanderse vertaling heet De wetenden. In Duitsland en Zweden gingen ettelijke tienduizenden exemplaren over de toonbank. Cartarescu knikt bij de opmerking dat dit opmerkelijk veel is voor zo’n complex, delirisch, vergaand imaginatief werk. ‘In de meeste landen heb ik maar een handvol lezers. Bij mijn laatste bezoek aan Duitsland moest ik wennen aan al die mensen om me heen.’

Het is vaak gezegd dat deze contemporaine Roemeense schrijver succesvoller zou zijn als hij in zijn boeken meer contemporain Roemenië zou etaleren. Via het werk van, pak ’m beet, regio- en generatiegenoot Orhan Pamuk, met wie Cartarescu in de verte wel wat gemeen heeft, ga je ook het Turkije van nu binnen. Cartarescu daarentegen is een ‘rare schrijver’ die overal vandaan had kunnen komen, die een halve eeuw eerder of later niet noemenswaardig anders had geschreven. ‘Het is voor mij altijd een handicap geweest een Roemeens auteur te zijn’, zegt hij. ‘Je hebt steeds te maken met het beroerde imago van het land en de vooroordelen. En de mensen die me gaan lezen omdát ik een Roemeens auteur ben, krijgen niet wat ze verwachten. Ik kan het imago van Roemenië niet veranderen, ik kan alleen proberen te overtuigen door wat ik schrijf. Mijn echte land heet Mircea Cartarescu. Wat mij interesseert, is wat er in mijn hersenpan gebeurt.’

Dat is nogal wat. Een citaat uit De wetenden, waarin vertaler Jan Willem Bos het explosieve, dampende, virtuoze Roemeens op knappe wijze naar het Nederlands heeft weten over te zetten: ‘De neuronen onder het zachte hersenvlies, als plantjes die onder het asfalt uitbotten, deden het schedeldak op bepaalde plaatsen opzwellen, zodat er zich honderden kerktorentjes onder mijn hersenpan verhieven, elk met een klok die voor een begrafenis luidde, totdat het paarlemoeren vlies op honderden plaatsen barstte en de neuronale kelken zich op schitterende wijze als zeelelies openvouwden op hun steeltjes en plotseling begonnen te wiegen, golvend op de zonnewind van opa’s aura’s. Dan daalde ik af in een zinsbegoochelend Skythië.’

Proust die rondloopt in de wereld van de films van Emir Kusturica, vatte een Duitse recensent dit proza samen. ‘Ik lijk op Proust in de zin dat die ook alles trachtte te omvatten’, zegt Cartarescu. ‘Alle plaatsen, alle mensen, alle geheime fantasieën, alles wat hij over het leven wist, alles kon hij onderbrengen. Al mijn belangrijke invloeden zijn Europese schrijvers uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Ik ben ook beïnvloed door de Roemeense 19de-eeuwse fantastische traditie. Ik behoor tot een generatie die nogal wat literatuur heeft geïnhaleerd. Ik was 33 toen het communisme instortte. Tot die tijd las ik 150 boeken per jaar, tegenwoordig vijftig.’

‘Veellezerij’ was destijds tamelijk gewoon, en geen exclusieve bezigheid van een elite. ‘Er was domweg niet anders te doen’, zegt Cartarescu. ‘Er was niets op tv, er was geen uitgaansleven, er zat niets anders op dan te lezen. En je moest het doen met de meesterwerken, want pulp werd niet vertaald. In plaats van bij Latijns-Amerikaanse soaps huilden Roemeense huisvrouwen toen bij Anna Karenina. Bouwvakkers lazen Dostosjevski. Natuurlijk misten ze wat diepere lagen. Maar Misdaad en straf kun je ook lezen als een prima politieroman.’

Het was een tijd van veel Roemeense lezers én Roemeense schrijvers. Degenen die er na lang gedonder met de censuur in slaagden gepubliceerd te worden, mochten zich verheugen op hoge oplages. Cartarescu’s prozadebuut, de verhalenbundel Visul (‘De droom’), verscheen in 1989 meteen in veertigduizend exemplaren, maar wel veertig pagina’s slanker dan het manuscript. ‘De censors van toen waren als de verkeersagenten van nu. Agenten doen hun werk goed als ze bekeuringen uitdelen, censors hoorden pagina’s te schrappen, de kip kaal te plukken. De titel Visul is me ook opgedrongen door de censuur. Mijn eigen titel was Nostalgia. Ze dachten dat dit een eerbetoon was aan Sovjet-regisseur Tarkovski die naar het Westen was gevlucht en in 1983 een film had gemaakt met de titel Nostalghia.’ Wat ook meespeelde: het communistische tijdperk was officieel uitgeroepen tot ‘gouden tijdperk’. En in een gouden tijdperk voelt niemand meer nostalgie.

Dit vreselijke tijdperk met die wonderlijke literaire bijwerkingen eindigde in december 1989 abrupt. In de vroege jaren ’90 stortte de Roemeense literaire wereld in. Literaire coryfeeën zwermden uit naar de journalistiek, de reclame, de politiek en wat al niet meer. In een tijd vol nieuwe mogelijkheden, chaos én een extreme bestaansonzekerheid leek de Roemeense roman op sterven na dood. Cartarescu was één van de weinigen die in de jaren '90 überhaupt nog schreef. ‘Ik heb op twee manieren geluk gehad’, zegt hij. ‘In 1990 kwam de oude communistische staatsuitgeverij in handen van de filosoof Gabriel Liiceanu. Hij zei tegen mij: wij worden het Gallimard van Roemenië en jij wordt onze Camus. Ik heb niets met Camus gemeen. Maar het was een stimulans. Mijn tweede privilege was dat ik als docent aan de letterenfaculteiten af en toe uitgezonden kon worden naar het buitenland. Zo kon ik Boekarest ontvluchten waar, letterlijk en figuurlijk, te veel stof door de lucht dwarrelde.’

Aan de Herengracht wil Cartarescu het wel onthullen: De wetenden is niet zoals velen denken geconcipieerd in een nachtelijke trance in een bloedheet Boekarest waar de claxons even zijn verstomd. Het is ’s ochtends tussen 9 en 12 geschreven in Watergraafsmeer, in de winter van 1994-1995, toen Cartarescu gastdocent was aan de Universiteit van Amsterdam. Iedere ochtend zat hij bij zijn Poolse hospita met vulpen achter zijn schriften – schriften waarin nooit iets wordt doorgekrast.

‘Voor literaire expressie heb je een graad van normaliteit nodig en die is in Boekarest lastig te vinden’, zegt hij. ‘Ik ben niet de mysterieuze wereldvreemde kunstenaar waarvoor ik vaak word aangezien. Ik ben praktisch, en ik kan dingen goed scheiden. Ik geef nog steeds les aan de universiteit. Zodra ik college geef, ben ik geen schrijver meer. En als ik voor tijdschriften schrijf, doe ik alle metaforen en symbolen in de ban.’

Mircea Cartarescu: bouwer van ‘kathedralen van de verbeelding’ (Frankfurter Allgemeine Zeitung) én een man die op bestelling commercieel werk kan leveren. Hij vertelt over zijn voornaamste inkomstenbron. ‘Toen het damesblad Elle in de late jaren '90 in Roemenië begon, benaderden ze mij voor een column over vrouwen. Ik zei meteen ja. En ik begon te schrijven over vriendinnen, ex-vriendinnen, echtgenotes, ex-echtgenotes...’ Die Elle-stukken werden in 2004 gebundeld in De Ce Iubium Femeile (‘Waarom wij van vrouwen houden’). Met meer dan tweehonderdduizend exemplaren gingen in Roemenië over de toonbank – meer dan van alle andere Cartarescu-titels bij elkaar . ‘Dankzij die bundel kon ik verhuizen. Ik ben een kind van het lelijke communistische Boekarest, ik ben opgegroeid in beton. Ik woon nu voor het eerst op de grond, ik het bos ten noordwesten van Boekarest. Ik heb een tuin waarin ik een paar bomen heb geplant. Ik verlaat deze plek nog maar twee keer per week om les te geven of columns af te leveren.’

Een exclusieve toewijding aan de muze zit er voor de grootste Roemeense auteur van deze tijd voorlopig nog niet in. ‘Iedereen moet in Boekarest van alles tegelijk doen om te overleven, ik ben geen uitzondering. Ik ben me ervan bewust dat ik hier een prijs voor betaal, dat mijn oeuvre misschien groter zou geweest zijn of beter gelezen zou worden als ik weg zou zijn gegaan. Er is nooit één Roemeense kunstenaar internationaal succesvol geweest terwijl hij in eigen land woonde. Ionescu, Brancusi, Cioran – allemaal in Parijs. Ze zeggen dat mijn aanwezigheid in Parijs mijn oeuvre een urgentie kan geven. Maar iets heeft mij altijd weerhouden weg te gaan. In Boekarest ben ik legitiem.’

Meer over