Middeleeuwse gravin was feeks noch popje

Antheun Janse romantiseert het leven van Jacoba niet, maar zet de 15de eeuwse gravin in een aangenaam geschreven biografie neer als een kind van haar bloedige tijd....

Aleid Truijens

Eerdere geschiedschrijvers en biografen wisten wel raad met haar. De Leidse dichter Bilderdijk vond haar in 1819 een ‘doortrapte feeks’, onverzadigbaar in haar honger naar mannen en koelbloedig wreed als er wat te moorden viel. De neerlandicus Siegenbeek roemt in 1835 ‘de vele voortreffelijkheden’ van de moedige gravin. Weer twintig jaar later meent de predikant Vrolijk dat zij ‘het slagtoffer is geworden van de list en het geweld harer bloedverwanten’. Een Duitse wetenschapper, Franz von Löher, schreef een nationalistisch getinte biografie over de Beierse die nooit in Beieren is geweest, maar die zich vurig teweer had gesteld tegen de Bourgondische overheerser.

In 1967 publiceerde de Leidse hoogleraar middeleeuwse geschiedenis H.P.H. Jansen zelfs een bestseller die haar naam droeg. Hij beschreef haar als een anachronisme, een feodale aristocrate in een wereld waarin inmiddels de steden de dienst uitmaakten en politieke beslissingen werden genomen aan de onderhandelingstafel. De geschiedenis had haar ‘als een erbarmelijk stuk wrakhout’ opzij gezet. Jacoba van Beieren was kennelijk een geschikt projectiescherm voor geschiedschrijvers.

Wie was zij, de laatste gravin van Holland en Zeeland? Haar uitgestreken gelaat op een portret door Lambert van Eyck geeft weinig prijs. Een beetje ontevreden, dat wel. Maar alle vrouwen op laatmiddeleeuwse schilderijen hebben zo’n zuinig knijpmondje. Het portret staat op de omslag van het boek van Antheun Janse Een pion voor een dame – Jacoba van Beieren 1401-1436. Janse, alweer een Leidse historicus, is Jacoba’s nieuwste biograaf. In zijn verantwoording waarschuwt hij de lezer: verwacht bij hem geen in felle kleuren geschilderd verhaal over heldenmoed of machtswellust. Geen gepsychologiseer, en geen gretige interpretaties van bronnen. We moeten zelfs vrezen voor een portret, ‘opgebouwd uit louter grijsschakeringen’.

Dat komt, legt Janse uit, door de hedendaagse eisen van zijn vak. Hij is er zich als wetenschapper van bewust hoe vertekend de portretten van historische figuren zijn, zelfs in contemporaine bronnen: ‘meestal is hun karaktertekening gebaseerd op bekende patronen, beelden en typologieën’. Deze biograaf weet dat de macht van een vijftiende-eeuwse gravin geen almacht was, maar ‘een ingewikkeld samenspel van verschillende partijen’. Hij is geïnteresseerd in de vraag hoe groot Jacoba’s persoonlijke invloed op de gebeurtenissen eigenlijk was.

Een makkelijk leven had ze niet, Jacoba. Ze kreeg geen kinderen. Ze stierf op haar 35ste aan ‘de tering’, dat staat vast. In de loop van haar leven verloor ze steeds meer macht en grondgebied. Toen ze klein was wachtte haar een glorieuze toekomst; ze zou koningin van Frankrijk worden. Als kleuter werd ze in de echt verbonden met de dauphin, Jan van Touraine. Pas toen ze tieners waren werd dit huwelijk ‘geconsummeerd’, maar kort daarna ging Jan dood. Geen koningin dus. Jacoba was in 1417 officieel volwassen, maar ze stond nog jarenlang onder curatele van haar moeder, Margaretha van Bourgondië, een vrouw met een ijzeren wil.

Jacoba zou haar graafschappen moeten verdedigen tegen machtsbeluste mannen, zelfs tegen haar eigen man. Achterin het boek zijn stambomen opgenomen van Jacoba’s verwanten, en dat is maar goed ook, want je houdt al die hertogen en graven die met elkaar trouwden om land en macht te veroverden niet makkelijk uit elkaar.

De ironie wil dat Jacoba haar leven lang streed tegen mannen uit haar eigen familie. Haar tweede man was haar neef Jan van Brabant, een slappeling die meer van jagen hield dan van regeren en zich liet beïnvloeden door Jacoba’s vijanden. Ook haar oom Jan van Beieren, broer van haar vader Willem VI, werd haar vijand. Deze Jan wierp zich op als Jacoba’s ‘ruwaard’, een soort zaakwaarnemer, en breidde zo de macht uit van de ‘Kabeljauwen’, terwijl Margaretha en Jacoba de ‘Hoeken’ aan hun zijde hadden. Oom Jan stierf de gifdood, en het is waarschijnlijk dat Jacoba de opdrachtgeefster was.

Vervolgens was het Filips van Bourgondië, het neefje van haar moeder, met wie zij bloedige oorlogen uitvocht in Holland. Haar mannen boden dapper verzet, en zij werd geholpen door de Engelse legers van haar derde echtgenoot Humphrey van Gloucester, maar uiteindelijk moest ze het opgeven. Filips, die een groot Bourgondisch rijk wilden stichten, inclusief de Nederlanden, was oppermachtig. Ze moest haar landen aan hem overdragen. En ook Humphrey liet haar stikken, en verwekte kinderen bij zijn minnares. In de laatste jaren van haar leven leek Jacoba zich te schikken in haar machteloze bestaan. Ze trouwde met een rijke, maar niet hooggeplaatste edelman, Frank van Borssele, en de biograaf sluit niet uit dat het een huwelijk uit liefde was – eindelijk. Veel lol had ze niet van haar nieuwe lief. Kort na de huwelijksvoltrekking bonsde de dood op de kasteeldeur.

Janse portretteert Jacoba van Beieren bepaald niet als een krijgshaftige machthebber of een doldrieste feministe. Evenmin als een lafhartig, verwend adellijk popje. Zij deed wat zij kon, en dat was uiteindelijk weinig. Hij schetst haar als iemand die onderworpen was aan de plannen van haar raadsheren en haar – slecht gekozen – echtgenoten. Zij was een speelbal in een web van particuliere en politieke belangen.

Janse is voorzichtig: hij vertelt wat de bronnen zeggen, maakt zorgvuldige afwegingen en geeft dikwijls ruiterlijk toe dat de waarheid niet meer te achterhalen is. Hij romantiseert Jacoba’s leven niet en maakt haar niet tot personage in een psychologisch aannemelijk verhaal.

Daarmee is deze biografie toch niet een grijs en saai portret geworden. Dat is knap. Janse heeft een geschiedenis geschreven die recht doet aan de feiten, maar die de hoofdpersonen portretteert als kinderen van hun bloedige tijd, aan de vooravond van de eenwording van de lage landen. Die hoofdrolspelers komen levendig in beeld. Dat is te danken aan Janses nuchtere interpretatie van vele brieven, kronieken, oorkonden en reisbeschrijvingen en aan zijn al even nuchtere, aangename schrijfstijl. Janse vreest dat hij Jacoba’s ‘faam als persoonlijkheid’ weinig goed heeft gedaan. ‘Wie in het schaakspel een dame inruilt voor een pion’, schrijft hij, ‘maakt niet veel kans een partij te winnen’. Maar bewonderenswaardig eerlijk en open is zijn spel wel.

Meer over