Met Schat de tempel rond: geen gamelan, wel exotiek

Schat, Debussy en Britten door het Residentie Orkest en het Koor Nieuwe Muziek o. l. v. Jac van Steen, m....

Een Indisch requiem van Peter Schat is voorbij voor je er erg in hebt. De première van dit opus 41 voor tenor, koor en orkest begon vrijdagavond in Den Haag met een zachte stijgende secunde in de strijkers, en eindigde er ook mee, berustend in de woorden die de tenor op dezelfde noten zingt.

Wat er tussenin gebeurde, twee symbolische rondgangen rond de Borobudur, duurde gevoelsmatig zo'n tien minuten. Gemeten naar de klok zullen de veertig in de partituur opgegeven minuten er in werkelijkheid zo'n 25 geweest zijn. Zo hoort het bij goede muziek: tijd wordt elastiek, iets subjectiefs waar geen klok tegenop kan tikken.

Peters Schats toonklok, zijn veelbesproken harmonische systeem, blijft hier bescheiden op de achtergrond. Wat niet wil zeggen dat Schat zijn harmonische steiger niet in stelling heeft gebracht, maar kennelijk spelen de toon-'uren' niet meer zo'n dominerende rol. Zoals nog wel het geval was bij het orkeststuk De hemel uit 1989/90, dat bestaat uit twaalf variaties die, met de nodige artistieke vrijheden, de klok rondgaan. In dat werk lijkt het staketsel soms te ruim voor de stof, maar in Een Indisch requiem lijkt Schat gemakkelijker los te komen van zijn theorie. Het klinkt niettemin onmiskenbaar naar Schat, en het resultaat is prachtig.

Schats leidraad is de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. De tragiek van dit verhaal, zegt de componist, is dat er geen tijd is geweest voor verwerking van de toenmalige gebeurtenissen. Muziek zou daar een middel voor zijn, ware het niet dat juist de generatie die voor die muziek had kunnen zorgen, zich volgens Schat bezighield met een stijl die weinig geschikt is om een rouwproces te dragen.

Of Een Indisch requiem ooit tot de toptien bij begrafenissen zal gaan horen valt te betwijfelen, maar Schat is er wel in geslaagd zijn muziek evocatieve kracht mee te geven. De tenorpartij (goed vertolkt door Thomas Randle) neigt soms naar het larmoyante, maar in het orkestaandeel zit een eigen, originele exotiek.

De teksten uit brieven van de vrijheidsstrijder Tan Malaka, uit Rudy Kousbroeks documentaire Het meer der herinnering, en uit een dichtbundel van Jan Eijkelboom, zijn in twee delen gesplitst die elk een tocht om de Borobodur verklanken. De eerste van oost naar west, de andere van west naar oost.

Dat Schat hierin ook elementen uit Indonesische muziek betrekt, ligt voor de hand. Maar de referenties aan traditionele gamelanmuziek of pentatoniek zijn minimaal. Schats bezwaar dat hij het gamelan-instrumentarium niet kon combineren met een westers orkest omdat een gamelan niet chromatisch is gestemd, lijkt in dit licht ook wat bezijden de waarheid. Ten eerste is er in de gamelangroep Multifoon van Sinta Wullur wel degelijk zo'n instrumentarium aanwezig, maar belangrijker is dat Schat zo'n direct verband helemaal niet nodig heeft voor een kleurrijke orkestklank die, zonder clichés, toch niet-Westerse associaties oproept.

De referenties in The prince of the Pagodas van Benjamin Britten, dat samen met Debussy's Khamma de tropische cocktail van dit programma completeerde, zijn wel direct aan gamelan ontleend. Hoewel niet vrij van oppervlakkig exotisme, had die imitatie in het orkest nog wel een geestig effect. Het zou alleen nog veel sprankelender en overtuigender hebben geklonken als dirigent Jac van Steen zijn metier wat ruimer zou opvatten. Bij de betrouwbare, oerdegelijke Van Steen klinkt een orkest altijd keurig opgeruimd. Maar spanning, timing en drama zijn ver te zoeken.

Gevoel voor drama kan Schat niet worden ontzegd: precies op 17 augustus 1995, de Onafhankelijkheidsdag van Indonesië, zette hij, naar eigen zeggen, de laatste noten van zijn Requiem op papier.

Pay-Uun Hiu

Meer over