Met middeleeuwse middelen een heuse burcht bouwen

Een kasteel bouwen zoals de middeleeuwers dat deden, wie bedenkt zoiets? In Guédelon werken ambachtslieden in middeleeuwse kledij met ouderwetse materialen aan een ‘echte’ burcht....

Ariejan Korteweg

Later op de dag overstemmen de kreten van kinderen en de gesprekken van volwassenen de geluiden. Maar wie vroeg op de ochtend op het bouwterrein komt, kan een magisch moment meemaken: een concert van oude werktuigen. Het snelle hakken van de dakpannenmakers mengt zich met de slagen van de houthakker, uit de diepte van de groeve komt de dreun van de steenhouwer, in de smidse weergalmen felle tikken van ijzer op ijzer, vanaf het kasteel schallen de roffels van de metselaars, terwijl de varkens knorrend tegen elkaar aan schurken. Zo komt Guédelon tot leven.

‘Attention’, roept de paardenmenster. Ze staat op een wagen, beladen met stenen. Bij het kasteel stapt ze af. Met een paar woorden dirigeert ze het paard – Idol heet hij – achteruit, tot de wagen vlak bij de kasteelmuur staat. Dan worden de stenen met man en macht uitgeladen en in een grote mand gestapeld. Een dik touw loopt van de mand over een katrol naar een steiger op de toren in aanbouw, en vandaar weer schuin naar beneden, naar een groot houten rad.

Een jongen in een mantel die ooit wit was, stapt in het rad. Als hij gaat lopen, komt het in beweging; langzaam gaan de stenen omhoog. De jongen is als een hamster in de tredmolen.

Al snel breekt het zweet hem uit. ‘Zwaar werk’, zegt Hein Koenen in zijn middeleeuwse kloffie. ‘Het is alsof je een steile helling beklimt. We lossen elkaar meestal halverwege af, dan is het net te doen. En denk niet dat de omgekeerde richting gemakkelijker is. Dan moet je uitkijken dat het rad niet met jou aan de haal gaat.’

Filipsburcht
We zijn in het jaar 1226. Djengis Khan dendert met zijn Mongoolse horden op kleine paardjes over de vlakten van Eurazië. In Frankrijk heeft de 12-jarige Lodewijk de Negende de troon bestegen; hij wordt geacht de kruistocht tegen de Catharen tot een goed einde te brengen.

In de Puisaye, een dichtbeboste streek in Bourgondië, vat een jonge leenheer, Guilbert, het plan op een burcht te bouwen. De heer van Ratilly, aan wie hij ondergeschikt is, geeft hem toestemming. Hij kiest een plek waar stenen, eikenhout en water voorradig zijn. Zijn voorbeelden zijn de Filipsburchten, zo genoemd naar Filips II August, grootvader van Lodewijk IX, onder wiens bewind ronde torens de norm werden. Guilbert bouwt een bescheiden kasteel met woonvertrekken, een grote ommuurde ruimte, een toegangsbrug en een hoge verdedigingstoren.

Dat is het verzonnen verhaal van Guédelon, een verhaal waarbij je door je oogharen kijkt, de andere bezoekers wegdenkt en luistert naar de geluiden van het middeleeuwse bouwen.

Het echte verhaal is minstens even wonderlijk. Het begint met de jonge Fransman Michel Guyot, die in 1979 voor een paar duizend franken het kasteel van Saint-Fargeau koopt; een vervallen bouwwerk met torens als graansilo’s. Guyot bekostigt de renovatie met een wekelijks ridderspektakel, dat tot op de dag van vandaag duizenden bezoekers trekt.

Tijdens de renovatie stuiten archeologen op de resten van een Filipsburcht, waarop het latere kasteel werd gebouwd. Die fundamenten wakkeren opnieuw de dadendrang van Guyot aan. Wat zou het mooi zijn een middeleeuwse burcht te bouwen, maar dan met de materialen van toen. Bij het meer van Guédelon, op een kilometer of 10 van Saint-Fargeau, wordt een geschikte plek gevonden. De bouw begint in 1997 met het dikke fundament waarop het kasteel komt te rusten.

Sindsdien is de bouwplaats uitgegroeid tot een topattractie. Lang voordat je het kasteel bereikt, waarschuwen bordjes voor filevorming. Het parkeerterrein is op zomerdagen vaak te klein. Guédelon trekt per jaar driehonderdduizend bezoekers en bekostigt daarmee zichzelf.

Touwslager
De ontvangst is in een hoge, donkere schuur met een vloer van aangestampte aarde – de dames van de souvenirwinkel halen elk half uur de bezem door de zaak.

Het bouwterrein oogt als een middeleeuwse nederzetting. Meteen na de ingang bevindt zich rechts onder aan een helling de werkplaats van de touwslager. Daarna komen de stallen van de varkens, koeien, schapen en drie trekpaarden die al het zware werk doen. In de smidse hanteert een bebaarde reus een enorme blaasbalg om het vuur te laten oplaaien. Verderop is de werkplaats waar dakpannen worden gevormd. Ernaast staat de oven waar ze – vierduizend pannen per keer – op 1.000 graden worden gebakken, zestien uur lang.

‘20 procent mislukt’, vertelt Hein Koenen. ‘Die kun je de volgende keer opnieuw bakken.’ De Nederlander Koenen kwam vier jaar geleden naar Guédelon. Hij had in de bouw gewerkt en besloot in te gaan op het aanbod van directeur Maryline Martin om bij Guédelon in dienst te komen.

Martin is naast Guyot de andere pijler waarop het project rust. Zij werkte een tijd in de Antwerpse havens, maar keerde terug naar haar geboortestreek om een organisatie op te zetten die de beken en stromen van de regio ging onderhouden. Dat deed ze samen met mensen die om uiteenlopende redenen lang niet haddden gewerkt. Een groot deel van hen nam ze mee naar Guédelon. Daar zijn nu 67 mensen in vaste dienst; veertig in de bouw, de rest op kantoor. Daarnaast zijn er zeshonderd vrijwilligers om mee te helpen.

De bouwers zijn aan hun middeleeuwse uitdossing te herkennen. ‘Een hoogleraar noemde het Pipo-kleding’, vertelt Koenen. ’Dat maakt niet uit. Het gaat ons erom herkenbaar te zijn voor het publiek. We zijn geen sekte hier, en ook geen Disneypark. Veiligheid staat voorop, we kunnen ons geen ongelukken veroorloven.’ Bouwhelmen worden gecamoufleerd met een strooien hoed, de bouwers dragen werkschoenen en veiligheidsbrillen, op de steigers is een bouwharnas verplicht.

Wie hier wil werken, figureert als het ware in een permanente voorstelling. Bezoekers vragen de hele dag door: hoeveel dakpannen maak je per dag, hoe lang kost het om die steen te klieven? De bouwers op hun beurt worden geacht de tijd te nemen voor de antwoorden. Dus leunt de steenhouwer op zijn houweel, veegt het zweet van zijn voorhoofd en legt uit dat sommige steenblokken pas na een dag loskomen.

De bouwplaats is ook een plek voor proefondervindelijke wetenschap. Zo is de oven voor de dakpannen al aan zijn derde editie toe, omdat vorige bouwsels de warmte niet genoeg vasthielden. Kennis over hoe die elkaar in de nok rakende bogen van middeleeuwse kruisgewelven werden gebouwd, was niet overgeleverd. De bouwers van Guédelon hebben al doende vastgesteld in welke volgorde de stenen moeten worden geplaatst. De bouwplaats wordt maandelijks door een team van wetenschappers bezocht.

‘We willen de komende jaren meer de pedagogische kant op’, vertelt Koenen. ‘Dat maakt de inkomsten wat zekerder.’ De ateliers steenhouwen en de cursus geometrie, waar wordt uitgelegd hoe in de Middeleeuwen met maatstok en touw werd gemeten, zijn een succes. Ze kunnen gemakkelijk worden uitgebreid met touw maken, timmeren, spinnen en calligraferen.

Maar eerst moeten de pannen op het kasteeldak en moet er worden gebouwd aan het derde kruisgewelf. Als alles goed gaat, is Guédelon in 2023 klaar. ‘We lopen op schema’, zegt Koenen. ‘Maar we maken al plannen om bij het kasteel een middeleeuws dorp met twee watermolens te bouwen, waar de cursussen kunnen worden gegeven. En Guyot heeft op een kwartier lopen van hier een middeleeuwse priorij laten reconstrueren. Dit is een avontuur met een open einde.’

Meer over