Met Irak komt het goed, heb alleen wat geduld

Niet Den Haag, waar hij als Amerikaans ambassadeur in de jaren tachtig het Nederlandse verzet tegen de kruisraketten moest overwinnen, maar Irak werd de zwaarste missie van Paul Bremer III....

In april 2003, kort voordat hij naar Bagdad vertrok om de Amerikaansebewindvoerder te worden over Irak, kreeg Paul Bremer III een rapporttoegespeeld van de Rand Corporation, een grote en invloedrijke denktank inde Verenigde Staten. Het ging over de troepensterkte die nodig was om vanIrak een stabiel land te maken.

Een half miljoen soldaten, schreven de lui van Rand. Een half miljoen!Dat was drie keer zoveel als de regering-Bush feitelijk naar Irak hadgestuurd. Bremer vond het rapport even overtuigend als onrustbarend.

Hoe moest het goedkomen in Irak? En waar begon hij aan? Hij stuurde eensamenvatting van het rapport naar Donald Rumsfeld, de minister vanDefensie. 'Ik denk dat u hiernaar moet kijken', schreef hij.

Hij heeft nooit een reactie ontvangen.

Bremer was 62 toen Bush hem vroeg onderkoning van Irak te worden. Zijnvrouw was ernstig ziek. Ofschoon de militairen het tegenspraken, wist hijvoor zichzelf dat de troepensterkte van de VS weliswaar voldoende wasgebleken om Saddam Hussein te verjagen, maar veel te gering voor dewederopbouw van het land.

Waarom ging hij toch? 'Het is een diepe overtuiging van me dat geenenkele Amerikaanse burger nee mag zeggen tegen de president van deVerenigde Staten.' Plechtige woorden, droog uitgesproken.

Hij heeft een Kennedy-look: een alerte oogopslag, een brede glimlach,een stevige bos haar. Paul Bremer is bijna 25 jaar diplomaat geweest,waarvan drie jaar als ambassadeur in Nederland. Dat was in de jarentachtig. In Nederland liep het verzet tegen de plaatsing van Amerikaanse,nucleaire kruisraketten hoog op. Bremer werd door president Reagan naar DenHaag gestuurd om erop toe te zien dat deze bondgenoot in de pas bleeflopen. Toen al had hij een bijzonder talent voor moeilijke missies.

Een maand na de invasie van maart 2003 haalde president Bush hem weg bij het adviesbureau waar hij werkte. Bremer begon aan wat al snel hetzwaarste jaar van zijn leven zou blijken te zijn: hij werkte in Iraktwintig uur per dag, zeven dagen per week. Zijn leven liep voortdurendgevaar. Om hem heen vielen doden. Nog steeds valt het hem moeilijk overSergio de Mello te praten, de speciale afgezant van secretaris-generaalKofi Annan van de Verenigde Naties, die in augustus 2003 in zijn kantoorin Bagdad werd opgeblazen door een autobom.

Tot op de laatste dag bleef Bremers missie een hachelijke onderneming.Op maandag 28 juni 2004 droeg hij het gezag officieel over aan eenvoorlopige Iraakse regering. Het was zijn laatste daad in Irak, hij zouterugvliegen naar de VS, maar er was de dreiging dat zijn Hercules bijwijze van afscheid boven Bagdad uit de lucht zou worden geschoten.

Zijn vertrek moest worden gecamoufleerd. Via het vrachtruim en delaadklep van de Hercules rende hij naar een Chinook-helikopter dieklaarstond om hem naar naar een klein straalvliegtuig van de CIA tebrengen, dat hem uiteindelijk naar Jordanië vloog.

Nog één keer moest hij weten dat niet iedereen in Irak de bevrijdingals een geschenk ziet.

In zijn bescheiden villa in Chevy Chase, het Wassenaar van Washington,heeft Paul Bremer de afgelopen maanden de herinneringen aan zijn jaar inIrak opgeschreven. Het boek verschijnt vandaag, tegelijkertijd in de VS enNederland. Na Saddam luidt de Nederlandse titel. Het gaat over ontmoetingenen schermutselingen achter de schermen. Bremer heeft zijn verhaalvrijmoedig opgeschreven. De voornaamste indruk die na lezing achterblijftis dat grote gebeurtenissen, zoals oorlog, hun eigen dynamiek ontwikkelenen zich ontworstelen aan ieders greep, ook aan die van de politici die hetspektakel in gang hebben gezet.

In een toelichting op zijn boek, vrijdagmiddag bij hem thuis, verdedigtBremer met verve een van de meest omstreden zaken uit zijn regentschap: hetbesluit om het uiteengevallen leger van Irak na de val van Saddam Husseinniet terug te halen naar de kazernes. Uiteenlopende figuren als de Iraakseinterim-premier Allawi en Richard Clarke, de antiterrorisme-specialist vanClinton en Bush, hebben dat een grote fout genoemd. Het schiep eengezagsvacuüm in een land in chaos, het gaf ruim baan aan deopstandelingen.

Bremer: 'Stelt u zich voor, Irak had een leger van een half miljoensoldaten, 300 duizend van hen waren shi'iet. Zij waren jarenlang enconsequent mishandeld door hun soennitische officieren. Had ik deAmerikaanse soldaten langs de dorpen moeten sturen om hun te dwingen terugte keren naar een leger dat ze hadden leren haten? Het zou belachelijk zijngeweest.'

Het was een keuze die grote verplichtingen schiep voor de Amerikanen.In afwachting van een nieuw Iraaks veiligheidsapparaat zou het Amerikaanseleger het gezagsvacuüm moeten opvullen, zo goed en zo kwaad als dat gingmet een troepenmacht die ver onder de norm van een half miljoen lag die deRand Corporation had berekend.

Het werd al gauw een probleem voor het Pentagon, het Amerikaanseministerie van Defensie. Bremer schrijft onthullend over de internediscussies, vooral met minister Rumsfeld. Linksom of rechtsom wildeRumsfeld bereiken dat de Irakezen de eerste verantwoordelijkheid kregenvoor de veiligheid.

Bremer: 'Het wekte natuurlijk heel sterk de indruk dat wij maar éénzorg hadden: zo snel mogelijk wegwezen. Ik heb daartegen gevochten zo hardik kon. Ik schreef aan mijn vrouw: 'Als wij als supermacht al niet de drukkunnen weerstaan, voor nog geen zes maanden, dan wordt dit een buitengewoonchaotische eeuw.'

Bremers boek gaat in essentie over Irak als oefening van geduld. Zijnverhaal is: het komt alleen goed als we geduld hebben, als we aanvaardendat het tijd kost het verzet te breken - vijf tot tien jaar, denkt hij -en het land op te bouwen tot wat ons voor ogen stond: een redelijkfunctionerende democratie, een sterke economie, een omslag in desociaal-politieke cultuur van het Midden-Oosten.

Bremer: 'We hebben nog tijd. Ik weet dat een meerderheid van deAmerikaanse bevolking tegen de oorlog is. Maar als je vraagt: betekent hetdat we ons nu moeten terugtrekken, is ook een meerderheid tegen. PresidentBush legt sinds kort de nadruk op de vooruitgang die we boeken. Dat moethij meer doen. Ik geloof dat er nog tijd is.'

Dan is Bremers tijd op. Hij moet zich haasten. Hij moet nog vis kopen.Hij kookt vanavond.

Meer over