Met een fez op in de zwoele avondtuin

De 'Rothschilds van het oosten' werden ze genoemd - Moïse en Nissim de Camondo, telgen uit een schatrijk joods bankiersgeslacht die Istanbul hadden verruild voor Parijs....

MARTIN SOMMER

MISSCHIEN bezoekt u deze zomer Parijs, en krijgt u de buik vol van het uren in de rij staan voor de Arc de Triomphe. Draai u dan om en loop een halve kilometer de Avenue Hoche in. Aan het eind van deze dure stadslaan wacht een indrukwekkend hekwerk, waarachter zich het Parc Monceau bevindt. Neem rechts om de hoek de Rue de Monceau, een grijze, smalle, op het eerste gezicht onooglijke straat. Maar die onooglijkheid bedriegt.

Hier woonde begin deze eeuw 'een ongekende melange van adel uit het Ancien Régime en het Keizerrijk, van joodse aristocratie, protestantse high society, industriële en bancaire bourgeoisie en religieuze congregaties', schrijft Pierre Assouline in zijn boek Le dernier des Camondo, dat over de bewoners van nummer 63 gaat.

Ook dat nummer 63 dringt zich niet op, met zijn bescheiden opschrift Musée Nissim de Camondo. De binnenplaats achter de poort kijkt uit op een traditioneel Parijs hotel particulier - links en rechts van de cour de stallen, het crèmekleurige huis op het eerste gezicht weinig bijzonders. Een marmeren plaquette onder de poort verraadt iets meer van het familiedrama dat zich op dit adres voltrok.

Hier woonde Moïse de Camondo (1860-1935) groot collectioneur van achttiende-eeuwse toegepaste kunst. Zoon Nissim de Camondo (1892-1917), naar wie het museum is vernoemd, woonde er. Hij diende Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog en kwam in een luchtgevecht om het leven. Dochter Béatrice (1894-1944) woonde er ook. Zij stierf in Auschwitz, net als haar man en hun twee kinderen, Fanny en Bertrand Reinach. Van het rijke bankiersgeslacht Camondo, ooit 'de Rothschilds van het oosten' genoemd, bleef niets over dan een betrekkelijk onbekend museum in een grijze Parijse straat.

Tot vrij onlangs kon het personeel van het Musée Nissim de Camondo de toeloop gemakkelijk aan. Decoratieve kunst uit de achttiende eeuw trekt nu eenmaal geen duizendkoppig publiek. Toen verschenen er in een tijdsbestek van een paar maanden twee boeken. Het ene van Pierre Assouline, bekend biograaf van onder anderen vliegtuigfabrikant Dassault, uitgever Gallimard en schrijver Simenon. En als bij toeval publiceerden Nora Seni en Sophie le Tarnec, de laatste documentaliste van het museum, Les Camondo ou l'éclipse d'une fortune. Sindsdien is het aantal bezoekers verdrievoudigd tot enkele tienduizenden per jaar.

In 1910 liet de puissant rijke bankierszoon Moïse de Camondo het huis op nummer 63, dat zijn vader hem had nagelaten, slopen. Zijn toen al indrukwekkende collectie achttiende-eeuwse kunst verdiende een passender omgeving, en hij liet architect René Sergent een hotel particulier ontwerpen dat was geïnspireerd op het Petit Trianon van koningin Marie-Antoinette.

Het werd een meesterstukje van klassieke architectuur, waarin de complete collectie nog altijd is te zien, precies zoals Moïse de Camondo haar in 1935 aan de Franse staat vermaakte. De wanden zijn bedekt met gobelins en boiseries uit adellijke huizen. De meubels en kunstobjecten zorgvuldig op elkaar afgestemd. De tapijten afkomstig van de Savonnerie, vaak uit koninklijk bezit. Alle grote meubelmakers, Foliot, Georges Jacob, Nadal, zijn vertegenwoordigd. Camondo's hartstocht, aldus Le Tarnec en Seni in hun boek, was het 'herscheppen van een aristocratisch verblijf, een werkelijkheid van schijn en verleiding zo dicht mogelijk benaderen'.

De periode rond de eeuwwisseling was voor de kunstverzamelaar een gouden tijd. Parijs was de belangrijkste kunstmarkt ter wereld. Veel kastelen van de oude adel van vóór de revolutie gingen tegen de vlakte, en de markt werd overstroomd met complete inboedels.

Het huis van Sergent was echter meer dan een afgietsel van het Ancien Régime. Het werd ook een 'moderne receptie-fabriek', zoals conservator-directeur Marie-Noël de Gary het uitdrukt. Haar 'passie' geldt minder de collectie dan de onzichtbare helft van het huis - het gedeelte achter de façade van kunstig bewerkte trappen en deuren, de helft die in dienst stond van het ontvangen.

'Mijn roeping is het leven in het huis terug te brengen', zegt De Gary. Ze laat de entree zien waar de gasten met de auto vanuit een zijstraat van de Avenue Malesherbes binnenreden, waarna het voertuig half onder het huis door via de cour weer kon vertrekken. In de keuken staat een enorm zwart kookeiland van gietijzer met een ingegoten fabricagedatum: 1912. Erachter wacht een rotissoir met een ingenieus draaimechaniek dat in werking werd gesteld door de rook van het kolenfornuis.

'HEEL ONGEBRUIKELIJK, maar dit huis bestaat voor de helft uit dienstvertrekken', zegt De Gary. Ze wijst op een achttiende-eeuwse deurknop waarin kunstig een liftknopje is verwerkt. Alles in het teken van het 'recevoir', de belangrijkste bezigheid van de adel en haute bourgeoisie aan het eind van de vorige en het begin van deze eeuw. Marcel Proust schreef er uitputtend over - hij kende de Camondo's, en de dame die model stond voor Mme Verdurin in zijn A la recherche du temps perdu woonde ook al in de Rue de Monceau.

Moïses liefde voor de achttiende eeuw was niet ongebruikelijk. De tijd was in de mode, schrijven Le Tarnec en Seni, 'sinds de gebroeders Goncourt en keizerin Eugénie (de echtgenote van Napoléon III) zich in die periode interesseerden. De haute société verlustigde zich erin omdat de Franse gouden eeuw stond voor een geraffineerd sociaal en mondain leven.' De gebroeders De Goncourt gingen door het leven als kunstkenners, verzamelaars en handelaars. Ze gedroegen zich als scherprechters inzake de goede smaak en - zie hun dagboek - sabelden parvenu's genadeloos neer. Het dictum van de Goncourts luidde: 'De distinctie van de dingen waarmee iemand zich omringt, is zijn eigen distinctie.'

Zo was kunst verzamelen óók een sociale bezigheid, en het tonen van een mooie kunstverzameling de bezegeling van maatschappelijk succes. Moïse de Camondo was, zegt conservator Mary-Noël de Gary, 'zeer geïntegreerd' in de Parijse monde. Bij de Camondo's kwam iedereen. Maar voor Moïse betekende zijn verzameling meer dan 'de hunkering van de geld-aristocratie te worden geaccepteerd door de geboren aristocratie', zoals Assouline schrijft. Moïse de Camondo was gek op Frankrijk. 'Hij wilde een andere geschiedenis aan de zijne toevoegen. Dat buitengewone universum van het Ancien Régime het decor maken van zijn gewone leven.'

Dat huis blijft, met al z'n opsmuk, Sèvres-porselein en goudbrokaat, verrassend onpersoonlijk. Terwijl Moïse in zijn testament toch had verordonneerd dat alles moest blijven zoals hij het in 1935 achterliet. Van het gezin Camondo - Moïse scheidde in 1904 van zijn vrouw - resteert een kinderfotootje van dochter Béatrice, in de slaapkamer. De diepbetreurde zoon Nissim valt in meer kamers te zien, steeds elegant in het uniform van de Franse luchtmacht gestoken.

Twee schilderijen hangen er, waarop vader Nissim en oom Abraham zijn afgebeeld - met het légion d'honneur in de revers gespeld. 'Niets verraadt de kosmopolitische wortels van de meester van het huis', schrijft Assouline. 'We zullen nooit weten of hij aan de deurpost een mezuza heeft gehad.' Boven, in de enige vitrine met persoonlijke spulletjes, ligt één hebreeuws gebedenboekje met de initialen M d C. Dat is al.

Behalve rijk en kunstverzamelaar, was Moïse de Camondo ook jood, geboren in Turkije. Voor hun komst naar Parijs hadden de Camondo's al een woelige geschiedenis achter de rug. Het geslacht stamde uit Spanje, vanwaar het in 1592 als alle joden door Philips II was verbannen. Na omzwervingen waren de Camondo's in Constantinopel terechtgekomen, waar ze zich ontpopten tot de bankiers van de Ottomaanse pasja's. Zo werd de Turkse bijdrage aan de Krimoorlog door de Camondo's gefinancierd. Ze werden er schatrijk.

Maar ook buiten Constantinopel had de naam van de bank 'I. Camondo et Cie' een overbekende klank. De grondvester was in de jaren vijftig zo belangrijk dat hij met z'n gezin naar Wenen kwam om het huwelijk van keizer Frans Jozef bij te wonen. Een decennium later financierde hij de Italiaanse eenwording. Uit dank kreeg de hele familie de Italiaanse nationaliteit en werd ze in de adelstand verheven door Koning Victor Emmanuel II, die erfelijke graven van de Camondo's maakte.

Toen omstreeks dezelfde tijd in Istanbul weer eens een voor joden ongunstige wind opstak, besloten de twee zoons, Abraham Behor en Nissim, naar Parijs te verhuizen. De broers vestigden zich naast elkaar aan het Parc Monceau, destijds de nieuwe uitleg van de stad, ontstaan op de tekentafel van baron Haussmann.

De broers bewogen zich meteen in de maatschappelijke top. Hun herkomst verraadden ze alleen wanneer ze op zwoele avonden met een fez op in de tuin zaten. Ook Isaac, de zoon van Abraham, die een huis had laten bouwen op nummer 61, ontpopte zich als een geducht verzamelaar en kunstkenner.

'Zeer geïntegreerd' waren de Camondo's in Parijs - zo geïntegreerd dat ze ook Franse antisemieten als vriend hadden. Al snel na hun komst, na de nederlaag tegen Duitsland in 1870 en de Commune, verslechterde het klimaat voor joden ook in Frankrijk. De Camondo's, op de voorgrond van het sociale leven, werden niet gespaard. In 1886 verscheen bij Flammarion het werkje La France juive van de journalist Edouard Drumont, die alle antisemitische beginselen weer eens op een rijtje zette.

'De joden vertegenwoordigen het absolute kwaad, en staan aan de wortel van achtereenvolgens het kapitalisme, de revolutie, de achteruitgang van de zeden, de pornografie, de prostitutie, de teloorgang van het gezin, de echtscheiding en de ziektes die de Franse ziel aanvallen.'

Ook de Camondo's persoonlijk kregen een beurt als 'notoire joden'. 'Bij het paardenspringen gaan alle prijzen naar Israël. Camondo, de groffe jood die lijkt op de baas van Abessijnse eunuchen. . .' (. . .) 'Zonder twijfel moet men glimlachen bij het horen van de naam van een graaf de Camondo of een baron de Hirsch, en je went er bijna aan.'

Tegen het eind van de eeuw, na het Panama-schandaal en de Dreyfus-affaire, was de atmosfeer in Parijs totaal verpest. Zo verpest dat een andere bewoner van de Rue de Monceau, Theodor Herzl, Oostenrijks correspondent in Parijs voor Die neue freie Presse, besloot zijn Judenstaat te schrijven. Voor Moïse de Camondo persoonlijk moet de Dreyfus-affaire een verschrikking zijn geweest. Assouline: 'Alles in hem ademde dat men niet met zijn joodse identiteit te koop liep.'

M OISE DE CAMONDO was 'fou de France', het eerste land dat de joden burgerrechten had verleend. Z'n zoon Nissim was er geboren en was Fransman als ieder ander. Een jaar nadat het huis was voltooid, begon de Eerste Wereldoorlog. Getuige de briefwisseling met vader ging Nissim fris en vrolijk de loopgraven in. De brieven van vader aan zoon zijn niet behouden. Die van zoon aan vader zijn eerst optimistisch over een snelle oorlog, dan gekunsteld vrolijk, waarna de somberte opstijgt over de onafzienbare modderpoelen, de stervende kameraden, de granaatinslagen.

In september 1917 komt Nissim om. Zijn vader schrijft twee jaar later in een brief over 'de catastrofe die mijn leven vernietigd heeft'. Hij liquideert zijn bankbelangen en trekt zich terug uit het openbare leven. Het huis, dat van nok tot kelder was gebouwd om te ontvangen, zou geen sterveling meer zien. De bewoner wilde er alleen blijven, getroost door 'de decoratieve kunst uit de periode die ik meer dan alle andere liefheb', zoals Moïse in zijn testament schreef.

In 1935 kwam met de dood van Moïse een eind aan de mannelijke lijn van de Camondo's. Maar het familiedrama was nog niet afgelopen. De Duitse bezetting volgde, met de razzia's en de deportaties. Moïse's dochter Béatrice moet zich niet hebben kunnen voorstellen dat zo'n lot haar kon treffen. Met jodenster en al ging ze uit paardrijden in het Bois de Boulogne, samen met Duitse officieren.

Het Frankrijk van Vichy heeft geen vinger voor haar uitgestoken. Zoon Nissim 'mort pour la France', Béatrice 'mort par la France' schrijft Pierre Assouline onbarmhartig. 'Moïse overleed op tijd om dit verraad niet te hoeven meemaken.' Met de dood van Béatrice en haar twee kinderen kwamen de laatste Camondo's aan hun eind.

Op de joodse afdeling van de begraafplaats van Montmartre staat een bescheiden gedenkteken, 'Famille Camondo'. Iets verderop hangt een aanzienlijk grotere aanwijzing: 'For Jim Morrison, go to the cemetery Père Lachaise.'

Pierre Assouline: Le dernier des Camondo. Gallimard; 288 pagina's,

FF 110,00. ISBN 2 07074554 6.

Nora Seni en Sophie le Tarnec: Les Camondo ou l'éclipse d'une fortune. Actes Sud; 304 pagina's, FF 148,00.

ISBN 2 7427 1421 9.

Museum Nissim de Camondo, Rue de Monceau 63, Parijs (metrohalte Monceau). Maandag en dinsdag gesloten.

Meer over