Met een buiging corresponderen

De complimenteuze tegenstelling, vaak gerealiseerd in het woord 'maar', lijkt een vast onderdeel van de retorica van de renaissancebrief. Erasmus was er een soms vermoeiende meester in, zijn correspondenten ook....

Er is misschien zelden complimenteuzer geschreven dan door Erasmus. Belangeloos waren de complimenten lang niet altijd. Erasmus dong voortdurend naar gunsten; met de schitterendste gebaren van zijn taal hield hij zijn hand op. Maar waar de echte genegenheid was, voerde hij zijn compliment naar de onsterfelijkheid, zoals de beroemd geworden uitspraak in een brief aan Thomas More uit 1511; hij brengt zich, reizend, de vrienden in gedachten: 'De eerste die mij voor de geest kwam was jij, More, want tijdens mijn afwezigheid genoot ik van de herinnering aan jou evenzeer als van de omgang met jou toen we bij elkaar waren.' In het Latijn is de zin een wonder van beknoptheid.

Achter het compliment verschuilt zich de drang tot behagen, tot amuseren. Elke brief - vaak pas na een lange tocht de geadresseerde bereikend - moet een verrassing zijn: door taal, door vernuft, door geestigheid, door citaten (bijna altijd uit de klassieke oudheid). William Warham, de beroemdste aartsbisschop van Canterbury en weldoener van Erasmus, weet weg met het verfijnde amusement in een briefje aan de zieke Erasmus. Het begint zo: 'Mijn beste Erasmus, als wij, aan het begin van een brief, al aan gezonde mensen gezondheid toewensen, dan moeten wij dat zeker doen aan jou nu je ziek bent. Nu we Maria-Lichtmis gevierd hebben, denk ik dat dat een gunstig voorteken is en dat je spoedig verlost zult zijn van je nierstenen. Wat moeten die stenen in dat kleine lijf van je? Of wat moet er op deze steenrots worden gebouwd?'

Naarmate de bewondering voor de geadresseerde groter is, spitst zich Erasmus' vernuft meer toe als in de vele brieven aan de geleerde en theoloog John Colet en de enkele brief aan de geleerde en heilige bisschop John Fischer. Achter alle drang tot behagen en amuseren verschuilt zich de drang tot zwijgen. De brieven verwoorden zelden of nooit de ruwheid of hardheid van de werkelijkheid; ze lijken voor het grootste deel ter afleiding daarvan geschreven. De brief was ook een kunst om de kunst, vooral misschien een spel tussen de geletterden. Eén keer wordt het in het net verschenen tweede deel van De correspondentie van Desiderius Erasmus hoge ernst, in een brief uit 1514 aan Servaas Rogier, prior van het Augustijnerklooster in Stein, dat Erasmus had verlaten. Zijn overste roept hem in dubbel opzicht tot de orde. Erasmus' beschrijving en verdediging van zijn levenswijze is ontroerend, zeer rechtstreeks; de grote ernst houdt het vernuft eronder. Drie jaar later zou Erasmus door de paus van zijn kloostergeloften worden ontslagen. Hij is vrij. De lange brief aan Rogier is eindpunt, maar ook hoogtepunt van dit deel.

In de jaren 1501-1514, de tijd van de in het tweede deel gebundelde 155 brieven (er zijn er veel verloren gegaan; uit enkele jaren zijn helemaal geen brieven bewaard) verblijft de altijd reislustige Erasmus enkele keren in Engeland; in een aaneengesloten periode van 1511 tot 1514. In het eerste jaar schrijft hij in het huis van Thomas More zijn Lof der zotheid; hij wordt hoogleraar in Cambridge, de eerste professor in het Grieks, maar doceert daar ook over zijn grote patroon Hiëronymus (hoeveel keer komt de naam niet voor in de brieven!). Het is niet overdreven te zeggen dat Engeland Erasmus heeft gevormd, door de beschaving, de geest (ook die van de humor), door More, Colet, Fischer.

In 1509 is Hendrik VIII zijn vader opgevolgd. De lof, ook van Erasmus, is die voor de ideale vorst. Henry VII was een 'vorst van ongekende wijsheid', hij lijkt echter niet overleden, maar herboren in Hendrik VIII! In 1535 is alles stuk. De kerk van Engeland heeft zich afgescheiden, More en Fischer zijn onthoofd, de verdediger van het ware geloof (de pauselijke titel gegeven aan Hendrik VIII) is voor de roomse kerk een zwijn geworden. Erasmus heeft dan al tien jaar eerder zijn polemiek met Luther over de vrije wil gevoerd. De republiek der letteren, die triomfeerde in vele geestrijke correspondenties, is in twee kampen verdeeld geraakt. Erasmus wordt een eenzame geleerde, die een eenzame dood stierf in 1536; in dat jaar verscheen zijn laatste werk: de Latijnse vertaling van de werken van Origenes.

In de jaren van dit tweede deel verschijnt de definitieve editie van zijn Adagia en zijn Handboek voor de christelijke soldaat, dat grote invloed op de vroomheid zal hebben. Zijn werkkracht is - de brieven wijzen het uit - enorm; hij lijkt, ondanks zijn zwakke gezondheid, onvermoeibaar, misschien nog het meest in het zoeken van geestgelijken, vrienden; ze vormen een kleine kring, en met hen zijn de meeste brieven gewisseld. Zijn leerling en latere beschermheer William Blount Mountjoy is een van de belangrijksten van hen, al was de vriendschap niet geheel onbaatzuchtig.

De mooiste passages staan in een brief uit 1506 aan de Engelse priester Richard Whitford. Ze gaan over Thomas More. De tweede luidt zo: 'Misschien speelt mijn grote genegenheid voor hem me wel parten, maar ik geloof echt, dat de natuur nooit een geest heeft voortgebracht die krachtiger, sneller, helderder, scherpzinniger en veelzijdiger met alle mogelijke talenten begiftigd is dan de zijne. Daar komt nog bij de taal, die volkomen bij dat verstand past, een opgewekt karakter, humor, maar zonder te kwetsen, zodat hij alles in zich heeft om een volmaakt advocaat te zijn.'

De goed leesbare vertaling is van M.J. Steens. Twee kleine opmerkingen: niet Gerard Brom, maar diens broer Gisbert vond een brief van Erasmus in de Vaticaanse bibliotheek; het college waaraan Erasmus in Cambridge verbonden was heet niet Queen's, maar Queens'. Het gaat om twee koninginnen.

Meer over