Met de tram naar de Kongo

Zeven zerken tegen de kerkmuur in Tervuren herinneren aan het 'negerdorp' van de Brusselse Wereldtentoonstelling van 1897. De zeven Kongolezen bezweken aan tering, of aan een door vochtigheid en kou opgelopen longontsteking....

DE MOOISTE Brusselse tramlijn - lijn 44 naar Tervuren - leidt langs weelderige paardekastanjes naar 'de Kongo' in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, een vorstelijk domein met een sierlijke spiegelvijver en een rotonde van altijd groene rododendrons. Toen de lijn in september 1896 in gebruik werd genomen, was het nog een primitief en krakkemikkig stoomtreintje. Le National noemde de nieuwe tramlijn meesmuilend 'le chemin de fer du Congo', de Kongolese spoorweg. De tram reed traag, er was nog geen verlichting en de gemeente Tervuren had toen nog niet echt koninklijke allure.

Een jaar later liet de Belgische koning Leopold II ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1897 dwars door het Zoniënwoud een parkway aanleggen, met een tussenberm ter breedte van een half voetbalveld. De laan verbindt nog steeds het hart van Brussel met Tervuren.

Honderdduizenden bezochten in dat jaar, naast de wereldexpositie in het Brusselse Jubelpark, ook de Koloniale Tentoonstelling op het Tervurense domein. Bij de vijvers en in de bossen stonden hutten en in het water lagen prauwen. In de drie 'negerdorpen' van Tervuren verbleven tijdens de tentoonstelling meer dan tweehonderd Kongolezen; zeker zeven zijn er gestorven.

Honderd jaar na de eerste Koloniale Tentoonstelling in het speciaal daarvoor gebouwde Koloniënpaleis 'reconstrueert' het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika de geschiedenis van de Kongodorpen.

Met de tram naar Kongo - men schreef toen Kongo en niet Congo - toont de geschiedenis van 'de privé-kolonie' van koning Leopold II. De Kongo was 'Leopold II van Saksen Coburgs allergrootste zaak', schreef Julien Weverbergh in zijn spotzieke boek over l'ancienne colonie belge. Het was zijn 'vrijstaat', zijn persoonlijk bezit dat hij als een soort lord of human kind wilde beschaven; maar in de Kongo heeft hij nooit een voet gezet.

Alle middelen waren goed. In Tervuren wilde Leopold II met zijn Kongodorpen en zijn tentoonstelling over koloniale waren tonen hoe mooi zijn Kongo was. Hij nam de Engelse ontdekkingsreiziger Henri Morton Stanley in dienst. Deze doorkruiste in opdracht van de Belgische koning Centraal-Afrika en stichtte er de Onafhankelijke Kongostaat, die Leopold II in 1908, kort voor zijn dood, aan het koninkrijk België schonk.

Het pittoreske Tervuren heeft zijn faam te danken aan koning Leopold II, die als troonopvolger en als Hertog van Brabant over het Tervurense domein kon beschikken, 'een parel aan de Brabantse kroon'. Op zowat elk tijdstip van de dag zie je in die groene oase, op het golfterrein, rond de vijvers van de Warande en in het Zoniënwoud wandelaars, joggers, fietsers en vissers die er rust en verpozing komen zoeken. Tervuren is nog steeds een residentiële gemeente, waar veel Euro- en NAVO-ambtenaren wonen. Op het totaal van 20 duizend inwoners zijn er 4.722 niet-Belgen.

De Belgische koning Leopold II, die als kroonprins - blijkens onlangs teruggevonden archieven - in 1854 een verrassingsoorlog beraamde tegen Nederland, wilde van België 'een aanzienlijk en zeer rijk koninkrijk maken'. Hij wilde niet alleen Nederlands Limburg en Noord-Brabant veroveren maar ook 'de hand leggen op een deel of het geheel van het Turkse Rijk'. Het koninkrijk België zou 'met Gods hulp de eilanden in de Stille Oceaan omvatten, naast Borneo, ook enkele plaatsen in Afrika en Amerika, en zeer grote delen van China en Japan'. Maar het werd Kongo.

'Leopold II richtte zijn spiedende blik naar de vier windstreken', zegt Maurits Wynants, van wie binnenkort Van hertogen en Kongolezen verschijnt, een boek over het koninklijk domein van Tervuren. In 1860, zes jaar na zijn oorlogsplannen tegen Nederland, was de kroonprins in Griekenland. Hij stuurde de Belgische minister van Financiën Frère-Orban 'als geschenk een stuk marmer van de Akropolis te Athene, door de prins zelf opgeraapt nabij de ruïne van de tribune van de redenaars'. Leopold liet de steen snijden en polieren tot presse-papier, versierd met zijn door robijnen en smaragdgroene bladeren omgeven beeltenis en de inscriptie: il faut à la Belgique une colonie - het toen nog haast onbekende Midden-Afrika, de Kongo, waarvoor Leopold II in Tervuren propaganda maakte.

Zeven verweerde grafstenen tegen de zuidmuur van de Tervurense Sint-Janskerk herinneren nog aan 'le Congo belge'. Op de stenen staan een eenvoudig kruis en twee palmtakken, èn exotisch klinkende namem: Ekia, Gemba, Kitoukwa, M'Peia, Sambo, Zao en Mibange, zeven in 1897 in Tervuren overleden Kongolezen. De eerste is aan de tering gestorven; de anderen zijn aan een door vochtigheid en kou opgelopen longontsteking in 'het hospitaal van Vossem' bezweken - het tijdens de Wereldtentoonstelling voor de opvang van zieke Kongolezen ingerichte Hof van Termunt achter de vijver.

Op 27 juni van dat jaar meerde de Albertville met een groot 'zwart gezelschap' in de haven van Vlissingen aan. De vermoedelijk 267 Kongolezen - op de overtocht waren overlijdens te betreuren geweest - vormden 'een soort staalkaart van zoveel mogelijk volkeren'. In Tervuren werden ze in negerdorpen 'geshowd', in de bossen achter het Koloniënpaleis en rond de vijver van de Warande. Het waren des naturels de l'Afrique, een vrolijke kermisattractie op de Brusselse Wereldtentoonstelling, 'opgevoerd als specimina, als betrof het wezens van een verre planeet'.

De Weermacht - de Force Publique - was veruit de grootste groep, 65 soldaten en 24 muzikanten, voornamelijk klaroenblazers. Sommigen hadden hun vrouwen mee. Er waren Bangala, een volk dat langs de Kongostroom woont, en Mayombe uit de Kongolese wouden. In het negerdorp, 'le Congo à Tervueren', verbleven ook twaalf Basoko, twee pygmeeën uit Boven-Aruwimi en een Arabier met drie vrouwen en een zoon. En er waren ook enkele kinderen meegekomen.

OP DE Wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs werden voor het eerst inboorlingen uit de kolonies 'getoond'. Er waren niet minder dan 400 van deze 'specimina' uit Indochina, Senegal en Tahiti in hutten te zien. De Parijse village indigène was een groot succes. In Amsterdam was in 1883 een aantal autochtonen uit Nederlands-Indië en West-Indië te gast. Twee jaar later organiseerde Antwerpen met Kongolanen, op initiatief van het Antwerps Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap, een Kongolees dorp, 'Vivi aan de Schelde'. Er verbleven 144 zwarten, piekfijn uitgedost als strijders tegen de Arabieren en de gearabiseerden.

De toeschouwers in Antwerpen wierpen geldmunten in het water en de inboorlingen moesten die vervolgens opvissen. In 1930 werd in Antwerpen nogmaals zo'n kermisattractie opgezet. 'Overdag, en alleen bij goed weer', vertelt Wynants, 'waren in Tervuren de Bangala, de Mayombe en de Basoko aanwezig in hun hutten. Daar bereidden ze het middageten; 's morgens en 's avonds werd er gegeten in het Hoefijzer. De dorpen waren voor het publiek niet toegankelijk. Dat moest zorgvuldig achter de afrasterdraad blijven. Omdat het in de maand augustus erg regenachtig was, was de weg langs die draad één grote modderbrij. Daarom bouwde men ijlings een twee meter hoge loopbrug, zodat de bezoekers zelfs letterlijk konden neerkijken op de zwarte onderdanen van koning Leopold II.'

MET EEN oneindig geduld was 'orkestleider' Ernest Drisse er in geslaagd elk van de leden van de klaroenblazers 'een eigen partituur te laten spelen'. Naar verluidt kon het korps 28 muziekstukken uit het hoofd spelen, waaronder het nationale volkslied - de Brabançonne - en Waar kan men beter zijn! 'De Kongolezen werden gedurende de twee maanden dat ze in Tervuren verbleven, aan een tamelijk streng regime onderworpen', aldus Wynants. Enkele malen mochten ze de kermis van Brussel, de cinématographe en het Circus Wulff bezoeken. De Weermacht en de muzikanten moesten voortdurend 'propagandistisch geïnspireerde spitsroeden' lopen tijdens optochten in Antwerpen en Brussel. Maar toen er enkele Kongolezen stierven, werden ze in alle stilte 's ochtends vroeg naar het kerkhof gedragen, waar ze volgens sommigen - omdat ze niet gedoopt waren - op hondse wijze op het Geuzenkerkhof naast de Tervurense kerk werden begraven, de plek voor overspeligen en zelfmoordenaars.

Wereldtentoonstellingen, schreven Marx en Engels in 1851, zijn 'een modern Romeins pantheon, waar de bourgeoisie met zelfvoldane trots de goden tentoonstelt die ze voor zichzelf heeft geschapen'. De zeven zerken bij de Tervurense Sint-Janskerk getuigen van de koloniale tijd, toen savages on show als trofee èn 'beschavingsvoorwerp' heel gewoon waren. Toen het 'zwarte gezelschap' eind augustus met de Professor Woermann vanuit Antwerpen naar de Kongo terugkeerde, stonden er volgens Het nieuws van den Dag 'bij het uitwuiven twintigduizend mensen op de kade'. Bij hun afscheid kreeg elke Kongolees, naast vijf Belgische frank, een koffer met een pak, hemden en dassen, een hoed, kousen en zakdoeken. De vrouwen kregen op hun uitdrukkelijk verzoek een fraaie ledenpop.

Met de tram naar Kongo, van 20 juni tot en met 16 november in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren nabij Brussel.

Meer over