Mensgerichte duiding, met focus

Dalende oplagen, hevige concurrentie, saneringen en vernieuwingen; dat het moeilijk gaat bij de kranten kan niemand ontgaan. Wie het gouden recept voor een solide toekomst heeft, is spekkoper....

Het aantrekkelijke van De Wolff is dat hij dat evangelie niet alleenbepleit, maar ook in de praktijk meent te kunnen brengen. Zijn naam is nietmeer weg te denken bij media in crisis of verwarring. Dit jaar nog maaktehij samen met AD-hoofdredacteur Jan Bonjer de journalistieke geesten rijpvoor de geformatteerde fusiekrant die sinds 1 september verschijnt.

De Wolff heeft zijn credo nu ook opgetekend in een boek dat in devertrekken van mediadirecties zal worden gekoesterd, want hij pleit voorniets minder dan een radicale cultuuromslag in de journalistiek, een totalmakeover noemt hij dat. Veel te lang hebben journalisten vastgehouden aande zekerheden van het vak. Een steeds mondiger publiek pikt dieconservatieve navelstaarderij en de misplaatste onthullingsromantiek nietmeer. Journalisten die in de jacht op de waarheid blijven graven tot delaatste tegel gelicht is, moeten maar eens normaal gaan doen, zoals elkevakman dat doet. 'Niet de persoonlijke voorkeur van de schrijver ofprogrammamaker is het uitgangspunt van de vakman, maar de formule of hetformat. De journalist is journalist en geen gemankeerd auteur, kunstenaarof politicus.'

Vroeger - in de revolutionaire termen van De Wolff: tijdens 'het ancienrégime in de journalistiek' - heette dit een pleidooi voorconfectiejournalistiek, maar nu heet het publieksgericht werken. Nietlullen maar poetsen, want het publiek wil waar voor zijn geld, en snel eenbeetje. Een journalist wordt zo 'een makelaar in informatie' die wordtaangestuurd door een inspirerende hoofdredacteur. Samen met een visionaireondernemer vegen zij het spinrag uit de hoeken. Want duo's als John deMol-Beau van Erven Dorens (Talpa) en Theo Bouwman-Jan Bonjer (PCM) hebbende vinger beter aan de pols van de nieuwe cultuur dan de oude zelfvoldanehap die zich zwelgend in het verleden aan de tap verdringt om hun cynismeover alle nieuwlichterij weg te drinken.

Het zal wel als provocatie bedoeld zijn, maar je wordt er toch even stilvan als je zo ongenadig de les wordt gelezen. Je zal als journalist maarbij de Volkskrant of Trouw werken en moeten lezen dat De Wolff, ondanksalle tamelijk ingrijpende vernieuwingen van de laatste jaren, heeftvastgesteld dat meer dan 75 procent van de artikelen 'geen focus heeft' endus eigenlijk abracadabra is voor de lezer. Alle dagbladen bestaan volgenshem zelfs voor driekwart uit kale feiten waar een lezer geen behoefte aanheeft. Die wil context en duiding, niet opgeschreven 'vanuit de invalshoekvan de bobo' maar 'mensgericht'. Je gaat ervan sissen tussen de tanden.Waar is het de laatste jaren zo ongelofelijk misgegaan? Als het waar is watDe Wolff beweert, mag het een godswonder heten dat er dagelijks nog viermiljoen kranten worden verkocht.

Wat is eigenlijk het bijzondere onderzoek waarmee De Wolff zichbezighoudt?, kan de argwanende lezer zich met recht afvragen. Want vrijwelalle wetenschappelijke lectuur wijst toch uit dat media juist mank gaan aaneen overdaad aan duiding, meningen en emoties. En juist daarover wordtmassaal geklaagd. Feiten en waarheidsvinding doen er voor dehoofdrolspelers in het nieuws niet zoveel meer toe.

Nu laat De Wolff zich niet zo gauw vangen. Hij put zich uit om alleradicaliteit van zijn inleiding in de rest van zijn boek stelselmatig teweerspreken. Want hij weet dat hij zijn bureau voor media-advies wel kanopdoeken als het allemaal zo simpel zou liggen. 'Het' publiek bestaatnatuurlijk niet, bewijst hij in een uitvoerig en prettig geschreven betoogover publieksgroepen en verwachtingspatronen. Maar in zijn slotakkoordkeert hij toch weer op zijn radicale schreden terug. De 'laatste haardenvan verzet' tegen de onvermijdelijke vernieuwing in de journalistiek moetenworden geruimd, want de nieuwe orde is 'anders, eng maar nodig'.

Dat onverwoestbare optimisme over de zegeningen van de marktwerking zieje steeds vaker. Dat er ook nog iets anders zou kunnen zijn, komt bij DeWolff natuurlijk niet op, want de markt is zijn broodheer, en op veelhistorisch besef kan men hem niet betrappen. Dat besef is wel overdadigaanwezig in het proefschrift waarop de directeur van het Bedrijfsfonds voorde Pers, Lou Lichtenberg, vorige week aan de Universiteit van Amsterdampromoveerde. Zijn dissertatie gaat over een verschijnsel dat typisch bijde oude tijd hoort: overheidssteun voor noodlijdende persorganen terbescherming van de pluriformiteit. Na lezing van De Wolff lijken dat termenuit een nachtmerrieachtig tijdperk dat gelukkig ver achter ons ligt.

Lichtenbergs boek is dan ook in alle opzichten het spiegelbeeld van datvan De Wolff. Het is een dor en ambtelijk geschreven overzicht vanbeleidsartikelen waarin geen visionair vergezicht te bekennen valt, laatstaan een praktisch richtsnoer voor de toekomst van de journalistiek. Maarhet aardige is wel dat het beargumenteerd de beperkingen van de marktaangeeft als het gaat om de verscheidenheid, de onafhankelijkheid en dekwaliteit in de openbare informatievoorziening. Niet dat het Bedrijfsfondsop dat vlak zelf enorme verdiensten heeft gehad (het overzicht vangesteunde organen leest soms als de inventaris van een sterfhuis: DeWaarheid, De Tijd, Het Binnenhof, De Nieuwe Linie en dergelijke) maar dater iets moet zijn ter compensatie van de confectie die de markt altijd weerwil afdwingen, kan niet vaak genoeg worden gezegd.

Het is een publiek belang dat er kwalitatief goede en uniekejournalistieke producten blijven bestaan, ook al heeft de markt er geencent voor over. Dat moet dan misschien niet meer via het oude systeem vansubsidiëring (zoals steun voor omroepverenigingen en dagbladtitels), maarmet steun voor kwaliteitsvolle 'journalistieke informatieproducten', zoalshet Bedrijfsfonds dat tegenwoordig noemt.

Dat de nieuwe tijd nieuwe eisen stelt staat buiten kijf. Maar datjournalisten die uitdaging alleen maar zouden aankunnen als alle macht inhanden komt van managers die dagelijks in formats geperstepublieksgerichtheid afdwingen, is overdreven. Neem nou de ergernis over hettelevisievoetbal. De oude Studio Sport-journalisten maakten ouderwetsejournalistieke keuzes: openen met de belangrijkste wedstrijd, een verslagzonder supportergericht perspectief, interviews met bobo's.

De kijker blijkt dat een stuk appetijtelijker te vinden dan devernieuwende en mensgerichte format-aanpak van Talpa's De Wedstrijden. Bijeen respectvolle benadering van het publiek past immers ook nog zoiets alsgeloofwaardigheid en professionele onafhankelijkheid. Dat zijn onbetaalbarecultuur-goederen, het koesteren waard.

Huub Wijfjes

Meer over