NabestaandenMH17

‘Mensen vonden ons kil omdat we niet de hele dag huilden bij een altaartje’

null Beeld  Ricardo Tomás
Beeld Ricardo Tomás

In het boek Zoals vogels vliegen beschrijft Els Quaegebeur hoe de zussen Mirjam en Sandra Ploeg na de MH17-ramp omgingen met de rouw om hun ouders, broer en pleegbroer. Iedereen vond er wat van. Sandra: ‘Yo, doe geen aannames. Iedereen rouwt op zijn eigen manier.’

Malaysia Airlines-vlucht MH17 werd op 17 juli 2014 neergeschoten boven oorlogsgebied in Oost-Oekraïne. Er vielen 298 slachtoffers: 283 passagiers en 15 bemanningsleden. 193 slachtoffers hadden de Nederlandse nationaliteit. De afgelopen drie weken hebben de nabestaanden gebruik kunnen maken van hun spreekrecht in het strafproces rond de MH17-zaak. Vrijdag 24 september is de laatste zittingsdag.

Mirjam en Sandra Ploeg waren 22 en 18 toen hun ouders, Edith en Alex, en hun broer Robert en pleegbroer Robin omkwamen bij de aanslag op vlucht MH17. Weg was het gezin waarin ze opgroeiden. Weg zorgeloos jong zijn. Ze bleven samen achter in het ouderlijk huis in Maarssen. In de zomer van 2014 werd de keukentafel een kantoor waar ze aan de slag gingen met de verbijsterende nasleep van de aanslag. Een pot thee, koekjes, twee laptops, een eindeloze to-dolijst en af en toe troost zoeken bij de hond.

Het verdriet en het gemis was (en is) er altijd, maar de zussen hebben er nooit hun levens door laten bepalen. Zowel in eigen kring als in interviews verzetten ze zich vanaf het begin openlijk tegen de slachtofferrol. Die past hun niet, zo zijn ze ook niet opgevoed. Wel met: rug recht, blik vooruit. En niet bang zijn dat je iets niet kunt.

Een jaar na de aanslag verhuisde Sandra naar Utrecht om een poging te doen een normaal studentenleven te gaan leiden. Met het oude autootje van haar moeder kon ze binnen een half uur weer bij Mirjam zijn, die het ouderlijk huis het hare had gemaakt, en die eveneens ging studeren. Rug recht, blik vooruit.

De aanslag op MH17 trok de wereld zoals zij die kenden onderuit, maar kreeg hen niet klein.

Hun nuchtere houding kon echter lang niet altijd rekenen op begrip. Mensen reageerden vaak ronduit negatief (‘Wat zijn jullie hard’), of bezorgd, met een onheilspellende ondertoon (‘De klap moet nog komen, dat is wel duidelijk’). Daarnaast was er bewondering voor hoe ze de boel bij elkaar wisten te houden. Ook daar voelden ze zich ongemakkelijk bij.

Vrijdag 24 september is de laatste dag van het nabestaandenspreekrecht in de MH17-strafzaak. Mirjam en Sandra wilden niet spreken in de rechtszaal van het Justitieel Complex Schiphol.

Ze besloten hun verhaal wel te laten optekenen in een boek, in de hoop dat anderen er iets aan zouden hebben. Ze vertellen over hun rouw, de bizarre omstandigheden na de aanslag, het nationale rouwpodium en de vooroordelen en taboes waar ze tegenaan lopen. Zoals vogels vliegen gaat ook over zusterliefde en het nest waar ze uit komen, dat zo vormend was voor de manier waarop ze omgaan met het verlies. Zoals Sandra opmerkt in het eerste hoofdstuk: ‘Yo, doe geen aannames. Iedereen rouwt op zijn eigen manier.’

Hieronder volgt een voorpublicatie uit het boek, waarin Mirjam en Sandra een bezoek brengen aan een psycholoog om uit te vinden hoe rouw werkt.

De zussen Mirjam en Sandra Ploeg. Hun ouders, broer en pleegbroer zijn omgekomen bij het neerstorten van vlucht MH17, 17 juli 2014. Beeld Linelle Deunk
De zussen Mirjam en Sandra Ploeg. Hun ouders, broer en pleegbroer zijn omgekomen bij het neerstorten van vlucht MH17, 17 juli 2014.Beeld Linelle Deunk

Knap hoe je ermee omgaat

De zusjes gaan praten met Jos de Keijser, klinisch psycholoog, psychotherapeut en bijzonder hoogleraar complexe rouw aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij doet onderzoek naar het rouwproces van MH17-nabestaanden. Zij willen graag te weten komen in hoeverre hun eigen ‘nuchtere’ houding normaal is.

In de auto naar Leeuwarden, waar Jos woont, vertelt Mirjam dat zij Friese roots hebben. Hun overgrootmoeder aan moederszijde kwam uit Friesland. Mirjam heeft met opa en oma Cuijpers haar graf bezocht toen ze 10 was. Waar dat precies was, weet ze niet meer.

We nemen een verkeerde afslag, wat raar is, want even daarvoor zei Sandra dat Mirjam een waanzinnig richtingsgevoel heeft. Ze heeft sinds 2015 ook een motorrijbewijs. Ze wilde altijd al leren motorrijden, maar Edith en Alex vonden het te gevaarlijk. Mirjam probeerde er met hen over te onderhandelen toen ze 18 werd en mocht leren autorijden: mag ik in plaats daarvan mijn motorrijbewijs halen? Daar kwam niets van in, zolang ze onder hun dak leefde.

Na de aanslag dacht Mirjam: fuck it, ik heb nu het geld, ik doe het gewoon. Dat had niets te maken met een hernieuwd gebrek aan angst voor fysieke kwetsbaarheid, nadat haar ouders waren omgekomen in het veiligste vervoermiddel ter wereld na de lift – ze houdt van het gevoel dat motorrijden haar geeft. Vrijmoedig en spannend, maar niet eng. Ze kon ook ineens ongestoord haar gang gaan, zonder zich schuldig te voelen omdat iemand anders zich wél zorgen maakte. Een motor had ze ook al.

Mensen vonden het wel gek dat ze zo snel na de aanslag motorrijlessen aandurfde. Zij niet. Sandra ook niet. Die haalde twee weken na de aanslag haar gewone rijbewijs door middel van een spoedcursus, omdat ze niet afhankelijk wilde zijn van anderen om ergens te komen en haar hoofd niet naar het openbaar vervoer stond. ‘We zeiden nooit hardop tegen elkaar: wij gaan weer gelukkig worden, maar het kwam naar voren in hoe we handelden. Zoals met die rijbewijzen. We wilden onze levens niet op pauze zetten’, zegt Mirjam – inmiddels weer op de juiste snelweg.

Als je iets vreselijks meemaakt, krijg je om de haverklap te horen dat van alles wat je doet ‘knap’ is, zegt Sandra. Deze zin kwam onophoudelijk langs: ‘Knap hoe je ermee omgaat.’ Zelfs mensen die de zusjes na de aanslag helemaal niet hadden gezien of gesproken, stuurden berichten dat ze het wel knap vonden.

Wat bedoelen ze daarmee, vroeg Sandra zich af. Wat is dan knap? Dat je iets heftigs meemaakt? Dat je flink bent? Niet ingestort? ‘Ten eerste weet bijna niemand hoe je ermee omgaat, want dat zien ze niet. Ik wilde na zo’n opmerking het liefst vragen: ‘O? Hoe ga ik er dan mee om?’, maar dat durfde ik niet. Misschien vinden mensen het knap dat je nog functioneert, maar of dat zo is, weet je pas als je iemand echt goed kent. Misschien trok ik wel elke avond achthonderd haren uit mijn hoofd. Of zat ik aan de drank. Of verbrandde ik ritueel alle familiefoto’s. Dat weet je niet. En dan nog, is dat dan niet knap? Ben je dan dom?’

Mirjam denkt dat mensen met ‘Knap hoe je ermee omgaat’ eigenlijk willen zeggen: ‘Ik vind het heel erg voor je’, maar bang zijn dat dat niet meelevend genoeg klinkt. Goed onderwerp voor bij Jos.

Als we aan tafel zitten in de woonkamer van zijn leuke, oude huis in de binnenstad vertelt hij eerst waar hij zoal mee bezig is op MH17-gebied: een onderzoek naar hoe nabestaanden de strafzaak beleven. Als adviseur van de Stichting Vliegramp MH17 is hij betrokken bij de uitoefening van het spreekrecht van de slachtoffers. Verder werkt hij aan een artikel over de lichaamsbeleving van rouw: wat is er fysiologisch gaande in je brein en in de rest van het lichaam tijdens een rouwproces?

‘Wat gebeurt er dan allemaal?’, wil Mirjam weten.

Jos steekt van wal. ‘Wij mensen kunnen goed rouwen, over het algemeen. Het percentage nabestaanden dat vastloopt, is niet zo groot – zo’n 10 tot 20 procent. Daar zijn jullie tot nu toe geen voorbeeld van. Laten we hopen dat dat zo blijft. Ik ben geïnteresseerd in hoe zij vastlopen, wat er gebeurt in hun geest en lichaam, en hoe je het weer kunt loskrijgen. Met mri-scans kunnen we zien welke gedeelten in een brein oplichten als nabestaanden denken aan degene die ze missen en van wie ze veel houden.

‘Bij mensen die een overledene niet kunnen loslaten – complexe rouw noemen we dat – zien we dat het stukje in de hersenen waar verslavingsgevoeligheid zit sterk geactiveerd is. De hersenen zoeken de dode en blijven dat doen. Zoals een baby’tje dat de moeder kwijt is, blijft huilen tot het haar heeft gevonden.’

‘Raken die nabestaanden verslaafd aan het verdriet?’, vraagt Sandra.

‘Zoiets, ja. In de meeste gevallen wint de realiteit het betrekkelijk snel van de fantasie en staken nabestaanden de zoektocht, wat natuurlijk niet wil zeggen dat ze niet meer verdrietig zijn. In geval van complexe rouw zijn ze op zo’n manier met de dode bezig dat ze hun hersenen doen geloven dat diegene er nog is. Door de hele dag foto’s en filmpjes te kijken of drie keer per dag het graf te bezoeken krijgen de hersenen toch een beloning. Het systeem heeft iets gevonden, niet genoeg en niet het juiste, maar het neemt er genoegen mee.

‘Als ik lesgeef over dit onderwerp laat ik een filmpje zien van Frans de Waal. Daarin kun je zien dat apen een paar dagen blijven zoeken naar hun jong als het wordt weggehaald, en dan is het plotseling afgelopen. Mensen hebben meer hersencapaciteit om dingen te verzinnen en de zoektocht niet op te geven.’

De zusjes hangen aan zijn lippen. Sandra wil weten of mensen die sowieso verslavingsgevoeliger zijn ook meer kans hebben verslaafd te raken aan rouwpijn.

Jos kijkt van Sandra naar Mirjam: ‘Daar zijn aanwijzingen voor, maar het vraagt om meer onderzoek. We weten wel dat mensen met aanleg voor piekeren en dwanggedachten vaker aan rouw verslaafd raken. Als je al dwangmatig dacht vóór iemands overlijden, is de kans aanzienlijk dat je dwanggedachten zich na iemands sterven op de rouw richten.’

Nadat ze Mirjam heeft aangekeken, zegt Sandra aarzelend: ‘Best veel nabestaanden hebben een soort altaartje in hun huis voor hun overledene, met foto’s, altijd een kaarsje aan, kleine voorwerpen die van diegene zijn geweest. Wat vind je daarvan? Is dat gezond?’

Jos knikt. ‘Dat vind ik gezond.’

Sandra: ‘Wij hebben helemaal niets. Is dat dan erg, of wat is dat dan weer? Ik heb geen foto’s van pap en mam in huis.’

Mirjam: ‘Ik ook niet. Maar ik heb überhaupt geen foto’s hangen. Ook niet van andere mensen. Dat hadden pap en mam ook niet.’

Sandra: ‘Ik wil die prikkel niet steeds opzoeken. Al denk ik wel heel vaak aan ze.’

Jos: ‘Kort samengevat zijn hierin twee dingen van belang: tijd en de mate van vermijding. Het zou raar zijn als nabestaanden meteen overgaan tot de orde van de dag. Wat zijn dat voor bovenmenselijke types, kun je je dan afvragen. Het brein heeft tijd nodig om aan het verlies te wennen en daarbij verlangt het naar praten, herinneringen ophalen, foto’s en filmpjes bekijken, muziek luisteren. Maar het is normaal dat de behoefte daaraan gaandeweg afneemt.’

Hij pakt een blaadje en tekent een doorsnee van een menselijk brein. ‘Dit is de neocortex, die ons onderscheidt van dieren waar het gaat om redeneren, abstract denken en taal. Hier, in de primitieve hersenen, de amygdala, zitten onze emoties. In het frontale deel van de hersenen – het werkgeheugen – verzamelen zich de dingen die je zo’n beetje doet op een dag’, legt Jos uit, als bruggetje naar verwerking. ‘Er is ruimte om ongeveer zeven dingen tegelijk op te slaan. ’s Nachts zijn de hersenen actiever dan overdag, onder andere omdat ze druk zijn met het verplaatsen van de daginformatie in het werkgeheugen naar je bibliotheek achter in de hersenen. Alleen gebeurtenissen die veel indruk maken, blijven langer voorin zitten. Dat merk je omdat je daar meteen weer bent als je dagen later ’s nachts wakker schiet.’

Jos legt zijn pen neer en kijkt de zusjes met een geruststellende glimlach aan. Hij gaat nu natuurlijk niet oordelen of het al dan niet erg is of prima dat de zusjes geen altaartje hebben. ‘Wat psychologen ‘verwerken’ noemen is het naar de bibliotheek verplaatsen van erge dingen. Als ik jullie vraag naar goede herinneringen aan jullie vader gaat het brein aan het werk door uit de bibliotheek een verhaal over hem te halen, als het goed is.

‘Zouden die verhalen nog in het werkgeheugen zitten, dan kan er niets anders bij en kom je in de problemen. Mensen gaan piekeren, kunnen zich niet meer concentreren. De term ‘je hoofd leegmaken’ is een cliché, omdat hij zo vaak pseudowetenschappelijk wordt gebezigd, maar het is vrij letterlijk wat moet gebeuren om een gebeurtenis te kunnen verwerken. Als je je hoofd heel snel leegmaakt, is dat ook niet goed. Dan ben je aan het verdringen: de erge dingen lijken verplaatst naar de bibliotheek, maar ze zijn het niet. Je hebt ze alleen weggestopt door er een kleedje overheen te gooien.’

In een lezing voor burgemeesters van Nederlandse gemeenten waar MH17-slachtoffers woonden, vertelt Jos, legde hij complexe rouw eens uit als de kauwgum op straat die door de schoonmakers van de stad het moeilijkst weg te krijgen is.

‘Mooie metafoor’, zegt Mirjam.

‘Helpt het heel erg als je erover praat?’, vraagt Sandra. Ze lijkt zo jong ineens, en minder sterk dan ze is.

‘Zeker. Tenzij je er de hele dag over praat, want dan raakt het transportsysteem van de verwerking verstoord. In het begin is het goed er veel over te praten, na een tijdje zou het goed zijn als dat wat minder werd. Na een half jaar treedt ons adaptieve vermogen meestal in werking. Door allerlei omstandigheden zijn mensen daar natuurlijk verschillend in. Hoe groot of schokkend is het verlies? Hoe ziet het dagelijks leven eruit: heb je een baan of een studie die je leuk vindt en een huis waar je je goed voelt of woon je in een onveilige omgeving als een asielzoekerscentrum? Misschien heeft iemand een verstandelijke beperking?

‘Er zijn tal van oorzaken die verwerken moeilijker maken. Wij kijken dan ook niet zozeer naar het proces zelf als naar de belemmerende factoren. Negatieve gedachten, vermijding, veel drinken, slecht slapen. Vaak gaan dingen samen en ze zijn allemaal van invloed op het proces. Maar het is zeer uniek, voor ieder mens is het anders.’

Die opmerking treft doel. De zusjes knikken driftig, dit is waarvoor ze naar Leeuwarden zijn gereden. Mirjam begint over de bekende vijf fasen van rouw waar mensen het vaak over hebben (meestal zonder ze alle vijf te kunnen opsommen): ontkenning, boosheid, confrontatie, depressie, aanvaarding. ‘Wij kregen negatieve reacties op hoe wij omgingen met de dood van onze ouders. Mensen vonden ons afstandelijk of kil omdat we niet de hele dag huilden bij een altaartje. Of ze waren ervan overtuigd dat we rouwfasen oversloegen. Terwijl wij juist het gevoel hadden dat we goed bezig waren: nuchter, de blik vooruit, verder met ons leven. Door die reacties begonnen we te denken dat ons misschien iets mankeerde.

‘Tegelijkertijd kregen we na een interview veel berichten van nabestaanden die blij waren dat er meer mensen zo mee omgingen, die ook niet in dat vijf-fasen-van-rouwding zaten.’

Sandra: ‘Na een maand of twee, drie begon iedereen tegen mij te zeggen: meid, jij gaat er zo makkelijk mee om, de klap komt nog wel. Echt, ik heb het zonder te overdrijven wel twintig keer te horen gekregen, als het niet vaker is.’

Mirjam: ‘We werden bijna bang om dingen te beleven, want ja, stel dat je ineens overvallen wordt door ‘de klap’.’

Jos: ‘Over rouw na de dood hebben veel mensen een mening, net als over het Nederlands elftal. Al die bondscoaches. Dat is met rouw ook, mensen weten hoe het moet en zijn daar stellig in. Zoals met die opmerking ‘Knap hoe je ermee omgaat’. Mensen willen iets zeggen en ze weten niet precies wat, ze bedoelen het goed.’

Sandra: ‘Ik vond het een belediging. Denk je dat ik niet verdrietig ben omdat ik nu lachend met jou sta te praten? Maar toch, nu, zoveel jaar later, vraag ik me nog steeds af: kan het zo zijn dat ik iets wegstop? Moet die klap nou nog komen? Ik hoop het niet, want ik heb het al best pittig gehad, vind ik zelf.’

Els Quaegebeur: Zoals vogels vliegen – Het bewogen bestaan van twee zusjes na MH17. Podium; 240 pagina’s; € 20,99. Verschijnt 27 september.

null Beeld Podium
Beeld Podium
Meer over