Mensen horen niet veel

Branford Marsalis is nu twintig jaar bezig met muziek, met of zonder zijn pop- en funkband Buckshot LeFonque. Hij denkt er elke dag over na, dus hoe kan een ander zijn werk nu écht begrijpen....

Frank van Herk

ALS DE DAME van het management vóór het interview vraagt of hij nog iets wil drinken, citeert Branford Marsalis een grap van Monty Python: 'Coffee? Tea? Cocaine?' Dat valt je toch even rauw op je dak als je bedenkt dat zijn pianist, Kenny Kirkland, eind vorig jaar is overleden aan een overdosis cocaïne. Het is de reden dat zijn laatste plaatopnamen, met Marsalis, nu uitkomen onder de titel Requiem.

Maar zo'n opmerking is typisch voor de 38-jarige Branford: hij is de grappenmaker van de Marsalis-clan uit New Orleans. Zijn beroemdere, trompet spelende broer Wynton is een jaar jonger, maar veel mensen denken dat hij de oudste is, vanwege zijn ouwelijke ernst en conservatieve instelling. Toch heeft tenor- en sopraansaxofonist Branford ondanks zijn humor en charme dezelfde neiging tot confronterende uitspraken en aan arrogantie grenzende zelfverzekerdheid als Wynton, trombonist-producer Delfeayo en de jongste telg, drummer Jason Marsalis.

Met die zelfverzekerdheid pleit hij wel voor een bredere muzikale aanpak dan zijn broers, die nogal aan de traditie vastgebakken zitten. Hij heeft in feite twee, parallel lopende carrières: hij speelt versterkte pop en funk met zijn groep Buckshot LeFonque, en daarnaast jazz met een akoestische bezetting. Die twee genres scheidt hij tamelijk strikt, maar ze beïnvloeden elkaar wel degelijk, want volgens hem zijn de beste musici zij die verder kijken dan hun eigen straatje.

'Straight jazz is home' voor Marsalis - het is de reden waarom hij professioneel musicus is geworden. Toch brengt hij relatief weinig jazzplaten uit: één met een kwartet en twee met een trio in de afgelopen tien jaar. Misschien omdat hij zich op dit gebied wat langzaam ontwikkelt; hij is een technische alleskunner die zich pas laat heeft ontworsteld aan de idolen die hij al jong vlekkeloos kon naspelen. Requiem is in elk geval het voorlopig hoogtepunt van zijn jazz-oeuvre, en de duidelijkste aanwijzing dat hij nu iets heeft toe te voegen aan het idioom.

Op de cd horen we vier muzikanten die precies weten wat de vorm van de compositie is, maar die vorm zelden expliciet weergeven. Het ritme en de harmonieën worden gesuggereerd en omspeeld, de structuur is een abstractie die alleen in de hoofden van de spelers zit, en moet worden opgeroepen bij de luisteraar. Het is een uiterst verfijnde, bijna decadente manier van omgaan met het aloude improviseren op akkoordenschema's, die niet altijd makkelijk is te volgen.

Daar staat echter veel tegenover. 'De melodieën zijn altijd aantrekkelijk, bijna mee te zingen. We besteden ook veel aandacht aan timbre, het moet gewoon mooi klinken. Ik hou erg van Richard Strauss en Mahler, die hebben aan de oppervlakte prachtige, serene melodieën, terwijl daaronder een hele complexe storm raast.

'Lykief gaat hierin misschien het verst. Het ritme wordt gestuurd door de melodie, en verandert daarom voortdurend. We halen soms even een vast tempo aan, om het weer snel los te laten. Daar komt nog bij dat de drummer, Jeff 'Tain' Watts, over de maatstrepen heen speelt. Ook hij weet precies waar hij zit in de song, maar hij slaat er iets anders overheen. Het is niet het 'tink tinky dink' waardoor je continu aan het ritme wordt herinnerd in veel conventionele jazz. Dat verwart veel luisteraars, want people don't hear very well.'

Marsalis grossiert in dit soort ferme uitspraken, zodat publiek en critici hem wel eens een hautaine instelling verwijten. Hij vindt zichzelf echter gewoon eerlijk. Als hij geïrriteerd overkomt, is dat omdat hij meegesleept raakt, hij kan niet vrijblijvend over z'n werk praten.

En bovendien, de luisteraar hoeft helemaal niets te weten over zijn vak om van het resultaat te kunnen genieten. 'Ik ben al twintig jaar bezig, er gaat geen dag voorbij dat ik niet speel en over mijn muziek nadenk, dan is het toch ook onmogelijk dat een ander, die geen instrument bespeelt, begrijpt waar ik mee bezig ben? De mensen moeten gewoon luisteren, de muziek spreekt voor zichzelf.'

Als je eerlijk en compromisloos jazz speelt is het gevolg, zoals zijn producer Delfeayo in de hoestekst zegt, dat je 'preekt voor een kleine gemeente'. Daar is helemaal niets mis mee, vindt Branford. 'Je hoort vaak musici verzuchten: hoe krijgen we een groot publiek geïnteresseerd in jazz? You don't. Waarom zou je geobsedeerd moeten zijn door grote getallen? Wat is er tegen een kleine, loyale kern van liefhebbers die je 25 jaar blijft volgen? Populaire cultuur is per definitie vluchtig. Madonna heeft ziljoenen dollars op de bank, maar hoe lang heeft haar carrière geduurd? Vijf, zes jaar? Nu houdt ze haar kleren aan en wint ze Grammy Awards, maar ze verkoopt veel minder.

'Een band als Chumbawamba was kort geleden waanzinnig populair in de VS, maar daar horen we binnenkort ook niks meer van. En ik wil geen Chumbawamba-jazz maken, ik wil platen uitbrengen waar ik ook later nog trots op ben, al verkoop ik er maar tien per jaar.'

M ARSALIS IS ook actief betrokken bij de zakelijke kant van de jazzwereld, als 'creative consultant' van zijn platenlabel, Sony/Columbia. Ook in die functie is hij eigenwijs, maar in dienst van het goede doel. 'Het hele idee van jazz-marketing is enorm uit de hand gelopen. Wat valt er te marketen als iemand geen talent heeft? Steek dat geld in een toernee van iemand die een creatief concept heeft, dan kan hij dat ontwikkelen.'

Pianist Joey Calderazzo (die Kirkland zal vervangen in het kwartet van Marsalis), werd op zijn laatste cd door zijn nieuwe werkgever gedwongen de essentie van zijn muziek vóór alles te laten gaan. 'Ik zei eerst dat er geen nummers op mochten in driekwartsmaat. Want die schrijft hij steeds, zonder het te beseffen. Ik wou hem dwingen daar eens over na te denken. Natuurlijk staan er toch twee stukken op in driekwartsmaat, maar nu gaat hij er bewuster mee om. En ik wilde ook per se een trio-bezetting, zonder beroemde gasten, want als hij straks gaat toeren, doen die toch niet mee, en ze leiden alleen maar af van wat hij zelf doet.

'Ik ben niet zo'n op roem beluste pencil dick, zo'n platenbons die de artiest wel eens even zal vertellen wat hij moet spelen als hij succes wil hebben. Do a Beatles tribute. Do a Thelonious Monk tribute.'

Toevallig? Broer Wynton, die vindt dat het na 1960 helemaal is misgelopen met de jazz, gaat een cd maken met Monk-stukken. 'En hij zal vast goed verkopen. Ach, dat is nu eenmaal zijn ding tegenwoordig, moderne interpretaties van veertig jaar oude muziek. Het zal ook wel gedaan moeten worden, maar niet door mij. Hij wil geloven dat onze muziek nog steeds bebop is, of dansmuziek - prima. Maar er wordt veel te veel gezeurd over vroeger.''Wat is er toch met de jazz? What went wrong?'' Helemaal niks, jazz went right. Ornette Coleman is fantastisch. Maak zo'n eerbetoon aan Monk maar, en gebruik de winst om (free jazz-tenorist) David Ware op te nemen.'

Als hij zelf moderne dansmuziek speelt, met Buckshot, doet Branford Marsalis alweer precies wat hij wil. 'Zo hoort het toch? Shakespeare schreef vast ook voor zichzelf. Ik zie het helemaal voor me, zoals hij zat te pennen. ''Dit is te gek. This is fuckin' funny. That'll get 'em.'' We hebben voor zestig mensen opgetreden die ons niet-begrijpend aanstaarden, maar we trokken ons er niets van aan, we speelden dat de damp ervan af sloeg.'

Toch lijkt Marsalis wat verbitterd over het geringe succes van Buckshot LeFonque. Hij wijt het ten dele aan de grote variatie in het repertoire, dat hiphop en funk afwisselt met jazzsolo's en romantische popliedjes - veel mensen houden nu eenmaal maar van één klein dingetje. Maar het is ook een kwestie van imago, denkt hij. 'We zijn een zwarte band, en zwarte mensen hebben in de huidige popcultuur geen bands. Die hebben zanggroepen die melige liedjes zingen en goed kunnen dansen. We don't dance worth shit. Wij staan alleen maar te spelen. En het publiek betaalt wel voor blanke mensen die alleen maar staan te spelen, maar niet voor zwarte.'

D E DANSRITMES van Buckshot sijpelen soms door in zijn jazzstukken, zoals de improviserende aanpak van de jazz de 'fonque' wat losser maakt. Kruisbestuiving moet ook, vindt hij, maar hij ziet niets in een regelrechte fusie, die dan 'de toekomst van de jazz' zou vertegenwoordigen. Ritmesecties in de rock of de funk zijn te star, er is weinig wisselwerking mee mogelijk. En veel jazzmuzikanten weten niet hoe ze moeten omgaan met de agressievere grooves van iemand als James Brown, hoewel het tegenwoordig mode is met diens invloed te koketteren. 'Je hoort gewoon dat ze er niet mee zijn opgegroeid, dat ze er niks van begrijpen. Joshua Redman maakt van I Feel Good gewoon een lullig poppy bluesje. Funk-beats op jazzplaten, daar word ik bijna altijd heel treurig van.'

En de trend jazzbewerkingen te maken van hedendaagse popsongs deprimeert hem zo mogelijk nog meer. Hij zingt zo dreinerig mogelijk een hitje van Alanis Morisette, en Smells Like Teen Spirit van Nirvana. 'Wat moet je daar nou mee? De liedjes van nu hebben een dodelijk gebrek aan melodie. Herbie Hancock heeft wat van dat spul opgenomen voor The New Standard, maar hij moest er hele nieuwe schema's onder plakken, het ritme van de melodie veranderen, tot je de liedjes niet eens meer herkende. Hoe kunnen het dan new standards zijn?'

Toch werkt Marsalis het liefst met muzikanten die wel op de hoogte blijven van andere genres, want hoewel ze nooit zullen samenvloeien met jazz, kun je er wel veel aan hebben bij het vormen van een eigen stijl. 'Ik sprak hier in Nederland een meisje dat sax speelde, en ik vroeg waar ze naar luisterde. Miles Davis, Cannonball Adderley en zo. Dat zijn dezelfde dingen waar iedereen naar luistert! Ik weet zeker dat mijn laatste cd klinkt zoals hij doet omdat ik veel van opera houd. You're in a very long line, honey, zei ik. Breid je repertoire uit. Je moet juist in die korte rij gaan staan.'

Meer over