Menselijke warmte in de kosmische permafrost

Astronomen leven van de fascinatie. De geboorte van sterren op onbegrijpelijke afstanden heeft nauwelijks enige praktische betekenis. Toch haalde een foto van de Adelaarsnevel, 'de sterrenkraamkamer' vorig jaar wereldwijd de voorpagina's van kranten....

Uit een kruisbestuiving tussen de twee groepen komt de vraag voort of er leven bestaat buiten de aarde. Nog niet eens zo lang geleden was die vraag voor astronomen te ver van het bed, maar de laatste jaren is het ruimte-onderzoek in een stroomversnelling gekomen die de vraag binnen het bereik van serieuze wetenschappelijke bespiegelingen heeft gebracht. De zoektocht naar levensvatbare plaatsen buiten de aarde is begonnen. In Tweeling aarde beschrijft wetenschapsjournalist Govert Schilling de zoektocht en de resultaten die deze tot nu toe opleverde.

Schilling, die al verschillende andere populair-wetenschappelijke boeken over het heelal op zijn naam heeft staan, begint zijn boek enigszins plichtmatig met de vondst van Copernicus dat de aarde om zon draait in plaats van omgekeerd. Jammer is dat hij vervolgens ook het fabeltje napraat als zouden Giordano Bruno en Galileo Galilei door de inquisitie zijn veroordeeld wegens het verdedigen van Copernicus.

In werkelijkheid belandde Bruno op de brandstapel wegens een hele reeks ketterijen, die met Copernicus weinig van doen hadden. Galilei had voor zijn boek zelfs vooraf toestemming gekregen van zijn vriend paus Urbanus VIII, maar beging vervolgens de fout de kerkelijke visie als 'simpel' te betitelen. Voor die arrogantie werd hij gedwongen zijn ideeën te herroepen, waarna hij ze als 'gevangene' van de bisschop van Siena weer luid mocht rondbazuinen.

In de recente geschiedenis is Schilling beter thuis. De vele gesprekken die hij met direct betrokken astronomen voerde, maken dat hij een levendig en persoonlijk beeld kan schetsen van de speurtocht naar planeten buiten het zonnestelsel. Het verhaal begint in een bovenwoning aan de Amstel, domicilie van Peter van der Kamp, de nestor van de planetenjagers. Veertig jaar hield hij de Ster van Barnard in de gaten, overtuigd dat de schommelingen in de baan van de ster wezen op de aanwezigheid van twee planeten. Anderen meenden echter dat de schommelingen aan zijn telescoop te wijten waren.

Vijf maanden na de dood van Van der Kamp in mei 1995 was het raak: Michel Mayor en Didier Queloz maakten de ontdekking bekend van een planeet bij de ster 51 Pegasi, die veel lijkt op de zon. Ruim drie jaar eerder waren al enkele planeten gevonden, maar die cirkelden om pulsars, knipperende sterren die zoveel straling uitbraken dat van leven geen sprake kan zijn. Die planeten telden dus niet echt mee.

Sinds de ontdekking van Mayor en Queloz worden vrijwel maandelijks nieuwe planeten gevonden - hoewel 'gevonden' een groot woord is, 'afgeleid' zou beter zijn. Het bestaan van de planeten wordt namelijk afgeleid uit schommelingen in de baan van een ster. Alleen de zwaartekracht van een groot object in de buurt van de ster kan dergelijke schommelingen veroorzaken.

Omdat een grote zwaartekracht belangrijk is voor de meting, zijn de tot nu toe gevonden planeten allemaal ongeveer van het formaat Jupiter. Voor kleinere planeten zijn nauwkeuriger metingen nodig en die zijn op aarde vanwege atmosferische storingen slecht te verrichten.

Hoewel op het aardoppervlak nog steeds nieuwe, almaar grotere telescopen verrijzen, is de ruimte voor astronomen de favoriete omgeving geworden om vanuit te meten. Schilling zet in het tweede deel van zijn boek de plannen voor satellieten en ruimtesondes op een rijtje. De GAIA-kunstmaan van ESA, te lanceren ergens in de volgende eeuw, moet grote aantallen planeten opsporen.

Het derde en laatste deel van Schillings boek haalt het bewijsmateriaal dichterbij huis. Zolang er nog geen aarde-achtige planeten ver weg gevonden zijn, blijft de speurtocht naar leven beperkt tot het eigen zonnestelsel. Daar zijn tenslotte ook wel wat kandidaten.

Kandidaat nummer één is de aarde zelf. Dat klinkt raar maar in tweede instantie is het toch wel logisch. Als een apparaat leven buiten de aarde moet ontdekken, ligt het voor de hand hem na lancering even terug te laten kijken om te zien of er iets te detecteren valt.

De ruimtesonde Galileo kreeg die opdracht en vond in de aardse dampkring zuurstof en methaan in zulke hoeveelheden dat daarvoor een biologische bron moest zijn. Galileo ving ook elektromagnetische straling van niet-natuurlijke bronnen op, maar aangezien niet iedere levensvorm radio en tv zal bezitten, zijn die signalen minder bruikbaar. Dat laat overigens niet verlet dat een groepje astronomen enthousiast de ruimte afluistert naar radio-uitzendingen van buitenaardse oorsprong.

Andere kandidaten voor leefbare werelden zijn de maan, Mars, Venus, de Saturnusmaan Titan en de Jupitermaan Europa. Op de maan is leven mogelijk, zo constateerden NASA-onderzoekers tot hun eigen verbazing nadat de maanlander Surveyor 3 na 950 dagen teruggehaald werd naar de aarde. Een kleine kolonie bacterieën in de lander bleek het al die tijd overleefd te hebben. De meeste aandacht gaat echter uit naar Mars, waar ooit water stroomde. Een op Antarctica gevonden Marsmeteoriet zou 'nano-fossielen' bevatten, hoewel de omstandigheden op Mars tegenwoordig levensvijandig zijn.

Gaandeweg het boek wordt duidelijk hoeveel geluk de aarde door de miljarden jaren heen heeft gehad. De zon heeft precies de juiste sterkte om lang mee te gaan, de aarde staat op precies de juiste afstand om niet te koud en niet te warm te zijn, de aanwezigheid van één enkele grote planeet (Jupiter) leidt tot een stabiel zonnestelsel en vangt veel kometen af, de maan veroorzaakt mede het aardmagnetisch veld dat kosmische straling wegvangt. Het zijn allemaal voorwaarden om leven op basis van water en DNA mogelijk te maken. De zoektocht naar een planeet die aan al die voorwaarden voldoet, de tweeling-aarde, zal daarom nog de nodige voeten in de aarde hebben.

Schilling vertelt over die zoektocht met een goed gevoel voor menselijk drama. Naast de sterren, bruine dwergen en planeten spelen ook de wetenschappelijke helden die op hen jagen een hoofdrol, zoals Andrew Lyne, die de eerste planeet bij een pulsar aankondigde, maar bij zijn eerste lezing erover moest bekennen dat de planeet eigenlijk een fout in de software was. En Alexander Wolszczan als de nummer twee die te horen krijgt dat de winnaar gediskwalificeerd is.

Door deze invalshoek krijg Schillings boek de juiste temperatuur, niet de kilheid van de kosmische permafrost, niet de verzengende hitte van botsende sterren, maar menselijke warmte. Want uiteindelijk - en dat weet Schilling ook - betreft de fascinatie slechts in de tweede plaats de mogelijkheid van leven op miljoenen lichtjaren afstand. De eerste fascinatie is de mens zelf, zijn uniciteit en zijn vermogen het heelal te temmen door erover te weten.

Christian Jongeneel

Govert Schilling: Tweeling aarde, de speurtocht naar leven in andere planetenstelsels

Wereldbibliotheek; ¿ 45,-

ISBN 90 284 1749 4

Meer over