Men wordt dringend verzocht zich ordelijk te gedragen Kurt Schwitters, de Pieter Bruegel van de moderne kunst

Het beeldend werk en de soirées van Kurt Schwitters markeren de geboorte van de abstracte kunst in Nederland. De Stadsgalerij Heerlen heeft de wereld van Dada gereconstrueerd....

OP 20 januari 1923 schreef de Haagsche Post, in haar rubriek Nuttige wenken: 'Vlekken op messen kunnen verwijderd worden met een rauwen aardappel die in wat steengruis gedoopt is.'

Boven die rubriek stond een lang artikel, onder de kop 'De zelfoverwinning van Dada'. En de auteur van dat stuk schreef onder meer: 'Dada is in geen geval humoristisch, zooals de meeste bezoekers der dada-soirées meenen. Dada is ook niet mystisch of transcendentaal. Dada is het gezicht van onzen tijd. Dada is het lawaai der machine. Dada is het kaartspel van den burger om een tienden ''Pfennig''. Dada is, wanneer iemand met een D-trein de heide oprijdt, om in een romantisch slootje te gaan roeien. Dada is iemand die te paard zijn huis binnenrijdt. Dada is de valuta, de smokkelhandel, het ''Schiebertum'', het Duitsche gemoed, Caruso op de grammophoon, de aeroplaan en de hengelaar die twaalf uur enthousiast hengelt en niet éé stekeltje vangt.'

Die auteur was Kurt Schwitters, op dat moment 35 jaar oud, de zoon van een makelaar uit Hannover. Of de toenmalige eindredactie van het opinieblad moedwillig haar vaste adviesrubriek onder dat stuk heeft geplaatst, is niet meer na te gaan. Maar opmerkelijk is het wel: geen krasser onderscheid dan tussen het huishoudelijke en utilitaire gedachtengoed en een kunstopvatting die elke verhouding tussen boodschap en betekenis ongedaan wist te maken.

Kurt Schwitters verbleef op dat moment in Nederland. De term Dada-soirées zoals die in het aangehaalde artikel wordt gebruikt, sloeg op de tournee die Schwitters samen met Nelly en Theo van Doesburg en de schilder Vilmos Huszár door Nederland maakte, in de maanden januari en februari 1923. De tournee strekte zich uit van de Randstad tot in Tilburg en 's-Hertogenbosch, en uit het gereconstrueerde programma blijkt dat het gezelschap zelfs in het Friese gehucht Gorredijk een avond heeft verzorgd.

Een geanimeerde chaos moet het zijn geweest: uit de verslagen is bekend dat in Amsterdam en Utrecht de politie eraan te pas moest komen, en voorafgaand aan de soirée in Den Bosch schreef de Provinciaalse Brabantsche en 's-Hertogenboschse Courant: 'Men wordt dringend verzocht zich ordelijk te gedragen vooral wanneer vreemde voorstellingen en geluiden tijdens het eventueel duister worden van de zaal, worden gezien of vernomen.'

Wie ooit de geluidsopname heeft gehoord die van Schwitters' Ursonate bewaard is gebleven, kan zich een voorstelling maken van wat er in al die verschillende Diligentia's, Kunstkringen en Bellevues aan klanken moet zijn geproduceerd. De geboorte van de abstracte kunst ging gepaard met de behoefte om geluid voort te brengen zonder enige aanwijsbare vorm van betekenis - op de manier waarop muziek geen betekenis heeft - en samen met de Russische dichter Velimir Chlebnikov kan Kurt Schwitters als de Urheber van dit beginsel worden beschouwd. Het is niet zozeer dat de klanken geen betekenis hebben, het is eerder dat die is weggelaten - ongeveer op de manier waarop aan het geluid van een machine of van een trein geen wezenlijke functie valt te geven. Vandaar vermoedelijk ook de ingeving dat de Dada-manifestaties 'in geen geval' als humoristisch moeten worden gezien. Ook humor behoort immers tot het domein waar de dingen betekenissen dragen.

De overgang van klank naar beeld draagt bij Schwitters dan ook eerder een gradueel dan een essentieel karakter. De collages die vanaf 1919 onder zijn handen in elkaar worden geplakt, zijn te beschouwen als het visuele equivalent van de klankpoëzie: in geen enkel opzicht, volgens geen enkel systeem wordt er iets gerepresenteerd. Ook al zien ze eruit als voorwerpen met een dubbele bodem, dan ligt dat voor honderd procent aan de reflexmatige behoefte van de waarnemer, aan het automatisme waarmee men zich afvraagt welke interpretatie men dient te verzinnen.

Een overzicht van de collages die Schwitters tijdens zijn talrijke bezoeken aan Nederland maakte, is vanaf vorige week te zien in de Stadsgalerij in Heerlen. Losse papiertjes, vervoersbewijzen van de Haagse tram, entreebiljetten, de verpakking van lang geleden verdwenen sigarettenmerken (Caravellis Frères, Caïro) of de bijsluiters bij hoofdpijnpoeders - het is alles geheel dankzij het toeval georganiseerd (le génie prend son bien partout où il le trouve). En dankzij Schwitters' uitmuntende gevoel voor compositie: wat van een afstand associaties oproept met een onopgeruimde schrijftafel, is dichterbij een soort ordelijke wanorde, een intuïtieve zorgvuldigheid waarmee de samenstellende elementen 'net niet helemaal recht maar wel precies goed' zijn neergelegd.

Maar het blijven Merzbilder, verwijzend naar een betekenisloos universum dat - omdat het toch een naam moest hebben - door Schwitters Merz werd genoemd (een toevallige lettergreep uit een toevallige bedrijfsnaam, die van de Duitse Commerzbank). Later zou Schwitters het collageprincipe tot een driedimensionale benadering verheffen, in zijn huis in Hannover, waar uit toevallige componenten een soort grot (Merzbau genaamd) werd gefabriceerd, die ook in het geheel geen aanwijsbare functie vervulde.

Om toch enigszins in zijn onderhoud te kunnen voorzien, verleende Schwitters zijn diensten als typograaf en reclame-ontwerper. Een aantal specimina zijn in Heerlen bijeengebracht, waaronder een ontwerp voor de Duitse inktfabriek Pelikan, destijds een bedrijf dat zich op vormgevingsgebied als nogal vooruitstrevend opstelde. Heldere achtergrond, zwarte en rode letters, symbolen en vlakken, maar tegelijkertijd met ouderwets geclicheerde inktflesjes en stempelkussens.

Els Hoek heeft gelijk, wanneer zij in de catalogus opmerkt dat Schwitters als typograaf gebukt moet zijn gegaan onder een soort horror vacui en dat hij duidelijk de mindere was van zijn Nederlandse collega's Piet Zwart en Paul Schuitema. Anders dan de collages, die bijna per definitie beeldvullend moesten zijn, was het 'weglaten', het leeg houden, niet Schwitters' sterkste typografische punt. Vermoedelijk liep hij zichzelf voor de voeten, in het bijna naïeve plezier dat Schwitters achteraf tot een van de voornaamste 'primitieven' van de twintigste-eeuwse avantgarde zou kunnen bestempelen - de Pieter Bruegel van de moderne kunst.

Binnen de spierwitte, Spartaanse architectuur van Jo Coenen krijgen Schwitters' collages in de Heerlense Stadsgalerij een bijna anachronistische uitstraling. Maar het is vooral die herinnering aan gluton en andere zetmeelhoudende plakmiddelen (die hele wereld waarin men zijn messen met een aardappel oppoetste), die aan de expositie zo'n bevrijdend karakter verleent.

Kurt Schwitters in Nederland. Stadsgalerij Heerlen, tot en met 8 juni.

Meta Knol (red.): Kurt Schwitters in Nederland. Merz, De Stijl & Holland Dada. Waanders, ¿ 45,-.

Meer over