Mels Crouwel

InterviewArchitect Mels Crouwel

Mels Crouwel is een van de beeldbepalers van Nederland : ‘Wij bouwen absoluut niet voor de eeuwigheid’

Mels CrouwelBeeld Eva Roefs

Hij is een van de beeldbepalers van Nederland: architect Mels Crouwel, die als oud-rijksbouwmeester tegen de verrommeling van het landschap strijdt. ‘Iedereen wil een huisje met een tuintje, maar dat is niet de oplossing voor de problemen van nu.’

‘Ik vind het thuiszitten niet erg’, zegt Mels Crouwel via Facetime: behalve zijn markante hoofd met het witte haar en de zwarte bril zijn nog net de rugleuning van een bank en een kunstwerk achter hem aan de wand te zien. ‘Ik heb in het voorjaar altijd wat last van mijn longen en ik ben 67, dus ik behoor tot de risicogroep. Ik moet oppassen, en dat doe ik ook. Af en toe loop ik buiten een rondje, maar ik ga niet bij winkels naar binnen. Mijn zoon zou het virus gehad kunnen hebben volgens zijn huisarts, dus toen hij me laatst iets wilde brengen, ging dat op grote afstand, met tasjes en handschoenen en veel geïmproviseer.’

Het is eind maart; nog te vroeg om in paniek te raken over het voortbestaan van architectenbureau Benthem Crouwel dat hij 41 jaar geleden met collega Jan Benthem heeft opgericht. Ze hebben al eerder recessies overleefd en bovendien is het bureau met 65 medewerkers op vier locaties – Amsterdam, Düsseldorf, Parijs en San José (VS) – zó groot en heeft het zó veel projecten onder handen – musea en andere gebouwen, stations, datacenters, de renovatie van de Afsluitdijk – dat het wel een stootje kan hebben. Bovendien is Crouwel, de kalmte zelve, er de man niet naar om in paniek te raken. Maar zorgelijk is de situatie natuurlijk wel. Architectenbureaus krijgen doorgaans flinke klappen van een economische recessie; bij het hunne zijn nu al een aantal projecten on hold gezet, andere worden mogelijk afgeblazen.

Waagt u zich eens aan een voorspelling? Wat betekent deze crisis voor de bouw en voor uw bureau? 

‘Het is nu anders dan bij alleen een economische crisis, de veranderingen zullen vermoedelijk groter zijn. Het grootschalig werken op afstand kon weleens betekenen dat er heel anders over kantoorbouw gedacht gaat worden en dat er veel meer deelwerkplekken komen. Een andere ontwikkeling die al aan de gang was, dat veel winkels in de binnensteden het niet redden, heeft tot gevolg dat al die panden herbestemd moeten worden. Tot woningen bijvoorbeeld, want we hadden al een achterstand in de woningbouw door de stikstofcrisis, en nu komt de coronacrisis daar nog eens overheen. Om het wonen niet verder in de knel te laten komen, worden er nu hopelijk versneld goede oplossingen bedacht. Prefabwoningen bijvoorbeeld, waarvan grote onderdelen uit de fabriek komen die op de bouwplaats in elkaar worden gezet. Toen wij 41 jaar geleden met ons bureau begonnen, werkten we al zo: de grensposten die we toen maakten, waren een soort bouwpakket. Dat is nu weer actueel.’

Het klinkt alsof u vooral kansen ziet. 

Brede glimlach op het scherm: ‘Ja, natuurlijk liggen er kansen!’ Meteen weer serieus: ‘Maar het is niet het juiste moment om alleen over kansen te praten. Het is een ellendige situatie nu.’

Het is bijna onmogelijk om in Nederland te wonen en geen kennis te nemen van zijn werk. Wie weleens met de trein reist, een museum bezoekt of op Schiphol komt, zit er middenin, doorgaans zonder het te weten. Stations (Utrecht, Rotterdam, Den Haag, Amsterdam), musea (De Pont in Tilburg, de uitbreiding van het Stedelijk Museum in Amsterdam), grote infrastructurele projecten als Schiphol en de Noord-Zuidlijn in Amsterdam, de Ziggo Dome, het cilindervormige, blauwe Fletcher-hotel langs de A2 tussen Utrecht en Amsterdam: allemaal werk van Benthem Crouwel Architecten, hoe verschillend ook. Net als zijn vader, de grote vormgever Wim Crouwel, kun je Mels Crouwel gerust een van de beeldbepalers van Nederland noemen. Als rijksbouwmeester (2004-2008) verzette hij zich tegen de verrommeling van het landschap; als architect staat hij voor degelijkheid en functionaliteit.

Wat is eigenlijk de gemene deler van al die verschillende projecten en gebouwen? Is er zoiets als een Benthem Crouwel-handschrift? 

‘Het zijn vaak publieke gebouwen die door grote groepen mensen gebruikt worden. Dat betekent dat ze goed in elkaar moeten zitten, tegen een stootje moeten kunnen en niet te modieus zijn, waardoor mensen na 20 jaar niet zeggen: wat is dit voor een raar gebouw? Ze moeten vooral gewoon goed functioneren. Dat betekent dat we voornamelijk bezig zijn met oplossingen verzinnen en problemen voorkomen. Een vroeg voorbeeld is onze nieuwbouw voor het Anne Frank Huis; daar moeten jaarlijks een miljoen mensen door dat kamertje van twee bij drie. Bij Schiphol en de Noord-Zuidlijn is het eigenlijk niet anders: daar moeten heel veel mensen langs barrières geleid worden op een zo onzichtbaar mogelijke manier.’

Dat klinkt heel dienstbaar. 

‘Ja, dat is het ook.’

U bent met uw bureau nooit een starchitect geworden met een uitgesproken eigen stijl, zoals bijvoorbeeld Frank Gehry.

‘Nee, dat hoeft voor ons niet per se. Wij zijn behoorlijk serieuze architecten die samen met opdrachtgevers naar de best mogelijke oplossingen voor een gebouw zoeken, en dat betekent dat die gebouwen elke keer weer anders zijn. Ik hoop dat je aan de details af en toe kunt zien dat ze van ons zijn, maar opvallen was nooit het uitgangspunt, nee.’

Beeld Eva Roefs

Een van uw jonge partners bij Benthem Crouwel zei ietwat zorgelijk: ‘Iedereen kent ons werk, maar niemand kent onze naam.’ 

‘Klopt, wij hebben ons nooit zo druk gemaakt om naamsbekendheid, maar het is voor de jongere generatie wel een punt om op te letten. De competitie is veel groter dan vroeger en het is zaak om als bureau niet in een bepaald hoekje te worden geduwd. Als je Schiphol hebt gedaan en een aantal grote treinstations, komen mensen niet zo snel meer bij je voor pakweg een woning. Terwijl we dat ook nog steeds heel graag doen, en voor dezelfde prijs als een ander.’

Zit u nu stiekem aan marketing te doen? 

Grijns: ‘Je zult wel moeten. Als je niet uitkijkt, wordt je altijd voor hetzelfde soort publieke bouwwerken gevraagd, terwijl we graag meer huizen zouden doen.’

Vier jaar geleden stond op deze plek een interview met Crouwels inmiddels overleden vader Wim, de legendarische grafisch ontwerper van onder (veel) meer de Nederlandse cijferpostzegel en het klassieke telefoonboek. Als iemand een herkenbaar handschrift had was hij het wel; zijn lettertype New Alphabet was naar een zo eigenzinnig stramien ontworpen dat het bijna onleesbaar was. ‘Ik ben een rechtlegger’, was een gevleugelde uitspraak van hem ; in de documentaire Wim Crouwel. Modernist wordt verteld hoe hij de kaas op zijn boterham in volmaakte vierkanten sneed.

‘Ik vind herkenbaarheid van het grootste belang’, zegt uw vader in die documentaire. ‘Ik heb respect voor ontwerpers van wie je aan het werk op een afstand kunt zien wie het gemaakt heeft.’ Dat is bij u dus doorgaans niet zo. 

‘Nou, in zijn tijd was het een groot goed om als ontwerper een geheel eigen signatuur te hebben, maar de wereld kan niet alleen uit Frank Gehry’s bestaan. Ik heb zelf meer bewondering voor een architect als Norman Foster, die heel verschillende gebouwen voor grote groepen mensen maakt. Zijn HSBC-bank in Hongkong is technisch een van de meest ingewikkelde gebouwen ter wereld.’

En in Nederland, wat zijn hier de beste gebouwen? 

‘O, dat zijn er veel. Het stadhuis in Terneuzen van architect Bakema is mooi, net als de Openluchtschool van Jan Duiker in Amsterdam...’

...waar u zelf op hebt gezeten. 

‘Precies ja, mijn vader heeft me ook daadwerkelijk op die school gedaan omdat hij het zo’n mooi gebouw vond. Herman Hertzberger heeft het Centraal Beheer-gebouw in Apeldoorn goed ontworpen, het Forensisch Instituut van – toen nog – Claus en Kaan functioneert heel goed. Er is veel kwaliteit op het gebied van architectuur in Nederland. Dat is er altijd al geweest.’

Op welk eigen gebouwen bent u trots? 

‘Dat gaat van Schiphol tot de Noord-Zuidlijn en het Stedelijk Museum, we zijn op best veel gebouwen trots. Ons allereerste huis was dat van Jan Benthem in Almere, dat hebben we met onze eigen handen van prefabonderdelen in elkaar gezet. Hij heeft er lang met plezier gewoond, terwijl het eigenlijk tijdelijk zou zijn, lichtgewicht en snel weer af te breken. Dat was een goede denkoefening, toen al, en ook weer een heel goed concept voor de huidige tijd.’

Wat staat er over tweehonderd jaar nog?

 ‘Geen idee. Sommige delen van de Noord-Zuidlijn vermoedelijk, die liggen vrij vast onder de grond. Maar veel gebouwen zijn helemaal niet voor zo lang bedoeld.’

Een architect wil toch bouwen voor de eeuwigheid? 

‘Nee, wij bouwen absoluut niet voor de eeuwigheid, dat is helemaal geen doel op zich. We zijn er niet op uit om monumenten te bouwen. Gelukkig zijn er architecten die dat wel doen, maar zo zitten wij niet in elkaar.’

Waarvan zegt u nu al: dat mogen ze wel afbreken? 

‘Geen enkel gebouw, natuurlijk.’

Is er niks in uw oeuvre waarvan u zegt: dat is niet goed gelukt? 

‘Van ons Ibis-hotel naast het Centraal Station in Amsterdam is de dakopbouw niet zo geslaagd. Maar dat is niet zo boeiend, dat voorbeeld heb ik in interviews al vaker genoemd.’

U noemt als projecten om trots op te zijn de Noord-Zuidlijn en het Stedelijk, allebei veelvuldig bekritiseerd. De Noord-Zuidlijn alleen al vanwege de eindeloze vertraging en de budgetoverschrijdingen, het Stedelijk vanwege de badkuip die u eraan hebt gebouwd. 

‘Alle verandering wordt in het begin negatief beoordeeld, dat is altijd zo geweest. Maar als het daarna een succes is, zoals de Noord-Zuidlijn, hoor je er niemand meer over. Het Stedelijk Museum heeft gelukkig tot veel discussie geleid, ja. Het is een uitgesproken gebouw.’

Is dat gelukkig, die discussie?

 ‘Ik denk dat het voor zo’n museum niet verkeerd is, een beetje extra aandacht. Maar dat is niet de doelstelling geweest. Het doel was de boel aan het Museumplein ook stedenbouwkundig te verbeteren en dat is, door de entree van het museum te verleggen, gelukt.’

Jan Benthem vertelde hoe frustrerend het was dat een recensent in The New York Times schreef dat het vernieuwde Stedelijk ‘het belachelijkste gebouw’ was dat hij ooit had gezien. 

‘Ja, dat was heel jammer, ook omdat het een gerenommeerd criticus is. Maar ik vond dat hij zijn kritiek niet had onderbouwd. Hij suggereerde dat wij per se een heel opvallend gebouw wilde maken, terwijl de vorm echt voortkomt uit de functie. De luifel, bijvoorbeeld, is ontworpen omdat het anders te heet wordt door de zon.

‘We hadden een afspraak met die recensent tijdens een pr-trip naar New York een paar weken eerder, maar die had hij afgezegd. Het lulligste zinnetje vond ik nog wel dat waarin hij het gebouw vergeleek met Bach of Beethoven – die recensent is een vrij goede pianist, vandaar de vergelijking – maar dan in een clownspak. Alsof onze vormgeving ongepast was. Hij had dat nooit zo opgeschreven als hij naar enige toelichting van onze kant had geluisterd. Dat stoort me.’

Maar hij hoeft de argumenten voor het ontwerp toch niet te kennen? Hij gaat af op wat hij ziet. 

‘Dat mag, het is een vakcriticus, en nogmaals: het heeft discussie opgewekt en dat is niet verkeerd. Een week later stond overigens in diezelfde krant dat een van de gebouwen die je móést zien in Amsterdam het Stedelijk Museum was. Zo is het ook wel weer. Dus het heeft er niet toe geleid dat we ons werk anders zijn gaan doen, of dat je thuis in een hoekje gaat zitten en denkt: ik kan het niet meer.’

Uw vader kreeg op een gegeven moment veel kritiek, werd de grondlegger van de Nieuwe Lelijkheid genoemd door zijn zakelijke stijl. Daarover zei hij: het heeft me alleen maar sterker gemaakt. Dat is bij u ook zo? 

Glimlach: ‘Ik denk dat ik me er wat minder druk over maak dan hij deed. Want dat deed hij wel degelijk, hoor.’

Hoe was het om op te groeien als zoon van een vader die zichzelf een ‘rechtlegger’ noemde, betekende dat strenge orde in huis? 

‘O, dat was in de praktijk veel minder erg dan jij nu denkt. Mijn vader was zeer goed in het in stand houden van zijn eigen imago, dus hij vond het schitterend om dat te herhalen, maar het is allemaal zwaar overdreven. Natuurlijk, hij was zeer gestructureerd. Maar het was ook een uitermate aimabele man die met zijn strengheid anderen niet lastigviel.’

Het moet voor Mels best een belasting zijn geweest om op te groeien met zo’n beroemde vader, zegt zijn bureaupartner Jan Benthem; voor je het weet worden er vergelijkingen getrokken en sta je in zijn schaduw. Daarom is hij ook architect geworden, zegt Crouwel, en geen grafisch vormgever zoals zijn vader. Vraag je hem vervolgens naar zijn broer, die wél grafisch vormgever is geworden en een ontwerpbureau heeft in Almelo, dan antwoordt hij dat dat geen onderwerp van gesprek is. Gereserveerde glimlach – zodra het over privézaken gaat, gooit Crouwel de boel op slot. Vraag hem naar zijn jeugd, zijn twee zonen – de een in de media, de ander in de muziek –, zijn eerste en tweede huwelijk en hij wordt ongemakkelijk. Zelfs een onschuldige vraag naar zijn geluksmomenten levert gegeneerd gemompel op (‘Met het gezin ergens op een mooie plek zijn, maar is dat interessant?’). 

Het is in wezen een diepgevoelde bescheidenheid van een man die van huis uit heeft meegekregen dat het niet om jou gaat, maar om wat je bijdraagt aan de wereld. Zijn vader stond als functionalist aan de basis van het Goede Wonen – ruimte, licht en lucht, ook voor arbeiders in kleine woningen – en hij zet de lijn voort door fatsoenlijk te bouwen. ‘Voor iedereen, volgens het gelijkheidsprincipe. Grote groepen mensen moeten er plezier aan beleven, daarom hebben onze gebouwen ook niet één stijl. We proberen niet de maatschappij in onze gebouwen te persen, het is andersom, die gebouwen zijn er voor de maatschappij. Maar eh... dit klinkt allemaal wel een beetje hoogdravend.’

U zei dat u graag meer woningen zou ontwerpen. Hoe ziet goed wonen er anno nu uit? 

‘Nieuwe woningen moeten écht duurzaam zijn, van verantwoorde materialen als hout en staal. Nederland heeft al een mooie traditie van houtbouw en dat zou weleens veel meer toegepast kunnen worden de komende tijd. Daarbij ben ik altijd al een voorstander geweest van flexibel wonen, en nu al helemaal. We moeten systemen ontwikkelen waardoor huizen – en nu ook ziekenhuizen – snel in elkaar gezet kunnen worden en door de gebruikers zelf af te maken zijn. Naar eigen inzicht, met bewegende delen; het klimaat wordt warmer en natter, dus een huis moet opengeklapt kunnen worden als je buiten kunt zitten, maar waterdicht zijn als het plenst.’

Iets later, grinnikend, als het gesprek komt op het (Jan) Rietveldhuis in Tienhoven waar hij jaren met zijn gezin heeft gewoond: ‘Daar heb ik een glazen uitbouw aan gemaakt omdat we optimaal in de omringende natuur wilden zitten. Die werd veel te heet als de zon scheen en waterdicht was het ook niet echt, dus zo moet het allemaal níét.’

Wat vindt u van historiserende nieuwbouwwijken, waarin de huizen trapgevels hebben? 

‘Die vind ik natuurlijk verschrikkelijk, maar beter goed gejat dan slecht ontworpen, en bovendien: ieder zijn meug. Maar dat is niet het bouwen voor de toekomst – huizen met halfsteensmuren en tochtige kozijnen zijn niet de oplossing voor de problemen van nu. Door het energieprobleem zullen huizen er beslist anders uit gaan zien. We moeten véél bouwen en we moeten dicht op elkaar bouwen, want onbeperkt ruimte is er niet. Dat is dus wat anders dan iedereen een huisje met een tuintje; er zal gestapeld moeten worden. Ook in hoogbouw kun je prettig wonen, energiezuinig en met goede buitenruimtes, daar zijn al heel goede voorbeelden van. Zo bouw je op de toekomst gericht.’

Beeld Eva Roefs

U woont zelf in een heel oud huis in de Amsterdamse binnenstad, heb ik begrepen. 

Crouwel staat op, loopt met zijn telefoon door de kamer om het een en ander te laten zien. ‘Het is een huis uit 1670, ja, dus een rijksmonument. Ik heb zelf het interieur vernieuwd, de aannemer is nog bezig. Ik heb het gas laten weghalen en het huis zo geïsoleerd dat het niet slecht is voor de oudbouw. Kijk’ – hij draait de camera naar het plafond – ‘er zijn voorzetwanden twee centimeter los gehouden van de oude balken, zodat het huis kan ventileren.’ Hij loopt naar de trap, in de lichte, witte kamer zijn designstoelen en een strakke bank te zien. ‘De trap was er zo slecht aan toe dat de helft van de treden vervangen moest worden, maar waar het kon hebben we de originele, afgesleten treden uit 1670 laten zitten. Dat loopt wat lastig, maar zo is het wel een mooie mix van gerestaureerd en nieuw.’

Klopt het dat dit een van de huizen is die waren verzakt door de aanleg van de Noord-Zuidlijn? 

‘Dat klopt, maar dat hoeft wat mij betreft niet in de krant.’

Maar u bent de grote man achter die metrolijn. 

‘Nou, deze woningen zijn verzakt door de bouwkuip van de metro, dat is niet het deel waar wij aan werkten, wij ontwierpen de stations. Maar het kwam wel degelijk door de Noord-Zuidlijn, ja. De gemeente heeft die woningen gekocht, hersteld en later geveild. Je kon dus bieden, anoniem en in een gesloten envelop, en zo heb ik een van die huizen gekocht.’

Fotograaf Jannes Linders, die veel voor uw bureau werkt, zei: ‘Dat Mels de negatieve publiciteit rond die verzakkingen door de Noord-Zuidlijn heeft omgedraaid naar iets positiefs, maakt het wonen in dat huis tot een soort triomf.’ 

Klein lachje: ‘Nou... het is mooi dat hij dat ziet.’ Meteen: ‘Nee hoor, ik woon hier vooral vanwege de fantastische plek in de binnenstad. Ik kan vanuit hier in twintig minuten de hele stad belopen.’

Hoe is het om na jaren buiten wonen weer terug te zijn in Amsterdam, waar u bent opgegroeid? 

‘Het bevalt heel goed. Ik ben wel geschrokken van de staat van de stad op sommige plekken, zoals de Nieuwendijk en de kop van de Haarlemmerdijk. Daar zijn alleen nog maar toeristen. Er is niks meer van het gewone Amsterdam over, mensen komen er alleen om te lallen, te drinken en te roken. Al is dat op het moment wel anders natuurlijk, want nu zijn er geen toeristen. Je hoort al een hoop Amsterdammers zeggen: mag dit zo blijven? Maar dat is onzin, want de stad is voor iedereen.’

Volgens het gelijkheidsprincipe. Tenslotte: wat maakt nou dat een huis zo gebouwd is dat het functioneert als een fijn thuis? We brengen er deze dagen allemaal heel veel tijd door. 

‘O, dat wordt bepaald door de mensen die er wonen en hoe ze met elkaar omgaan. Ieder huis kan een gezellig thuis zijn, maar datzelfde huis kan ook een verschrikkelijke plek zijn. Daarom zegt het nog niks over het eindresultaat als een opdrachtgever met een grote zak geld zegt: bouw hier maar een mooi huis van. Architectuur is niet het belangrijkste. De ménsen zijn het doel.’

CV Mels Crouwel

1953 Geboren (en getogen) in Amsterdam

1978 Studeert af in Bouwkunde aan de TU Delft

1979 Richt Benthem Crouwel Architecten op samen met studiegenoot Jan Benthem

1981 Eerste opdracht voor Schiphol: een fietsenstalling

1984 Ontwerp en bouw eigen huis Jan Benthem, ‘De Fantasie’ in Almere

1993 Museum De Pont, Tilburg

1995 Schiphol Plaza

1996 Malietoren Den Haag

1999 Nieuwbouw Anne Frank Huis, Amsterdam

2002 Fotomuseum FOAM, Amsterdam

2008 Penthouse Las Palmas, Rotterdam

2012 Ziggo Dome, Amsterdam

2012 Uitbreiding Stedelijk Museum, Amsterdam

2013 Centraal Station Rotterdam

2014 Centraal Station Utrecht

2018 Stations Noord-Zuidlijn, Amsterdam

2022 Labgebouw UVA, Amsterdam

2024 Station op vliegveld Charles de Gaulle, Parijs

Genoemd werk is slechts een greep uit het oeuvre van Benthem Crouwel Architecten.

Van 2004-2008 was Mels Crouwel rijksbouwmeester.

Hij heeft twee zonen en woont in Amsterdam. 

Meer over