Meer Zulu-trommen en boogharpen, graag

In het Amsterdamse Muziektheater zijn vaak scènes te zien die je in behoudender operacentra niet zult verwachten. Maar een Traviata die van haar sterfbed opstaat om heupwiegend het hiernamaals te betreden, dat had zelfs Pierre Audi nog niet bedacht....

Prinses Magogo, opgevoerd door het Zuid-Afrikaanse gezelschap African Renaissance Opera en bijgenaamd ‘de eerste Zulu-opera’, had in Durban anno 2002 al het effect dat ‘een mens grootoog aan die kunstenaars se lippe en voete hang’, zoals een Zuid-Afrikaanse krant recenseerde. Na Chicago is Amsterdam de derde stad waar het stuk te zien is, ditmaal met het orkest Holland Symfonia in de bak. Het publiek herkende zaterdag onmiddellijk de novelty-waarde.

Het beloonde de mezzosopraan Sibongile Khumalo (prinses Magogo) en het African Opera Chorus met een applaus dat langer aanhield dan bij een gemiddelde Puccini (die in de orkestklank van Prinses Magogo trouwens vaak de kop opsteekt). Maar er waren na de pauze ook lege stoelen te zien. Gecomponeerd door Mzilikazi Khumalo op een libretto van Themba Msimang, vertegenwoordigt Prinses Magogo, gebaseerd op de ware lotgevallen van een zangeres en koningsdochter, de eerste poging westerse en Afrikaanse idiomen in één mal te persen die we hier opera noemen. Hetgeen, om met de Westkaapse Die Burger te spreken, ‘nie maklik is nie’.

De opera begint met een ziekbed dat aan het eind van de opera een sterfbed blijkt. Herinneringen van de vrouw die hier tot haar voorouders wordt geroepen, vormen de kern van het spektakel.

Constance Magogo Uzulu ka Dinizulu is een sleutelfiguur in het hernieuwde cultuurbewustzijn van de Zulu-gemeenschap. Ze stierf in 1984 op hoge leeftijd. Haar zang en poëzie zijn onder meer vastgelegd in opnamen die werden gemaakt in de kraal van Chief Buthelezi in Natal: kwetsbare solozang van grote lyrische intensiteit, waarin de Zulu-taal z’n eigen melodiek lijkt te genereren. De legende wil dat Magogo’s vader Dinizulu, toen hij door de Britten werd afgevoerd, haar als klein meisje opdroeg de getroebleerde geschiedenis van het Zulu-volk in liederen over te leveren.

Die scène wordt in de opera ook opgevoerd, aan het eind van een eerste akte die soms intrigeert en dan weer de slaapzenuwen prikkelt. Intrigerend zijn Magogo’s herinneringen aan haar eigen geboorte en aan gebeurtenissen van daarvóór. Wat heel goed kan in een opera, al is enige voorkennis over gevoerde oorlogen en burgeroorlogen hier geen overbodige luxe, en verdient het aanbeveling de bloedlijnen van Mjokwane, Dingane, Mamba, Ngquengelele en andere leiders uit elkaar te houden.

Problematischer ligt het met het muzikale arrangement. De componist Khumalo heeft zich verplaatst in de lyrische spirit van de echte Magogo. Aan zijn elegisch getinte melodieën is te horen dat het de Zulu’s hier niet voor de wind gaat. Om de dramatiek aan te scherpen hebben de initiatiefnemers een Britse arrangeur aangezocht, Michael Hankinson, die Khumalo’s werk rijkelijk heeft voorzien van vier- en driekwartsmaten en orgelend strijk- en blaaswerk.

Scènes waarin de Zulu-trom of Magogo’s boogharp het voor het zeggen hebben, zijn in de minderheid. Jammer genoeg, want het zijn de scènes waar clichés plaats maken voor groot muziektheater, en de kleurigheid van veren en hoeden diepgang krijgt: Magogo’s liefdeslied, omtokkeld met slechts twee harptonen van haar ubughu, voor een minnaar die ze om politieke redenen zal moeten opgeven. Of een ‘zangwedstrijd’ waarin de zonen en dochteren van Dinizulu even geen boodschap hebben aan Holland Symfonia, maar des te meer aan eigen Zulu-zaken zoals een prachtig schel geharmonieerd Buthelezi-lied, atletische rubberenmannendans en de intocht van een adembenemende batterij Zulu-tuba’s.

Er lijkt toekomst te zitten in Zulu-opera, maar de conclusie luidde: graag wat meer Zulu dan opera.

Roland de Beer

Meer over