Meer hoef dan voet

Rijke bundel, maar minder trefzeker dan haar debuut

Peter Swanborn

In het juryrapport van de onlangs uitgereikte C. Buddingh'-prijs werd onderscheid gemaakt tussen 'dichters die geen woord te veel schrijven' en 'dichters die geen woord te weinig schrijven'. Anders gezegd, poëzie die het van de concentratie moet hebben, zoals die van Charles Ducal of Eva Gerlach, versus de poëzie die zijn kracht vindt in de brede stroom, zoals het werk van de laatste VSB Poëzieprijswinnaar, Antoine de Kom.

Moet iedere dichter tot een van deze kampen behoren? Of is er ook nog zoiets als een middenveld, een gebied waar zich dichters ophouden die nu eens voor de concentratie kiezen, dan weer voor het grote gebaar?

Die vragen rijzen bij het lezen van Meer hoef dan voet, de tweede bundel van dichter, schrijver en theatermaker Marjolijn van Heemstra. Vier jaar geleden verscheen haar veelgeprezen debuut, Als Mozes had doorgevraagd, genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs en bekroond met de Jo Peters PoëziePrijs. In 2012 debuteerde ze als romancier met De laatste Aedema.

Een groot aantal thema's komt in Meer hoef dan voet aan bod: de oorsprong van het leven, de geschiedenis van haar adellijke familie, slaapgebrek en de verwantschap tussen Noordwijk en het heelal, geïnspireerd op een verblijf in het Ruimtevaartcentrum ESA in Noordwijk.

Van Heemstra is opgeleid als godsdienstwetenschapper en deinst er niet voor terug een gedicht de titel 'Over God' te geven. Hierin is de ik-figuur een schoolmeisje dat God via een 'sluiproute' hoopt te vinden: 'de ingang ergens vlakbij, het hoge raam/ in de meisjes-wc, het sleutelgat van de spelletjeskast, de 'o' van Overijssel/ op de kaart naast het bord.'

Maar de 'godsdienstleraar, met zijn klagende gitaar' verstoort de droom en als de ik-figuur op een nacht wakker ligt, opent zich haar eigen lichaam: 'Gods gangenstelsel bleek/ te beginnen in mij, open mens.' Religie en erotiek worden hier mooi verbonden, en ook de suggestie dat kennis van het goddelijke alleen mogelijk is door zelfkennis te verwerven, weet Van Heemstra fraai te verwoorden.

Sterk is ook dat ze in de slotregels toegeeft dat ook deze 'route doodliep op een stekelige laag, daaronder niets verhevens maar/ bloed.' Wat rest is het raadsel, de twijfel, of zoals ze in een volgend gedicht met de grappige titel 'Nog even over God', schrijft: 'dit verlangen naar een hand/ die de boel bijeen veegt, omsluit,/ goedkeurend knikt.'

Een hand die knikt? En dan ook nog eens goedkeurend? Ja, het staat er echt. En helaas is het niet de enige keer dat deze bijzondere gedichten ontsierd worden door slordigheden. Zo trefzeker als haar debuutbundel was, zo snel lijken sommige van deze verzen geschreven.

Met de metaforen gaat het ook nogal eens mis. Van Heemstra stapelt ze graag op, zonder dat de beelden elkaar versterken. Even zo vaak zijn ze slecht doordacht. Wat moet je je voorstellen bij 'de kinderglimlach/ van een otter'. Kan je een trap oplopen 'stil als speelgoed'? En is het niet wat vergezocht om slaap met een 'verwende eend' te vergelijken?

Meer hoef dan voet is een rijke bundel die aan kracht had kunnen winnen als de dichter meer tijd had genomen en scherpere keuzes had gemaakt. Dat ze daartoe in staat is, blijkt uit 'Pasar', een heerlijk cynisch gedicht waarin lichaam en geest vergeleken worden met een oosterse markt: 'er heerst een permanente schemer en wie/ je ontmoet is nooit van wie je afscheid neemt.'

undefined

Meer over