Boeken

Matthijs van Boxsel laat de kracht van domheid zien in zijn schitterende topografie ★★★★★

De topografie van de domheid is een schitterend boek met bizarre illustraties en uitvouwbare landkaarten. In deftig ronkend proza laat Matthijs van Boxsel zien wat domheid kan betekenen.

Op zijn reis door België bezocht Karel V eens het stadje Olen, dat bekendstond om zijn domheid. De keizer wierp een gouden munt op de grond en zei: ‘Voor de grootste domoor!’ De dorpelingen drongen naar voren. De een vertelde dat hij een vlieg op zijn voorhoofd had doodgeslagen met een steen. Een tweede riep: ‘Ik heb zout gezaaid!’ En een derde: ‘Ik kon mijn ezel niet vinden, terwijl ik er zélf op zat!’ Zo ging het maar door. Uiteindelijk kregen de Olenaren door dat ze met hun wedstrijd wie de domste was alleen maar lieten zien hoe slim ze waren. De keizer raapte zijn goudstuk weer op en bedankte hen voor een vermakelijke middag.

Elk land kent zijn dorpen en steden die beroemd zijn vanwege hun domheid. Tegelijkertijd beschouwt elk land zich als het centrum van wijsheid; het laatste bolwerk tegen de oprukkende barbarij. Rome, Jeruzalem. Beijing, Parijs, Washington: ze zijn allemaal het middelpunt van de bewoonde wereld. Dat maakt de domheid ongrijpbaar. Ze is vanuit elke plek aanwijsbaar en ook nergens aanwezig. Soms lijkt ze heel dichtbij, zoals in Domburg of Zottegem. Maar bij nadere inspectie blijkt dat de lokale verhalen over domoren aldaar elders ook te vinden zijn. De Mechelaren (bekend als de ‘manenblussers’) waren beslist niet de enigen die het maanlicht, dat door de top van hun kerktoren scheen, aanzagen voor een brand en dus in paniek toestroomden om het ‘vuur’ te komen blussen.

Eigenzinnig

Wie de domheid wil lokaliseren, loopt dus hopeloos vast. Dat zal Matthijs van Boxsel niet overkomen. De topografie van de domheid is immers het zoveelste boek waarin hij op geheel eigen wijze verslag doet van zijn pogingen de domheid te beschrijven. Domheid is relatief, zeggen domoren. Maar Van Boxsel graaft dieper. Domheid is niet verwerpelijk en ook lang niet dom. De domheid is wat ons bindt, wat ons bijeenhoudt. Al die domme dorpen en stadjes zijn onmisbare onderdelen van het al even domme ideaal één volk of staat te zijn. Zonder onze domheid zijn we onverdraaglijk. ‘Het enige leefbare nationalisme’, aldus Van Boxsel, ‘laat ruimte voor steden waar een land zichzelf dom vindt, waar de natie heimelijk haar eigen mislukking celebreert.’

De topografie van de domheid is een schitterend uitgevoerd boek, zoals we dat van Van Boxsel gewend zijn. Vol bizarre illustraties, omlijst door zijn deftig ronkende proza. Al struikelend over domheid komt men overal. Het boek bevat landkaarten met beroemde ‘domoorden’ en een uitvouwbare kaart van de Benelux, met de woonplaatsen van ‘haardverschuivers’, ‘muggenblussers’ en ‘kalfschieters’. Van Boxsels speurtocht eindigt onvermijdelijk in Kampen, de ‘hoofdstad van de domoren’. Heel Nederland kent de ‘Kamper uien’, sterke verhalen over de domheid der Kampenaren: hoe ze een koe op de kerk hesen omdat daar gras groeide. Dat ze besloten extra stadspoorten te bouwen, want meer poorten betekende meer tolgelden. En dat ze, om te onthouden waar ze hun netten in het water hadden laten zakken, een kruisje tekenden – op hun vissersboot.

Trots toe-eigenen

Hoe komt de stad aan die reputatie? Door een domheid. Na eeuwen van beschuldigingen besloot stadsarchivaris en uitgever J.H. Kok in 1936 een boekje uit te brengen, De Kamper uien… import. Daarin schreef hij dat al die verhalen over veel meer plaatsen werden verteld en dat ze (in het geval van Kampen) dus niet waar konden zijn. ‘Onderzoek in reactie op zijn boek’, schrijft Van Boxsel, ‘leverde zó veel belastend materiaal op dat Kampen sindsdien de best gedocumenteerde domplaats van Nederland is.’

Valt daar nog aan te ontkomen? Nee. Van Boxsel pleit voor een trots toe-eigenen van de domheid: ‘Wie dom genoemd wordt, moet zich niet verzetten maar deze roep uitbuiten: de ware Kampenaar doet dom omdat hij een Kampenaar wil zijn.’ De VVV van Kampen heeft die les ter harte genomen. Tijdens de Kamper Ui(t)dagen kunnen dagjesmensen genieten van de domheid van de Kampenaren, met als hoogtepunt het optakelen van een (opgezette) koe op de Kamper Buitenkerk. Het verhaal gaat dat de echte koe, die aan de kop was vastgebonden, tijdens het takelen bijna stikte en de tong uit de bek liet hangen, waarop een van de Kampenaren riep: ‘Kijk! Ze heeft al trek!’

null Beeld Querido
Beeld Querido

Matthijs van Boxsel: De topografie van de domheid. Querido; 330 pagina’s; € 27,99.

Meer over