BoekrecensieHoe verschillig

Marjoleine de Vos dicht ambachtelijk en kundig over wat het betekent om terug te keren ★★★☆☆

In haar nieuwe bundel dicht Marjoleine de Vos ambachtelijk en kundig over de onmogelijkheid van de terugkeer: telkens blijkt de werkelijkheid niet meer te stroken met de beelden in ons hoofd. Zo keerde zelfs Odysseus niet écht terug bij zijn vrouw Penelope.

Penelope met haar weefwerk. Uit Pierre Blanchards Mythologie de la jeunesse (1801).  Beeld Corbis / Getty
Penelope met haar weefwerk. Uit Pierre Blanchards Mythologie de la jeunesse (1801).Beeld Corbis / Getty

Stel je eens voor dat Odysseus nooit van zijn lange omzwervingen was teruggekeerd. Misschien was hij voor eeuwig in de ban geraakt van de tovenares Circe en snuffelden zijn makkers nog altijd als varkens over haar eiland. Of misschien hadden zijn mannen hem niet losgemaakt van de mast, omdat ze hem met hun oren vol was niet konden horen. Had de wereld er dan anders uitgezien? Het is een vraag die bij me opkomt wanneer ik Hoe verschillig lees, de nieuwe bundel van Marjoleine de Vos. Die begint namelijk met een korte serie gedichten die zijn geschaard onder de titel ‘Odysseus keert niet terug’.

Alleen stelt de dichter een andere vraag: is het überhaupt mogelijk terug te keren naar waar men vandaan komt? Zo meent het lyrisch ik (‘die blije trouwe vrouw’) haar teruggekeerde man te herkennen: ‘ik houd zo pijnlijk veel/ van wie je was in mij, van mijn geweven beeld/ dat niet is jij, die man hier, slapend aan mijn zij.’ In ieder van ons schuilt een Penelope, eindeloos wachtend terwijl ze rustig haar weefwerk voortzet en weer uithaalt.

Dat weefwerk bestaat uit de beelden die we vormen van anderen en van onszelf. Herinneringen die, zo blijkt telkens weer in Hoe verschillig, niet langer corresponderen met de werkelijkheid om ons heen: ‘Ik hoor je wel, dat is: je stem/ zoals ik die nog in mij ken.’ Maar die jij is nu onbereikbaar en tevergeefs stelt ze in ‘Eurydike’ de vraag: ‘Ben ik het uitgespaarde gat in je bestaan./ Een door jou zelf geschapen vrouw.’ Misschien richt ze die vraag aan een ex, al kan ze hem evengoed aan zichzelf hebben gesteld, want ergens anders zegt ze: ‘Vertel ik mijzelf steeds weer mijn leven/ een verhaal verreisd door mijn woorden’. We zijn nooit bij onszelf, altijd buiten onszelf, schreef Montaigne eens. En De Vos, die als begenadigd essayist het werk van de oude burgemeester van Bordeaux zal kennen, volgt hem hierin. De mens ‘jaagt verzinsels na’, aldus de dichter, zelfs het eigen ik is niet wat het lijkt en reeds altijd ergens anders. Sterker nog, het ik is niet te vertrouwen.

null Beeld Van Oorschot
Beeld Van Oorschot

Hoe verschillig onderzoekt in zo’n veertig gedichten de onmogelijkheid van de terugkeer. Dat doet De Vos op de haar kenmerkende manier, ambachtelijk en kundig, lichte weemoed combinerend met levensvreugde. De gedichten maken veelvuldig gebruik van eindrijm en spelen voortdurend met referenties aan de Griekse mythologie. Net als eerder duikt ook in deze bundel Bach weer op (eigenlijk zou na Lars Gustafsson niemand meer over hem mogen schrijven) en treffen we een verdwaalde jazzmuzikant. Deze keer ‘swingt’ Miles Davis ‘een beetje blue de ochtend in’. Ook dat trucje kennen we uit eerder werk. Soms schurkt het tegen het cliché aan, zoals in ‘Ik was de prins’, een matige omkering van het sprookje van Doornroosje. Of neem het geluk dat ‘een spelletje’ speelt: ‘zoek me dan als je kan’. Flarden kindertijd die als herinnering de kop opsteken? Misschien, maar een beetje te flauw voor wat in wezen heel spannende thematiek is.

Odysseus keerde, aan het eind van een epos vol metamorfosen, terug naar Ithaka en volbracht daarmee wat eigenlijk onmogelijk was. In poëzie is niets onmogelijk en dat geeft hoop. Al weten we nu dat Penelope daar anders over dacht. Zij zag haar man terugkeren en zag dat hij, net als zijzelf, een ander was.

Marjoleine de Vos: Hoe verschillig. Van Oorschot; 64 pagina’s; € 18,95.

Meer over