Marco Pantani

Geen geoliede dijspieren

Op Valentijnsdag 2004 overleed wielerkampioen Marco Pantani, eenzaam op zijn hotelkamer, aan een overdosis cocaïne. Of was er meer aan de hand? De stripversie van zijn leven blinkt uit in journalistieke degelijkheid, maar had wel wat dramatischer gemogen.

Aan zijn flaporen dankte hij de bijnaam Het Olifantje, maar hij stond ook bekend als De Piraat, vanwege de ringen in zijn oren en het geknoopte doekje om zijn kale schedel: Marco Pantani (1970 -2004).

Hij behaalde zijn grootste successen in 1998, toen hij zowel de Tour de France als de Giro d'Italia won, en had de geschiedenis kunnen ingaan als een van de beste klimmers aller tijden, als hij niet dood was aangetroffen in een hotelkamer te Rimini. Hartstilstand als gevolg van een overdosis cocaïne. Op 14 februari, Valentijnsdag, stierf hij moederziel alleen aan de effecten van dopingaffaires, depressies en drugsmisbruik.

Maar was hij wel alleen? Philippe Brunel, wielerjournalist bij de Franse sportkrant L'Equipe, schreef enkele jaren geleden het boek Vie et mort de Marco Pantani waarin hij vraagtekens zet bij de officiële lezing van zijn dood en aan de hand van schimmige bewijzen - de verpakking van een Chinese afhaalmaaltijd - concludeert dat er een luchtje zat aan het overlijden van de renner.

Brunels boek werd de basis voor de striproman Marco Pantani - Het einde van de Piraat van Marco Rizzo en Lelio Bonaccorso die nu, scherp getimed, is uitgekomen. Dit Italiaanse duo schreef en tekende eerder het boek Peppino Impastato - Een nar tegen de maffia, dat je eveneens kunt beschouwen als een vorm van kritische geschiedschrijving: blijkbaar bevalt het format.

Je kunt je wel afvragen of de striplezer er veel mee opschiet. Marco Pantani was een dramatische figuur met een dramatische loopbaan en een dramatische kop: daarvan vind je in Het einde van de piraat weinig terug. Nergens een aangrijpende close-up van dat getergde, intense hoofd, terwijl een goed gemaakt portret zoveel emotie en informatie kan toevoegen. Rizzo en Bonaccorso verkiezen een zakelijke verslaglegging in sepia en een hoekige tekenstijl die zich niet leent voor zoiets stoffelijks als het weergeven van een geoliede dijspier.

De carrière van de sportman komt natuurlijk wel aan bod, maar het zou zo mooi zijn geweest als er een hoofdstuk zou zijn gewijd aan, pakweg, de beklimming van de Mont Ventoux in 2000, toen Pantani en Armstrong gezamenlijk door dat maandlandschap reden.

De heroïek is hier vervangen door een tamelijk langdradige weergave van het journalistieke onderzoek van Philippe Brunel, waarbij het zwaartepunt ligt op diens geschreven commentaren en niet op de visualisering daarvan, terwijl het bestaansrecht van een verstripping toch aan het verbeelden moet zijn ontleend.

Striplezers die naar fietsersromantiek verlangen, kunnen beter terecht bij De teenloze adelaar van Christian Lacroix alias Lax (alleen nog antiquarisch verkrijgbaar) of bij De Scherprechter van Korfoe van Joost Swarte en Tim Krabbé (idem), waarin het gevecht tegen de zwaartekracht wel treffend in beeld wordt gebracht. Marco Pantani had een beter boek verdiend.

Meer over