Manusama's sympathie voor de NSB

DE POSTUME bekentenis staat op pagina 34: 'Nadat in de dertiger jaren in Nederland de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van ir....

Een kortstondige bevlieging was het niet, want Manusama zou zes jaar lid blijven van de NSB - pas na de Duitse invasie in Nederland werd hem de ware aard van de partij duidelijk. 'De collaboratie van deze partij met het Duitse naziregime was een ware ontgoocheling voor al diegenen, die zich hierbij aangesloten hadden, menende dat het een zuiver Nederlandse partij was, die loyaal was ten aanzien van vorst en vaderland.'

In zijn Herinneringen aan mijn leven in de Oost 1910-1953 verklaart ir. J.A. Manusama waarom hij zich aangetrokken voelde tot de partij van Mussert. De Indische NSB was 'fel gekant tegen het defaitisme dat in die jaren zo duidelijk zijn stempel drukte op het Nederlandse beleid'. Terwijl er al sprake was van een oorlogsdreiging, werd de toon nog steeds gezet door de beweging van het gebroken geweertje. 'De NSB was voorstander van een weerbaar Indië. Dat sprak mij aan.' Maar ook het 'leidend beginsel', dat het algemeen belang boven het groepsbelang gaat, en het groepsbelang boven dat van het individu was de jonge Manusama uit het hart gegrepen.

Manusama doet geen poging zich wit te wassen. Hij zegt alleen: 'Ik denk dat de NSB in Indië een heel ander karakter had dan in Nederland.' Henk Smeets en Wim Manuhutu, die Manusama's herinneringen van de onontbeerlijke historische voetnoten hebben voorzien, schieten de Molukse leider hier te hulp. Zij citeren onder andere uit de geschiedschrijving van dr. L. de Jong: 'De beweging mocht zich daar (. . .) verheugen in een vrij aanzienlijke mate van sympathie bij de Nederlandse bevolkingsgroep die, in haar koloniaal-overheersende positie, toegankelijk was voor autoritaire denkbeelden en Musserts kritiek op de 'verworden democratie' en vooral ook op de zwakke defensie-inspanning deelde.'

Inderdaad bestonden er duidelijke verschillen tussen de NSB in Nederland en de Indische NSB. In Nederland was de partij tegen de regering, in Indië was ze juist voor een sterk staatsgezag. Ze droeg er ook geen landsverraderlijk karakter - de NSB was weliswaar pro-Duits, ze was niet pro-Japans, en dat was in Indië het voornaamste. Antisemitisme was in Nederlands-Indië niet aan de orde. Weliswaar werd in de Indische NSB herhaaldelijk de vraag opgeworpen of inlanders wel lid konden zijn, het langdurig lidmaatschap van Manusama toont aan dat er nooit een racistische ballotage is ingevoerd. En dat nog wel in de apartheidssamenleving van Nederlands-Indië.

Waarom hebben wij nooit iets van Manusama's NSB-lidmaatschap geweten? Ook die vraag wordt door hem beantwoord: 'Ik wilde namelijk voorkomen dat mijn opkomen voor het zelfbeschikkingsrecht van mijn volk mogelijk bemoeilijkt zou worden doordat men mij zou bestempelen als een ex-nazi, die men niet serieus hoefde te nemen.'

De voetnootschrijvers tekenen daarbij aan dat, toen Manusama's NSB-verleden in 1979 bij een archiefonderzoek op het ministerie van CRM aan het licht kwam, Manusama zelf vond dat hij er maar liever zelf mee voor de draad moest komen, voordat het op een ongelegen moment ineens tegen hem zou worden gebruikt. Op advies van zijn omgeving besloot hij echter voorlopig zijn mond te houden (Nederland was kort daarvoor opgeschrikt door berichten over een mogelijk NSB-lidmaatschap van mr. Joseph Luns).

'Natuurlijk is deze episode in mijn leven er niet een geweest waarop ik met trots kan terugzien. Anderzijds heb ik persoonlijk in deze periode niets gedaan, waarover ik mij behoef te schamen', concludeert Manusama. 'Maar ik wil deze periode in mijn leven vooral ook noemen om te illustreren hoe ik mij in die dagen geheel Nederlander voelde.' Manusama, die thuis Nederlands leerde spreken en die in Batavia naar Nederlandse scholen ging, vertelt bij herhaling dat hij zich vroeger nooit een 'echte Ambonees' voelde.

Typerend is een voorval op de mulo, waar de leerlingen op een dag hun herkomst moesten opgeven. Er zaten Javanen, Sundanezen, Batakkers, Menadonezen, en ook Vreemde Oosterlingen, zoals Chinezen en Arabieren in Nederlands-Indië officieel werden aangeduid. Tijdens het afroepen van de namen vroeg Manusama zich af wat hij moest doen. Hij kon, met zijn bruine huidskleur, moeilijk zeggen dat hij Nederlander was, maar Ambonees klonk hem ook vreemd in de oren - daarom riep hij maar: 'inlander'. Dat kwam hem thuis te staan op een standje van zijn vader: hij had moeten zeggen dat hij 'met Europeanen gelijkgesteld' was. Pas jaren later kwam hij erachter dat die gelijkstelling - een bevoegdheid van de gouverneur-generaal - betekende dat zijn familie onder de Europese rechtsbedeling viel, die gunstiger was dan die voor oosterlingen.

Toen onder de Japanse bezetting het Nederlands werd verdrongen door het Maleis, moest Manusama die taal eerst nog leren. Maar in 1945 voelde hij zich nog zozeer Nederlander dat hij als wiskundeleraar weigerde de loyaliteitsverklaring aan de Republiek Indonesië te tekenen. 'Een tijdlang voelde ik me een Indische jongen', beschrijft hij de ontwikkeling die hij doormaakte. 'Al meende ik óók een tweede - zij het rudimentair - nationaal gevoel te hebben: het Ambonse. In Makassar (waar hij na de oorlog anderhalf jaar werkte) kwam daar het idee bij als Ambonees deel uit te maken van een groter geheel: de Verenigde Staten van Indonesië. En uiteindelijk zou ik mij in de Molukken vestigen met een duidelijke taak: me inzetten voor mijn volk.'

Toen Manusama in 1947 in Ambon arriveerde om er de nieuwe middelbare school te gaan leiden, liet hij zich dan ook weinig gelegen liggen aan de plaatselijke adat. Een niet in de Zuid-Molukken geboren Molukker (zoals Manusama) wordt bijvoorbeeld geacht bij het eerste bezoek aan zijn land naar het dorp te gaan waar zijn vader en voorouders vandaan komen. Bij Manusama komt dat er pas in 1950 van. Hij is dan als minister van Defensie van de Republiek Zuid-Molukken al door de Indonesiërs uit Ambon-stad verdreven en verblijft met de overige leden van de regering op het eiland Saparua. Juist als hij dan eindelijk zijn bezoek aan de geboortegrond van de Manusama's heeft geregeld, moet de Molukse regering overhaast de wijk nemen naar Ceram. Manusama wil zijn collega's niet in de steek laten, maar die stellen hem gerust. 'Want u vervult uw plicht overeenkomstig een oude adatregel, dan kunt u er ook op rekenen dat Onze Lieve Heer voor de veiligheid van de regering zorgt.' Per prauw laten de heer en mevrouw Manusama zich dan naar Abubu varen, waar ze met saluutschoten en een welkomstlied worden binnengehaald.

Misschien ligt in Manusama's onzekerheid over zijn eigen identiteit de verklaring voor het feit dat hij eigenlijk helemaal niet zo'n voorstander was van de Molukse onafhankelijkheid. Hij had liever gezien dat de Molukken deel waren blijven uitmaken van de door Nederland ontworpen Deelstaat Oost-Indonesië (NIT). Op 17 april 1950 organiseerde hij een massameeting in Ambon, om een signaal af te geven aan de machthebbers in Indonesië, aan het Molukse bestuur - en aan de VN-commissie voor goede diensten inzake de Molukken. Wat dat signaal zou zijn wist Manusama van tevoren - hij was namelijk zelf de enige spreker op die bijeenkomst.

'In mijn toespraak heb ik dan ook geprobeerd alles wat de verkeerde kant opging te onderdrukken', aldus Manusama. 'Geen woord dus van 'Wij scheiden ons af van Indonesië'. Integendeel; ik zei: 'Zullen we een telegram sturen aan de regering van Oost-Indonesië?' 'Jaaa', schreeuwden ze. Ik zei: 'Dat Oost-Indonesië niet moet capituleren en dat de deelstaat moet worden gehandhaafd?' 'Jaaa', riepen ze opnieuw.'

Maar Oost-Indonesië werd enkele dagen later onder de voet gelopen. Om te voorkomen dat het Indonesische leger ook Ambon zou bezetten en de Molukken voortaan vanaf Java zouden worden bestuurd, werd op 24 april 1950 de onafhankelijkheid geproclameerd door Manuhutu, de eerste president.

Een lang leven is de Republiek Zuid-Molukken niet beschoren geweest. Op 28 september zetten de Indonesische strijdkrachten de aanval in op Ambon. Molukse KNIL'ers en jonge vrijwilligers uit de dorpen boden heftig verzet, maar waren niet opgewassen tegen de veel beter bewapende Indonesische troepen. Manusama zou via Saparua, Seram en Nieuw-Guinea uiteindelijk in Nederland belanden. Hoe hij de strijd van hieruit voortzette, staat niet in dit boek. Ir. Manusama overleed in 1995, voordat hij de herinneringen aan zijn Nederlandse tijd op papier had kunnen zetten.

Meer over