'Mannen met een buikje zijn onprettig' Chroniqueur van het leven van ons soort mensen

Dichter Anton Korteweg heeft de neiging zijn doen en laten met enige afstandelijkheid te bekijken. In zijn gedichten plaatst hij vaak kanttekeningen bij zijn positie als directeur van het Letterkundig Museum....

DE DICHTER STAPT op de fiets, elke dag opnieuw, weer of geen weer, en trapt van zijn woonplaats, Leiden, naar zijn werkplaats, Den Haag. Daar, in het Letterkundig Museum, kleedt hij zich direct na aankomst in een speciaal kamertje om - fietspak uit, net pak aan, haren gekamd, tanden gepoetst. En plotsklaps is hij de directeur.

'Het dichter- en directeurschap houd ik het liefst gescheiden. Dat jij me nu hier, in het museum, zit te interviewen vind ik redelijk ingewikkeld. Over poëzie praat ik liever thuis.'

'Maar tegelijk kan het dichter- niet zonder het directeurschap. Als ik alleen zou dichten zou ik misschien bezwijken. Deze positie is comfortabel: als de critici een bundel niks vinden, kan ik me altijd nog achter mijn activiteiten voor het museum verschuilen.' En is hij, aldus, ongevoelig voor kritiek? 'Nee, een negatieve recensie zou ik werkelijk heel akelig vinden.'

Is hij misschien bang dat hij, als hij niet langer directeur zou zijn, tot de conclusie zou komen geen groot dichter te zijn? 'Ik bén geen groot dichter - en dat is geen valse bescheidenheid. Eerder ben ik een chroniqueur van het leven van ons soort mensen, in de hoop dat ze er iets in herkennen.'

Soms echoën, terwijl hij al in zijn Haagse museum aan het werk is, de bevindingen van de fietstocht van die ochtend nog even na. En noteert Anton Korteweg (53), inderhaast, een idee, op een van de vele lege vellen die hij altijd paraat heeft. In een tunneltje bij het Haagse Bos ontdekte hij een tekening van een ventje met zeis, door een graffiti-kunstenaar aangebracht.

De tunnelman, zoals hij door de dichter werd gedoopt, siert inmiddels het omslag van In handen, Kortewegs onlangs verschenen achtste gedichtenbundel. 'De anonieme kunstenaar heeft zich nog niet gemeld.' Fijntjes: 'Graffiti-veroorzakers zijn niet noodzakelijkerwijs poëzie-lezers.'

Op zijn bureau liggen de bundels die eerder verschenen. Korteweg refereert, ongevraagd, herhaaldelijk aan een van zijn gedichten. Is hij in zijn poëzie het meest zichzelf? Gepluk aan de hals. 'Op zijn minst blijf ik dankzij mijn gedichten in gesprek met mijzelf. En het zou flauw zijn om mij te verschuilen achter het formele argument van het lyrische ik. In mijn gedichten ben ik nadrukkelijk aanwezig. Ze zijn nogal openhartig.' Pluk de dag, schrijft Korteweg in zijn nieuwe bundel, en sta stil bij wat het leven je biedt.

Vanmorgen nog bij de manier waarop

je schuddend met je wat oudere billen

je panty aantrok en ik onbewogen

dat aan kon liggen zien. Je moet de weg

die je moet gaan niet willen afsnijden.

'De heftigste erotiek valt weg, zo gaat dat in het leven. Sommige vrouwen vonden dit gedicht vreselijk, ze vonden het cynisch. Maar cynisme is mij vreemd. Ik ben in dit gedicht kritischer voor mezelf dan voor mijn vrouw, ik betreur in zekere zin de geringe mate van mijn wellust.'

Elders maakt de dichter een dappere vergelijking: voor mannen is ouder dan vijftig worden niet erg, integendeel,

Maar daalt eenmaal van vrouwen de fontein -

je staat versteld hoe hard het daarna gaat!

'Ik heb de indruk dat vrouwen sneller oud worden dan mannen. Mannen van boven de vijftig zien er vaker aantrekkelijk uit.' En wat vindt zijn echtgenote van deze theorie? 'Zij komt, als ik dat zeg, ogenblikkelijk aanzetten met vrouwen van boven de vijftig die er nog prachtig uitzien. En laat ik eerlijk zijn: haar reken ik beslist tot die categorie.'

In zijn vroegste bundels is Korteweg soms schaamteloos openhartig. 's Morgens, schrijft hij in het gedicht 'Ontkomen', slaat hij, half in boze dromen, de hand aan het geslacht, en ik ruk en ik ruk en ik ruk. Kreeg deze keurige directeur van een al even keurig Haags museum ooit reacties van ambtenaren op zijn gedichten? 'Het aantal ambtenaren dat gedichten leest moet je niet overschatten. Een vriend van mij heeft mijn laatste bundeltje cadeau gedaan aan Doctors van Leeuwen. Dat vind ik een grappig idee.'

In zijn gedichten plaatst Korteweg geregeld kanttekeningen bij zijn positie als directeur. 'Ik relativeer graag de ambtelijke kanten van mijn bestaan, ik heb toch al de neiging afstandelijk naar mijn eigen doen en laten te kijken. Soms hoor je jezelf de ergste clichés gebruiken.'

In onderhandelingen met ambtenaren bleek Korteweg over onvermoede talenten te beschikken. Dat hij ook zakelijk is, heeft hem verbaasd. 'Ik kan beter met geld omgaan dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Voor een dichter kan ik het sowieso heel goed.' Hij beheert, voor het Letterkundig Museum, een jaarlijks aankoopbudget van 70 duizend gulden, klopt bij sponsors en het ministerie aan, profileert zich steeds nadrukkelijker als manager.

Soms betreurt hij het dat hij de inrichting van tentoonstellingen volledig aan medewerkers moet overlaten. Maar: 'In het schrijven van mooie ambtelijke brieven heb ik veel plezier. Ze moeten zo overtuigend zijn dat ambtenaren doordrongen raken van de noodzaak van een door mij voorgesteld project. De formuleringen zullen in orde zijn, zo'n brief moet er goed uit zien - als een goed gedicht.'

Toch weer die vergelijking. Maar Korteweg gaat nu even niet op zijn gedichten in. Voorlopig speelt hij, met verve, de rol van directeur. Zal hij, nu hij koffie gaat halen, meteen maar even een rondleiding geven door het museum waarover hij sinds 1979 de scepter zwaait? Korteweg dwaalt rond, toont coryfeeën in vogelvlucht - een portret van zijn vriend Maarten Biesheuvel, een onlangs aangekocht schilderij van Willem Kloos.

Hij troont zijn bezoeker mee naar de archieven met handschriften en schrijversportretten, naar het Kinderboekenmuseum op de eerste verdieping, naar de zaal waar vandaag, vrijdag 24 oktober, een expositie geopend wordt over leven en werk van Cees Nooteboom, 'Ik had wel duizend levens en ik nam er maar één'. Hij wijst op foto's van de toekenning van de Pegasus-prijs aan de schrijver, voorbode van een internationale doorbraak. 'Ik zat trouwens in de jury van die prijs.'

In andere vitrines meer foto's, krantenberichten, brieven. 'Nooteboom houdt graag de vinger aan de pols. Of dat prettig is? Ja en nee. Hij zit meer in het buitenland dan hier. Dat geeft, in de voorbereiding, dus nog wel eens praktische problemen. Bij dode schrijvers hebben wij de handen meer vrij. Die houden ook niks achter. Tenminste, als de erven zich er niet mee bemoeien.'

Korteweg doceert, de ex-leraar die hij is, neemt de tijd voor details en anekdotes, articuleert scherp, met een a die op een Groningse of Zeeuwse a lijkt. 'Terwijl ik uit het Brabantse Zevenbergen kom. Iedereen zegt dat ik een rare a heb. Dus die a deugt niet.'

Hij staat wat langer stil bij de grote, permanente overzichtsexpositie over de Nederlandse literatuur vanaf 1750 tot heden die eind november geopend wordt. En zegt dan, na bijna veertig minuten wandelen, lichtelijk verstrooid: 'Maar wij gingen koffie halen.'

Volgt hij de nieuwe Nederlandse literatuur eigenlijk wel - de jonge verhalenvertellers en, vooral, de jonge dichters? 'Jawel - al was het maar met het oog op een mogelijk optreden tijdens de Nacht van de Poëzie, die ik mede organiseer. Maar als ik, bijvoorbeeld, die rap-poëzie lees denk ik: dit zegt me niet veel.' Verontschuldigend: 'Maar dat hoeft toch ook niet?'

Hij voelt zich verwant met J.C. Bloem. Van Kortewegs gedichten worden immer de milde toon en het relativerende zelfonderzoek geroemd; hij is, schreef Aad Nuis ooit - en dat bedoelde hij als compliment - geen dichter die opzien baart. 'Aan twintigers, kan ik me voorstellen, is mijn poëzie amper besteed. Ik schrijf gedichten voor een bepaalde generatie - al klinkt dat afgegrensd.'

Zijn eigen dochter vindt de meeste gedichten uit zijn nieuwe bundel deprimerend. 'Ik probeerde haar uit te leggen dat ze niet deprimerend zijn maar realistisch - vanuit mijn perspectief.' Korteweg spreekt het liefst van berusting. Al in zijn vroegste gedichten bekommerde hij zich om het verval van later, maar nu het zover is en de jaren gaan tellen valt het met dat verval wel mee. Koester de kleine geneugten van het leven, zo lijkt de boodschap, en het grootste leed is geleden.

'In deze bundel huist een grote mate van acceptatie. En daar ben ik ook op uit geweest. Dat besef is goed voor mijn existentie. Je probeert er toch voor te zorgen dat het leven zo pijnloos mogelijk verloopt. Mensen zouden moeten willen inzien dat ze tevreden dienen te zijn met waar ze in het leven terecht zijn gekomen.'

Dat klinkt streng. 'Een beetje moralistisch zelfs. Een kwestie van eigenbelang, misschien van zelfbehoud. Vreselijk vind ik het als mensen zich tegen hun zestigste afvragen: Is that all there is?' Wantrouwt hij degenen die te hard van stapel lopen? 'Dat wantrouwen had ik ook als vijfentwintigjarige al ten opzichte van leeftijdgenoten die te hard van stapel liepen.'

Onzalig zijn de mannen op leeftijd die van de jaren niet willen weten. 'Ze joggen, puffend en hijgend, op buitengewoon akelige wijze door het bos.' Maar zouden ze dan niets aan hun conditie moeten doen? 'Mannen met een buikje zijn onprettig. Ze verliezen, zoals Freek de Jonge laatst zo treffend in een toespraakje voor Harry Mulisch zei, het oogcontact met hun pik. Een buikje hoor je niet te hebben op die leeftijd. Het zijn altijd de anderen die er tegen aan moeten kijken.'

Korteweg heeft makkelijk praten. Nooit is hij ziek. 'Mijn vrouw is huisarts, maar in mijn hoofd speelt dat besef geen rol. Haar collega heb ik één keer in een kwart eeuw bezocht - omdat ik pijn in mijn rug had.' Hij rookt niet, hij heeft geen buikje, hij bezweert - als geen ander - het fysieke ongemak. 'Maar ik ben niet meer dan gemiddeld ijdel.'

Grinnikend: 'Een nietszeggend antwoord, inderdaad. Daar ben ik me zeer van bewust.' Hij tennist en zwemt, fietst een half rondje rond het IJsselmeer, rijdt geen auto - al heeft hij wel een rijbewijs. 'Uit principe. Vanwege het milieu.'

Het liefst loopt hij drie weken lang een Compostella-route. 'Je wandelt, je denkt aan niets - je bekommert je hooguit om de slaapplaats die je, 25 kilometer verderop, halen moet. Hier manifesteert zich een intens verlangen naar natuurlijk leven, naar fysiek leven - zonder dat je door gedachten, getob, en zelfs door literatuur gekweld wordt.'

Taal is een ziekte, kondigt de dood aan.

Er valt niet te stoeien. Men worstelt vergeefs.

Gezonden zíjn, hoeven zich niet te schrijven.

Praten niet eens met zichzelf. Ze zijn als

wie langs het strand, dat is leeg en van hen, rent.

'Als ik nu moest kiezen tussen twee uur hardlopen langs het strand of twee uur een roman lezen zou het heel goed kunnen zijn dat ik voor het hardlopen kies. Ik weet niet of dat een mens siert. Maar dat doet er niet toe.'

Geen taal soms, geen gedichten soms, af en toe niets - ook niet het onvermijdelijke circuit van netwerken. 'Ik koester mijn contacten met schrijvers, maar met literaire coterieën houd ik me niet bezig. Als directeur sta ik - en dat klinkt misschien een beetje pedant - boven de partijen.'

En hoe verhoudt hij zich als dichter tot het literaire circuit? Korteweg heeft zo zijn vrienden - Maarten 't Hart, Maarten Biesheuvel, Charlotte Mutsaers -, hij heeft zo zijn raadgevers. 'Eva Biesheuvel reageert altijd op een nieuwe bundel, en dan zegt ze uiterst verstandige dingen.'

Meestal werkt hij in alle stilte aan zijn gedichten, ze eindeloos met de hand herschrijvend - soms veertig vellen vol voordat een definitieve versie gereed is. Lijstjes met eerder gemaakte, zorgvuldig bewaarde, aantekeningen zijn de voornaamste inspiratiebron. 'Een geregeld en ordelijk leven past bij mij. Privé ben ik nogal bedaard.'

Dat had hij als kind al. Hij, Einzelgänger, hield zich, in een milieu 'waar een zekere preoccupatie met het woord was', altijd bezig met taal. 'In de kerk luisterde ik nooit naar de preek maar bestudeerde ik de teksten van gezangen.' Zijn grootvader was voornamelijk geïnteresseerd in het rapportcijfer voor godsdienst. 'De geldelijke beloning voor het rapport was daarvan afhankelijk. Vaak zat ik goed, want dan had ik weer een negen of tien - zo simpel als wat, want godsdienst was niet meer of minder dan een versje of psalm uit je hoofd leren. En dat deed ik graag.'

'Maar gelóven deed ik niet. Al snel realiseerde ik me dat ik meer door literaire en esthetische elementen getroffen werd dan door religieuze. Tijdens een vakantie woonde ik in de Dom van Aken een katholieke mis bij. Ik dacht: hier klopt iets niet, ik, calvinistische jongen, zit te genieten alsof ik een concert bijwoon.'

ZIJN OUDERS HADDEN gehoopt dat hij, de oudste van vier kinderen, dominee zou worden. Zonder dat dat met zoveel woorden werd gezegd. 'Mijn eerste bundel, die verscheen toen ik nog in Leiden Nederlands studeerde, moet voor mijn ouders, en zeker voor mijn vader, die anti-religieuze sentimenten schuwde, de spreekwoordelijke donderslag bij heldere hemel zijn geweest. Ze waren er niet echt gelukkig mee - vooral vanwege de openhartigheden die ik me permitteerde, zeker de seksuele openhartigheden.'

'Niet dat ik me daar veel van heb aangetrokken. Je moet altijd mogen schrijven wat je op je hart hebt. In die gedichten over mijn huwelijk bijvoorbeeld ben ik toch degene die bepaalt hoe die gedichten moeten zijn - niet mijn vrouw. Alleen als je iemand echt dreigt te kwetsen, geldt dat het leven sterker is dan de leer.'

Vorig jaar overleed Kortewegs vader. 'De verwantschap met mijn moeder is altijd sterker geweest - zij is nogal direct en spontaan. Maar op mijn vader heb ik altijd meer geleken: net als hij ga ik, een beetje gesloten, mijn eigen gang.'

Zijn vader gaf hem zelden of nooit een compliment. Of toch? Korteweg citeert het gedicht waarvan hij weet dat zijn vader het mooi vond, uit de bundel Voor de goede orde (1988):

Als een auto die lang in de regen gestaan heeft

optrekt en wegrijdt, blijft waar hij stond achter

een plek die zich van de rest van de straat

onderscheidt, even nog, tot hij ook nat is

en niet afzonderlijk meer bestaat.

Dat is wat blijft als je weggaat.

Zo dwingt een gedicht soms respect af, zelfs het respect van een vader, zo biedt het ook nog een beetje troost. Want Korteweg weet dat het geregeld wordt geciteerd in overlijdensadvertenties. 'Dat vind ik heerlijk. Weet ik dat sommigen er toch iets aan hebben. Maar ik ben geen Nel Benschop, hoor.'

Hij aarzelt. Noemt dan een artikel van Rob Schouten waarin hij in een rij dichters werd geplaatst 'die ik groter vind dan mezelf'. Met nauwelijks verholen trots: 'Jaap Goedegebuure schreef in 1994 dat bij de honderd boeken die hij mee zou nemen naar een onbewoond eiland ook mijn bundel Dierbare tijden hoort.' Zijn bundel wel - die van een hoop andere dichters niet. In 'Jaaps lijst', dat, als een soort plezierdicht, In handen afsluit, dicht Korteweg dat hij er zo erg van geniet,

dat ik wél op zijn lijst sta en Ad, Willem,

Tom, Anna, Jan, Charlotte lekker niet!

Voor alle zekerheid: 'Dit is een grapje. Over mijn status als dichter maak ik me geen illusies.' Poëzie wordt, weet Korteweg, uitzonderingen daargelaten, nauwelijks verkocht. 'Wat helpt het besef dat er straks, als je er niet meer bent, misschien een paar gedichten zullen zijn die de tand des tijds doorstaan? Beter kun je nu genieten van het feit dat een van je gedichten is opgenomen in een bloemlezing of poëziekalender.'

Niks geen verhalen over onsterfelijkheid dankzij de taal. Hier spreekt de man die de neiging heeft nog zeker tot zijn vijfenzestigste directeur te blijven: 'Je leeft niet na de dood.'

Anton Korteweg: 'In handen, Gedichten.' Meulenhoff, ¿ 34,90.

'Ik had wel duizend levens en ik nam er maar één', Cees Nooteboom, expositie in het Letterkundig Museum in Den Haag, 24 oktober 1997 t/m 22 maart 1998.

Meer over