InterviewMalcolm Gladwell

Malcolm Gladwell schreef een boek over de Bommenwerpermaffia, die droomde van precisiebommen: ‘Ze waren hun tijd ver vooruit’

Een groep Amerikaanse officieren ijverde in de jaren dertig voor humanere oorlog­voering. Schrijver Malcolm Gladwell raakte gefascineerd door hun verhaal en schreef De Bommenwerpermaffia. Wat is hun erfenis?

Malcolm Gladwell  Beeld Celeste Sloman
Malcolm GladwellBeeld Celeste Sloman

De afgelopen twee decennia schreef de Canadese auteur en journalist voor The New Yorker Malcolm Gladwell (1963) bestseller na bestseller over sociaal-psychologische fenomenen. Hij debuteerde in 2000 met The Tipping Point, in het Nederlands vertaald als Het beslissende moment, waarin hij de rol van influencers en trends beschrijft. In zijn tweede boek, Intuïtie (2005), in meer dan 25 talen vertaald, gaat hij in op de kracht van onbewust denken. In Uitblinkers (2008) stelt hij dat niet talent maar oefenen mensen aan de top brengt. Daarna volgde onder meer nog David en Goliath (2013) over underdogs en de manier waarop mensen reageren op tegenslag en Praten met vreemden, over wat we moeten weten over de mensen die we niet kennen.

Met zijn bekendheid groeide ook de kritiek. Sommige critici, zoals Steven Pinker, vinden de sociaal-wetenschappelijke onderbouwing van zijn boeken wankel. Gladwell is naast journalist en schrijver ook veelgevraagd spreker bij bedrijven en congressen. Voor zijn optredens ontvangt hij, volgens een profiel in New York Magazine uit 2013, soms tienduizenden dollars.

Maar Gladwells nieuwste is anders dan zijn voorgaande werk. De Bommenwerpermaffia is een historisch what if-verhaal over een groep van tien tot twaalf Amerikaanse luchtmachtpiloten in de jaren dertig. Mannen die elkaar leren kennen op een luchtmachtopleidingsinstituut, de Air Corps Tactical School, in Alabama, in the middle of nowhere. Ze dromen van een andere manier van oorlogvoeren, humaner, met minder bloedvergieten en zonder grootschalige gebiedsbombardementen waarbij hele steden worden weggevaagd.

Hoe ze dat wilden doen? Door gebruik te maken van een richtsysteem voor precisiebommen, uitgevonden door een Nederlander (daarover later meer). De luchtvaart was nog jong, maar ze werden geïnspireerd door de technische vooruitgang die in de jaren dertig was geboekt, schrijft Gladwell. Hun motto was niet voor niets: Proficimus more irretenti, oftewel ‘Ongehinderd door traditie boeken we vooruitgang’. De groep werd de Bommenwerpermaffia genoemd. En ze waren hun tijd ver vooruit, stelt Gladwell.

null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

Uw eerdere boeken gingen over sociologie, wetenschap, marketing en psychologie. De Bommenwerpermaffia gaat over oorlog, vliegtuigen en bombardementen. Iets heel anders.

‘Inderdaad, mijn vorige boeken waren conceptueel van aard, meer ideeënboeken. De Bommenwerpermaffia gaat ook over ideeën, maar het is vooral een karakterstudie van de leden van de Bommenwerpermaffia en hun tegenstanders. Het is een historisch verhaal.

‘Daarnaast is de stijl van dit boek anders omdat het eerst een audioboek was, een podcast (te vinden via Revisionist History, red.). Later heb ik het omgezet naar papier. Een experiment dus. Op mijn hoge leeftijd is het belangrijk te blijven experimenteren.’ (Lacht.)

De Bommerwerpermaffia begint met het beeld van twee mannen, Haywood Hansell (1903-1988) en Curtis LeMay (1906-1990). Twee jonge Amerikaanse generaals die totaal verschillend zijn, ‘twee absolute tegenpolen’, die moeten poseren voor een foto. Het is januari 1945, de Tweede Wereldoorlog is nog in volle gang. Ze staan op het dan grootste vliegveld van de wereld in de Stille Oceaan, 2.200 kilometer van de vijandelijke Japanse kust. Gladwell beschrijft hoe Hansell in de verte tuurt, terwijl LeMay de grond bestudeert.

Even daarvoor heeft Hansell de macht gedwongen moeten overdragen aan LeMay. ‘Een koerswijziging van 180 graden’, schrijft Gladwell daarover. Want Hansell, die bij het groepje van de zogenoemde Bommenwerpermaffia hoorde, geloofde in precisiebombardementen op uitgekiende, essentiële vijandelijke doelen met zo min mogelijk burgerslachtoffers. Terwijl LeMay van mening was dat je alleen met grootschalige gebiedsbombardementen op woonwijken de oorlog kon winnen.

Hoe kwam u op het idee voor dit verhaal?

‘Ik was om een ​​ andere reden in Japan toen ik toevallig terechtkwam in het Center of the Tokyo Raids and War Damage, een museum, heel achteraf gelegen, dat zich niet richt op de twee atoombommen die zijn gevallen in Japan, maar de ruim honderdduizend Japanners herdenkt die op 9 maart 1945, na een zwaar bombardement van LeMay, zijn omgekomen in Tokio. In zes uur tijd zijn toen meer mensen omgekomen dan in enige andere vergelijkbare periode in de geschiedenis. Volgens schattingen zijn die avond honderdduizend mensen gedood.

‘Ik was zo ontroerd door de ervaring in dat museum dat ik meer wilde weten over wat precies tot dat moment had geleid. En zo stuitte ik op het verhaal van de Bommenwerpermaffia, een groep rebellen die droomde van een betere toekomst.’

Wat sprak u zo aan?

‘De romantiek van het verhaal. Over mannen die geloven dat technologie de schaal van oorlogen kan verkleinen. Het heeft iets moois, als mensen hun eigen carrière op het spel zetten voor een morele verbetering van hun organisatie.’

Gladwell citeert in zijn boek de luchtmachtpiloot Donald Wilson, die ‘hooguit half voor de grap’ zei dat alle leden van de Bommenwerpermaffia in de gevangenis zouden zijn gezet als de legerleiding had geweten wat ze precies in hun schild voerden. ‘De Bommenwerpermaffia maakte zelf deel uit van de luchtmacht maar ze vonden de rest van het leger irrelevant en achterhaald, grondoorlogen waren in hun ogen kostbaar, zinloos en dodelijk’, schrijft Gladwell.

Uw boek is ook een technisch verhaal. Het gaat over verschillende typen militaire gevechtsvliegtuigen, van B-9 tot B-29, bommen en wapens. Heeft u daar iets mee?

‘Ja, maar ik heb er gewoonweg nooit eerder over geschreven. Ik ben de zoon van een ingenieur, de wereld van mechanische objecten ligt mij na aan het hart. Ik ben bijvoorbeeld ook een grote fan van auto’s. Daarnaast ben ik altijd geïnteresseerd geweest in het leger, oorlogen en militaire geschiedenis. Vooral vliegtuigen zijn van kinds af aan een passie van me.’

Wat opmerkelijk, want u komt uit een mennonitische familie in Canada. Mennonieten, in Nederland meestal doopsgezinden genoemd, zijn toch dienstweigeraars en tegen geweld?

‘Ja, dat klopt, ik ben opgegroeid in een kleine boerengemeenschap in Ontario. We verhuisden vanuit Engeland naar Canada toen ik 6 jaar was. Mijn vader was Brits en mijn moeder is van Jamaica, ze leerden elkaar in de jaren vijftig kennen op de universiteit in Engeland. We verhuisden veel en zijn uiteindelijk in Canada beland. Mijn familie is nog steeds doopsgezind, ikzelf niet.

‘Juist hun pacifisme inspireert doopsgezinden om dieper over oorlog na te denken dan wie ook. Maar het is niet zo dat ze niets doen en afgezonderd leven, ze zijn actief bezig met de wereld om hen heen en worstelen daarbij met grote wereldse vragen en problemen. Ik denk dat iemand die opgroeit in een wereld die diep wantrouwend staat tegenover het nut van oorlogvoering en de manier waarop menselijke conflicten worden opgelost, van nature wordt aangetrokken tot verhalen als die van de Bommenwerpermaffia.’

Nog even terug naar dat beeld van de twee generaals, waarbij Curtis LeMay de macht in handen krijgt. U stelt dat ‘de gevolgen van die overname tot op de dag van vandaag voelbaar zijn’. Wat bedoelt u daarmee?

‘Hansell, LeMays tegenstrever, probeerde een nieuwe manier te vinden om oorlog te voeren. Hij werd gemotiveerd door een moreel idee: oorlogvoeren op een manier die het aantal burgerslachtoffers minimaliseert. En dat laat LeMay juist onverschillig. Ik heb het gevoel dat als Hansell op dat moment, in 1945, een manier had gevonden om te triomferen, hij misschien een standaard had gezet voor alle volgende oorlogen. Zeker als je bedenkt dat in zowel de Koreaoorlog (1950-1953) als in de Vietnamoorlog (1955-1975) massale, willekeurige vuurbombardementen hebben plaatsgevonden. De Amerikanen deden dat omdat het in de Tweede Wereldoorlog had gewerkt om de Japanners te verslaan. Je kunt je voorstellen dat het heel anders was gelopen als Hansell er toentertijd in was geslaagd van precisiebombardementen een succes te maken.’

LeMay heeft na zijn machtsovername in totaal 67 Japanse steden platgebrand, waarbij misschien wel een half miljoen slachtoffers zijn gevallen. Ziet u hem als een oorlogsmisdadiger?

‘Het is moeilijk aan die conclusie te ontsnappen. Aanvankelijk was hij, denk ik, van plan de oorlog zo snel mogelijk te beëindigen, dat was een nobel doel. Maar achteraf gezien hoefde hij na het bombardement op Tokio niet door te gaan en nog eens 66 steden plat te bombarderen in de zomer van 1945. Dat was overdreven. Oorlogsmisdaden zijn excessen. Er is geen twijfel over het idee dat mensen sterven in een oorlog. Maar het is een misdaad wanneer je iemand onnodig doodt. Zonder rechtvaardiging. Ik denk dat LeMay in de zomer van 1945 van het noodzakelijke pad naar het onnodige pad is gestapt.’

Maar het bombardement op Tokio van 9 maart, waarbij zoals u schrijft ‘meer mensen omkwamen in één nacht dan in enige andere vergelijkbare periode in de menselijke geschiedenis’, ziet u dus nog wel als noodzakelijk?

‘Natuurlijk vind ik dat ook verontrustend, maar moreel gezien vind ik het nog verontrustender dat LeMay is doorgegaan met het platbranden van al die steden, zonder dat daar enige controle op leek te zijn. Hij kon gewoon zijn gang gaan. Dat vind ik het allerergste.’

Gladwell schrijft dat het afwerpen van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki in augustus 1945 goed was voorbereid. ‘De kwestie was eindeloos bediscussieerd.’ Over LeMays campagne, stelt Gladwell, was veel minder goed nagedacht. ‘Er was geen formeel plan en hij volgde niet de instructies van zijn superieuren. Als de oorlogsplanners in Washington al een campagne met brandbommen hadden overwogen, hadden ze misschien gedacht aan 6 Japanse steden, niet 67. Vanaf juli nam LeMay ook kleinere Japanse steden op de korrel die geen enkele strategische relevantie hadden. Er woonden gewoon mensen. In brandbare huizen’, schrijft Gladwell.

Anderzijds citeert u ook een historicus die zegt: door LeMay is de oorlog wellicht sneller afgelopen. Als het langer had geduurd, tot in de winter van 1945-1946, zouden misschien miljoenen Japanners zijn omgekomen van de honger.

‘Dat is een belangrijk punt. De vraag is of dat ook de rechtvaardiging was om de atoombom te laten vallen, ik denk dat er wel iets waars in zit. De impact van de bombardementen was zo groot dat Japan zich in augustus 1945 overgaf.

‘Toch blijft de vraag: was het mogelijk geweest de Japanners ervan te overtuigen dat ze zich moesten overgeven zonder zo veel steden plat te bombarderen? En heeft LeMay dat geprobeerd? Ik denk dat hij er goed aan deed te proberen de oorlog zo snel mogelijk te beëindigen. Maar of hij zover moest gaan als hij deed om dat doel na te streven, dat vraag ik me af.’

Wat vond u het schokkendst?

‘Er is één detail dat me altijd zal bijblijven. Een van de historici met wie ik sprak over het bombardement op Tokio vertelde dat de vliegtuigen moesten worden uitgerookt toen de vliegeniers van de bommenwerpers terugkeerden naar de Amerikaanse basis in Guam, omdat de geur van brandend mensenvlees bleef hangen. Dat detail vind ik zo gruwelijk. Het idee dat die piloten moesten terugvliegen in de geur van brandend vlees en zo de gevolgen konden ruiken van wat ze hadden gedaan.’

Er is in Japan een achteraf gelegen museum voor het bombardement op Tokio, maar geen nationaal monument voor de aanval op 9 maart. Wat zegt dat?

‘Ik weet het niet, ik heb geen goed antwoord. Dat is iets waarvan ik wilde dat ik het verder had onderzocht. Verschillende culturen hebben verschillende manieren om met oorlogstrauma om te gaan. In Amerika kun je bijna tot het uiterste gaan als het om herdenken gaat. Zie het 9/11-monument in het centrum van Manhattan, dat miljarden dollars heeft gekost. In de Japanse cultuur ligt dat anders. Ik denk niet dat het goed of fout is. Het laat gewoon zien dat we allemaal onze eigen manier van herdenken hebben.’

Er komt ook een Nederlander in uw boek voor, Carl Norden (1880-1965), die in de jaren twintig van de vorige eeuw de techniek voor het bommenrichtsysteem uitvond. U noemt hem in uw boek ‘een Nederlands genie’ en schrijft dat u het onvoorstelbaar vindt dat nergens ter wereld een standbeeld voor hem is gebouwd. Waarom verdient hij dat?

‘Norden, een vroom christen, was oprecht op zoek naar een morele manier van oorlogvoeren. En niet alleen door erover te schrijven of dromen, hij deed zijn uiterste best om iets uit te vinden, een echt apparaat – het was uiteindelijk onvolmaakt – maar het was bedoeld om levens te redden. Dat maakt hem in mijn ogen tot een bewonderenswaardige figuur. Ik denk dat het enorm nuttig zou zijn als we een manier zouden vinden om ons zulke mensen te blijven herinneren. Hij zou als voorbeeld kunnen dienen van hoe technologie kan worden gebruikt in dienst van de mensheid, en niet alleen in dienst van dood en verderf.’

Waarom is dit verhaal zo belangrijk voor u?

‘Omdat het zo eigentijds is. Hoewel het zich allemaal afspeelt in de jaren dertig en veertig, lijkt het probleem waarmee de Bommenwerpermaffia worstelde mij het grote probleem van de moderne tijd. Hoe zorgen we ervoor dat nieuwe technologie, die bedoeld is om van de wereld een betere plek te maken, doet wat we willen?’

Had de Bommenwerpermaffia de geschiedenis kunnen veranderen als de omstandigheden net anders waren geweest? Precisiebombardementen bleken bijvoorbeeld in de praktijk moeilijk vanwege de bewolking in Japan.

‘Nou, ik denk dat ze, zoals zo vaak geldt voor innovatie, hun tijd vooruit waren. De techniek was nog niet zover.’

Toch vraag ik me af: is de stap om een ​​bom te werpen, juist door de techniek van precisiebombardementen, niet ­kleiner geworden en wordt het daarom misschien eerder gedaan?

‘We moeten nu andere morele afwegingen maken. Omdat we vroeger zo onnauwkeurig waren in onze bombardementen, werden we gedwongen selectief te zijn. Nu hebben we het tegenovergestelde. We zijn zo precies, we kunnen gericht een bom gooien op iemand die zijn huis uitloopt en de straat oversteekt. We noemen het vaak niet eens meer een oorlog als we ergens een bom gooien. Tegelijkertijd zijn we een tijdperk ingegaan waarin we in plaats daarvan soms voor onbepaalde tijd oorlogvoeren op een laag niveau.’

Hoe denkt u over drones die even overvliegen en een bom laten vallen? Het heeft ook iets lafs omdat je zelf geen gevaar loopt.

‘Het is de ultieme manifestatie van de missie van de Bommenwerpermaffia. Dit was hun droom, datgene wat ze wilden bereiken. Vergeet niet, het was in die tijd haast onvoorstelbaar dat een bom of raket op zoiets kleins kon worden gedropt.

‘Of ik denk dat oorlogvoering met drones problemen oplevert? Natuurlijk. Maar het is zeker een verbetering ten opzichte van massale bombardementen. Ik denk dat we gelukkiger zijn in een wereld waar drones gericht en precies bommen laten vallen dan in een wereld waar we hele steden met vuurbommen wegvagen.’

Maar het is ook abstract geworden, je drukt gewoon op een knop.

‘Ja, het heeft iets abstracts. Maar realiseer je wel dat je nu een haarfijn beeld hebt van wat je doet en bombardeert. Als je in de Tweede Wereldoorlog een bom liet vallen, zag je nooit de gevolgen van wat je deed. Je vloog op 25 duizend voet. Nu heb je een beeld dat bijna perfect is. Je kunt precies zien wat je hebt gedaan en wat er is gebeurd. Dus ik weet niet welke van de twee traumatischer is voor de persoon die de bom laat vallen. In sommige opzichten is de hedendaagse versie net zo moeilijk.

‘Er is geen manier om alle morele complicaties van oorlogvoering op te lossen. Oorlog is moreel vreselijk gecompliceerd.’

U eindigt uw boek met de stelling dat Hansell misschien de slag heeft verloren, maar wel de morele winnaar is. Wordt hij ook zo gezien in de rest van de Verenigde Staten?

‘Veel historici die dit onderwerp hebben bestudeerd, erkennen zijn bijdrage. Maar hij is niet bekend bij het grote publiek. Daarom wilde ik ook zijn verhaal vertellen, ik wil mensen aanmoedigen aan hem te denken. Zoals ik ook schrijf: ik zie hem als rolmodel voor hoe we moreel kunnen handelen in de moderne wereld.’

Wie is Malcolm Gladwell?

Malcolm Gladwell werd in 1963 geboren in het Verenigd Koninkrijk en groeide vanaf zijn 6de op in Canada. Hij studeerde geschiedenis aan de universiteit van Toronto. Daarna verhuisde hij naar New York, de stad waar hij nog steeds woont. Sinds 1996 schrijft hij voor The New Yorker. In 2000 debuteerde Gladwell met The Tipping Point, dat een internationale bestseller werd. Hij schreef in totaal zeven boeken en verkocht miljoenen exemplaren. Sinds 2016 heeft hij een podcast, Revisionist History.

null Beeld Volt
Beeld Volt

Malcolm Gladwell: De Bommenwerpermaffia. Uit het Engels vertaald door Robert Neugarten. Volt; 224 pagina’s; € 25.

Meer over