Magnum-fotografen zijn net mensen

Fotobureau Magnum lijkt op een klooster-orde. Samen zijn de vijftig leden annex aandeelhouders de baas van de belangrijkste visuele vastlegger van de geschiedenis....

DE AFGELOPEN decennia is de westerse maatschappij ontkerkelijkt, is de Berlijnse muur gevallen en de apartheid van haar wettelijke wortels ontdaan, maar één monument stond nog als graniet: het fotobureau Magnum. Sinds kort is er een boek uit dat ook dit beeld verbrokkelt. De Engelse journalist Russell Miller schreef het, zonder de omstandige, schier onaanvechtbare en museaal plechtstatige omschrijvingen die de meeste publicaties over Magnum teisteren.

De mythe rond Magnum kon standhouden zolang de oester gesloten bleef. Miller slaagde er na een jaar aandringen in om de archieven te bestuderen. Toen nog vonden de Franse fotografen dat vijftig jaar Magnum eigenlijk door een Fransman moest worden geboekstaafd. En wilden leden Bruce Davidson ('Magnum behandelt me de laatste jaren like shit') en Gilles Peress ('Gaat je niks aan') niet geïnterviewd worden. Peress meende zelfs te kunnen verbieden dat andere leden ook maar iets over hem zouden vertellen. Om maar aan te geven dat begenadigde fotografen niet per se een makkelijk karakter hoeven hebben.

Niet bekend

Deze vijftig leden samen zijn de baas. Alle personeel is ondergeschikt, ook de bureauchefs te Parijs, New York, Londen en Tokyo. Voorstanders spreken van de ideale voedingsbodem voor artistieke perfectie, tegenstanders van pure anarchie.

Het boek van Miller leidt de lezer met een geweldige verzameling feiten, journalistieke leerstukken en anekdotes via hoogtepunten in jaren vijftig, zestig en zeventig naar de dreigende ondergang van de laatste jaren.

Magnum is in het voorjaar van 1947 opgericht door het heldhaftige kwartet Robert Capa, David Seymour (bijnaam Chim), George Rodger en Henri Cartier-Bresson. Ook toen al lag het bankroet continu op de loer. In Capa had het bureau een beschermengel die altijd in staat bleek de laatste honderd dollar wonderbaarlijk te laten vermenigvuldigen op de paardenrenbaan of aan de pokertafel. Totdat hij op 24 mei 1954 op een landmijn stapte in de Vietnamese jungle.

In de jaren vijftig en zestig groeide het bureau uit tot de belangrijkste visuele vastlegger van de geschiedenis: de Suez-crisis, de Hongaarse opstand, de Cuba-crisis, John F. Kennedy, Vietnam, maar ook Hollywood en het dagelijks leven in alle uithoeken van de wereld.

In de jaren zeventig blijft er grote belangstelling voor de brandhaarden in het Midden-Oosten, in Latijns-Amerika en Noord-Ierland. En er is een toenemende tendens naar documentaire-fotografie: grote reportages die uitmonden in boeken en tentoonstellingen. Intussen laaien discussies op over de toelaatbaarheid van foto-opdrachten voor jaarverslagen van bedrijven. 'Prostitué', schreeuwt Bruce Davidson (dik 50 jaar) mede-eigenaar Burt Glinn (zestiger en fotograferend voor bedrijven) toe, ieder aan een kant van de vergadertafel staand, met gezwollen aderen en de neuzen slechts centimeters van elkaar verwijderd.

In de jaren tachtig is er een opleving met fotografen die de Magnum-traditie van journalistiek en sociale bewogenheid perfectioneren: Alex Webb, Eugene Richards, James Nachtwey, Abbas en Sebastiao Salgado. De laatste wist in 1981 het dreigend faillissement te voorkomen, door toeval. Salgado (toen nog genomineerd lid) was de enige fotograaf die aanwezig was toen John Hinkley een bijna fataal schot loste op president Reagan. De eerste verkopen leverden wereldwijd ongeveer 250 duizend gulden op.

In 1987 bestond Magnum veertig jaar en dat moest gevierd worden met een mission impossible: maak in opdracht van vijftig Magnum-leden een tentoonstelling en een boek waarin alle leden en hun voorgangers evenredig en uitgebalanceerd aan bod komen. Bruce Davidson wilde evenveel foto's als Cartier-Bresson. Parijs beschuldigde New York van te veel invloed en vice versa. Oprichter George Rodger voelde zich ernstig tekort gedaan in de begeleidende tekst. Om met de Parijse bureauchef François Hebel te spreken: 'Het zijn allen sterke persoonlijkheden en als je die vraagt een groep te vormen raken ze in paniek.'

Twee jaar later dan gepland verscheen In Our Time. Bij Magnum was niemand tevreden of erger, maar de rest van de wereld genoot: een overzicht van de mooiste foto's die tussen 1935 en 1987 zijn gemaakt. Het boek behoort tot de best verkochte fotoboeken, vrijwel elke instelling in de wereld die zich met fotografie bezighoudt heeft een of meer exemplaren in de kast. Het leverde Magnum meer dan vier ton op en leidde tot vervolg-ondernemingen als Magnum Cinema, A l'Est de Magnum en Magnum Landscapes.

Zeker sinds begin jaren negentig lijkt Magnum op zoek naar een antwoord op de bedreigingen van deze tijd: de televisie soupeert de meeste reclamegelden op, waardoor de vroeger toonaangevende magazines minder geld hebben; de markt vraagt om snelheid, volgens velen bij Magnum een vijand van kwaliteit.

Salgado, inmiddels uitgegroeid tot verreweg de belangrijkste fotograaf van begin jaren negentig en goed voor een jaaromzet bij Magnum van vier ton, meldde als donderslag bij heldere hemel dat hij het agentschap ging verlaten.

Tijdens een spoedvergadering eind 1992 zei Salgado dat hij slechts wilde blijven als Hebel zou worden ontslagen, als alle fotografen 30 duizend gulden zouden storten ter versterking van de Magnum-kas, de fotografen in kleinere groepen naar opdrachten zouden zoeken en de bestaande organisatie slechts als archiefbureau zou doorgaan.

Abbas nam het woord chantage in de mond, waarop Salgado zei het pand te gaan verlaten. Cartier-Bresson - toen 84 jaar - sprong op, klemde zijn stoel onder de deurklink en riep: 'O nee, dat doe je niet'

Een jaar later trekt ook Eugene Richards, gezichtsbepalende Amerikaanse fotograaf met een geweldige sociale bevlogenheid, zich terug uit Magnum.

Intussen is Magnum moeizaam doende een digitaal archief op te zetten. Het bureau heeft prachtig historisch materiaal, dat nu 60 procent van de omzet oplevert. Maar de concurrerende bureaus zijn al digitaal en kunnen de klanten snel en aangenaam foto's leveren. Chris Steele-Perkins overtuigt een groeiend aantal Magnum-fotografen van de noodzaak het computertijdperk binnen te treden, puur ter overleving.

Fotografische en artistieke vernieuwing is even moeizaam. De komst van Martin Parr leidde tot heftige disputen. De zieke Burt Glinn sleepte zich naar de vergadering waar Parr met één stem meerderheid werd gekozen.

In 1995 vierde Parr successen met een tentoonstelling en een boek met vervreemdende foto's waarop toeristen trekpleisters inalle continenten gadeslaan, veelal ingeflitste kleurenfoto's. Cartier-Bresson trof de Engelsman op de expositie in Parijs: 'Ik heb je maar één ding te zeggen. Je komt mijns inziens van een compleet andere planeet.' 'Bedoelt u dat zijn werk u niet aanstaat,' vroeg een aanwezige verslaggever nog. De toen 87-jarige trilde van woede en riep: 'Nooit, nooit herhaal ik mezelf'

HCB (koosafkorting) kan ook aardig zijn. Zo gaf hij Luc Delahaye een van zijn Leica's nadat deze berooid en gemarteld was teruggekeerd van een reis naar Krajina. Maar Delahaye past dan ook perfect in het Magnum-beeld: professioneel oorlogsfotograaf met menselijke blik.

Russell Miller: Magnum, Fifty years at the front line of history - the story of the legendary photo agency.

Secker & Warburg; ¿ 52,50.

ISBN: 0436203731

Meer over