Macht komt niet uit een geweer

Ze was in elk geval een echte 20ste-eeuwer, gevormd en getekend door de dramatische gebeurtenissen van die eeuw, met een grote alertheid voor de politieke actualiteit en een niet door ideologische vooringenomenheid vertekende blik. Geboren als kind van joodse ouders in de nabijheid van de destijds Oost-Duitse stad Königsbergen raakte ze al vroeg in de ban van de filosofie. Ze studeerde bij beroemdheden als Martin Heidegger, Edmund Husserl en Karl Jaspers. Nadat in Duitsland Adolf Hitler aan de macht was gekomen, week Arendt uit naar Parijs. Van daar slaagde ze er in 1941 nog in om naar de Verenigde Staten te vluchten, het land waar ze de tweede helft van haar leven zou doorbrengen en haar belangrijkste, befaamd geworden boeken zou schrijven. Desondanks bleef haar blik steeds sterk Europees gekleurd.

Wat haar manier van analyseren betreft - sterk associatief, altijd teruggrijpend op historische bronnen en paralellen en niet bang voor het vellen van normatieve oordelen - is ze het meest verwant met prominenten van de Frankfurter Schule als Benjamin, Adorno en Habermas. De onverschrokkenheid waarmee zij zich op grote thema's wierp - nooit bang om zich te vertillen - en waarmee ze poogde haar inzichten een systematische vorm te geven, doet ook denken aan de werken van Karl Marx en Sigmund Freud.

Als gevolg van Arendts gerichtheid op eigentijdse politieke ontwikkelingen is het onvermijdelijk dat sommige van haar inzichten een enigszins gedateerde indruk maken. Zo heeft ze veel geschreven over de Koude Oorlog en over de psychologische en politieke effecten van het nucleaire afschrikkingsevenwicht tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Nog steeds interessant, maar sinds het einde van de Koude Oorlog toch behoorlijk achterhaald.

Ook voor de twee boeken die nu voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald, Over revolutie, voor het eerst verschenen in 1963/1965, en Over geweld (1969/1970) geldt dat nogal wat van de actuele voorbeelden waarmee Hannah Arendt haar analyse illustreert en kruidt, onderhevig zijn aan de slijtage van de tand des tijds. De keuze om nu juist deze twee boeken in het Nederlands uit te brengen doet enigszins willekeurig aan. Het zou in elk geval zeker aanbeveling verdienen om voor lezers die in persoon en werk van Arendt geïnteresseerd zijn, ook de schitterende biografie die Elisabeth Young-Bruehl over haar heeft geschreven, For the Love of the World, in het Nederlands te vertalen. En dan liefst wat minder houterig dan de vertaling die Rob van Essen heeft gemaakt van On Revolution en On Violence.

Dit gezegd zijnde blijft er voor de liefhebbers genoeg over om te genieten van Over revolutie en Over geweld. Beide boeken zijn voorzien van een informatieve en uiterst toegankelijke inleiding van de Amsterdamse politicoloog Ido de Haan, een goede en betrouwbare gids in Hannah Arendts berglandschap. Het aantrekkelijke van dat landschap is dat je soms een vergezicht bereikt waar je alleen maar 'aaahhh' kunt roepen, betoverd door de haast profetische kracht van sommige van haar uitspraken. Zoals: 'De geschiedenis van de oorlogvoering in onze eeuw zou (. . .) gezien kunnen worden als een verslag van de groeiende onmacht van het leger (. . .), tot op het punt waarop (. . .) de rol van het leger openlijk (. . .) (is) veranderd van die van beschermer tot die van een verlate, en in wezen machteloze wreker.'

Arendt doelde met deze woorden op de consequenties van de nucleaire afschrikking. Maar bij het lezen zie je voor je geestesoog de beelden van Fallujah of het Jabalya-kamp in de Gazastrook oprijzen. En wat te denken van het volgende citaat: 'In Irak hebben we gezien hoe een enorme overmacht aan geweldsmiddelen volkomen nutteloos is als ze geconfronteerd wordt met een slecht uitgeruste, maar goed georganiseerde tegenstander (. . .)' Precies. Alleen schreef Arendt: 'In Vietnam hebben we gezien (. . .)'

In Over revolutie beschrijft Arendt wat haars insziens het doel van iedere revolutie is (of behoort te zijn; tussen zijn en behoren maakt ze nauwelijks onderscheid). Dat doel is: vrijheid. Publieke vrijheid en publiek geluk, dat wil zeggen: het geluk dat een burger kan ervaren als hij of zij rechtstreeks deelneemt aan het besturen van de samenleving. Om na te gaan waarom revoluties dit doel wel of niet bereiken, vergelijkt ze de Amerikaanse Revolutie (uitmondend in de Onafhankelijkheidsverklaring en de grondwet) met de Franse. De Russische Revolutie van 1917, die Arendt beschouwt als een minder geslaagde imitatie van de Franse, wordt daarbij zijdelings besproken.

Ze komt tot de conclusie dat de Franse Revolutie haar doel niet heeft bereikt omdat de omverwerping van het Ancien Régime de in bittere armoede levende massa's het politieke toneel op dreef. Zij werden niet gedreven door verlangen naar vrijheid, maar door de dringende behoefte een eind aan de armoede te maken, en oefenden daardoor zo'n grote permanente druk uit op de achtereenvolgende revolutionaire leiders, dat die er niet in konden slagen om een nieuwe revolutionaire orde, gegrondvest in de macht van het volk en in de wet, tot stand te brengen.

Ook verwijt ze Robespierre en de Jacobijnen dat zij de tijdens de revolutionaire woelingen spontaan opkomende burgercomités ontbonden of onder controle van hun eigen kliek brachten. Een kleine anderhalve eeuw later deed Lenin precies hetzelfde met de eveneens spontaan ontstane sovjets (raden). En dat terwijl volgens Arend dit soort spontane, partijloze raden van betrokken citoyens het vehikel bij uitstek zouden zijn om vorm te geven aan de directe democratie waarin burgers hun publiek geluk kunnen beleven.

Gezien haar voorkeur voor een directe (raden-)democratie laat het zich raden dat Arendt met veel belangstelling en ook sympathie de verrichtingen van de New Left en de studentenbewegingen gadesloeg, die zich in Amerika, West- en Oost-Europa (Praag '68) eind jaren zestig manifesteerden. Toch was haar waardering zeker niet onkritisch. Ze verweet de linkse studenten dat ze zich lieten leiden door een achterhaalde ideologie, die bestond uit een 'hutspot van allerhande marxistische kliekjes'. Maar bovenal maakte ze zich zorgen over de tendens om geweld te verheerlijken als een noodzakelijk ingrediënt van de nagestreefde revolutionaire vernieuwing.

In Over geweld maakt ze een begripsmatig onderscheid tussen macht en geweld, waarbij ze en passant ook 'gezag' en 'terreur' bespreekt, en dit levert een buitengewoon boeiende beschouwing op.

Volgens Arendt is 'macht' nooit een eigenschap van een persoon, maar uitsluitend van een groep en vloeit ze voort uit het eensgezinde handelen van die groep. Daarom noemt zij het geweldloze verzet van Gandhi tegen de Britse kolonisatoren en de Amerikaanse beweging voor (zwarte) burgerrechten als voorbeeld van een 'bijzonder machtige en succesvolle strategie'. Geweld daarentegen is instrumenteel, het berust op de middelen die een overheid of een opstandige groepering heeft om geweld mee uit te oefenen.

Arendt bestrijdt de opvatting van Mao Zedong (destijds populair onder een deel van de revolterende studenten) dat macht uit de loop van een geweer komt. Geweld komt uit de loop van een geweer, niet macht. Macht stort ineen, wordt vernietigd wanneer ze niet langer berust op instemming, op legitimiteit. Dat is het moment waarop hetzij een overheid haar toevlucht neemt tot teugelloos geweld, hetzij revolutionaire bewegingen (al of niet met geweld) een kans krijgen. Alweer is dit het moment voor een Aha-Erlebnis. Want Arendt ontwikkelt deze beschouwing aan de hand van gebeurtenissen uit de jaren zestig, maar haar theorie over het ontstaan van revolutionaire mogelijkheden als de macht het bij gebrek aan legitimiteit begeeft, kan zonder meer worden toegepast op de 'fluwelen revoluties' die in de late jaren tachtig in Oost-Europa een einde aan het communisme maakten.

Op tal van Hannah Arendts inzichten kunnen we, met onze wijsheid achteraf, het nodige afdingen. Maar haar redeneringen blijven altijd de moeite waard en zijn soms gewoon verrukkelijk opwindend.

Hannah Arendt: Over revolutie. Vertaald uit het Engels door Rob van Essen. Atlas; 400 pagina's; ¿ 24,90. ISBN 90 450 0900 5.

Hannah Arendt: Over geweld. Vertaald uit het Engels door Rob van Essen. Atlas; 156 pagina's; ¿ 16,50. ISBN 90 450 1197 2.

Meer over