Maastricht doet de Italianen, Leiden het Hollands landschap Ruilverkeer moet bezit Nederlandse musea beter verdelen

Eén enorm nieuwbouwcomplex waarin het belangrijkste Nederlandse museumbezit netjes per genre wordt ondergebracht. In Frankrijk zou zo'n onderneming misschien mogelijk zijn, maar in Nederland streven museumdirecteuren op een andere manier naar samenhang....

IN 1979 KOCHT het Van Abbe Museum zijn eerste van vier Anselm Kiefers, Märkische Heide, voor minder dan tienduizend gulden. Een paar jaar later was de Duitse schilder zo hip dat ze hem in Eindhoven niet meer konden betalen. Het iets rijkere Boijmans Van Beuningen ging Kiefers verwerven. In de tweede helft van de jaren tachtig schoten de prijzen nog verder omhoog, zodat uiteindelijk alleen het Stedelijk Museum zich het werk nog kon veroorloven. In 1992 bracht een werk van Kiefer drie ton op.

De laatste tijd zijn de prijzen op de kunstmarkt wat milder. Kiefers kolossale schilderijen met lood, strootjes en dikke plakkaten verf zijn wat billijker geprijsd, zodat het Kröller-Müller in Otterlo nu overweegt werk van hem te kopen. Als dat gebeurt, zal Anselm Kiefer in Nederland in alle windstreken te vinden zijn. Deze topografische versnippering is precies waar het om draait in het begrip Collectie Nederland.

De gedachte het kunstbezit van alle musea te zien als één collectie, de Collectie Nederland, was in 1990 een ingeving van Hedy d'Ancona, de toenmalige minister van Cultuur. De Collectie Nederland is op te vatten als een zuiver theoretisch begrip. Een Rotterdamse conservator ziet de Collectie bijvoorbeeld als 'een museum met snelwegen tussen de verschillende zalen'.

Maar een dergelijke abstractie is niet de inzet van de centrale overheid. Musea, heeft d'Ancona's opvolger staatssecretaris Nuis al bij herhaling gemaand, dienen meer oog te krijgen voor bovenlokale belangen. Ze moeten vaker van elkaars collecties gebruik maken. Er dient meer samenhang te komen in de miljoenen objecten die nu in Nederland verspreid worden tentoongesteld en opgeslagen. En het trefwoord luidt collectiemobiliteit.

Conservator Piet de Jonge van Museum Boijmans van Beuningen heeft er weer een andere term voor. 'Culturele ruilverkaveling', noemt hij het - een proces dat maar moeizaam op gang komt. Dat is overigens niet verwonderlijk. Musea hebben altijd grote autonomie genoten. Bovendien hebben grote steden een traditie om elkaar met cultuurpolitiek te beconcurreren. 'Maar als het om ruilverkeer gaat, zie ik veel meer beweging dan een paar jaar geleden', zegt De Jonge. Toen het Boijmans in de jaren tachtig Senzo Titolo (1973) van Jannis Kounellis en Croce (1965) van Luciano Fabro in langdurige bruikleen afstond aan het Van Abbe Museum, in ruil voor Driven man Driven snow (1976) van Bruce Nauman en Fragment van een kruisiging (1950) van Francis Bacon, werd dat beschouwd als een verbazingwekkende stap.

Tijden veranderen, constateert ook Rik Vos, directeur van wat per 1 april Instituut Collectie Nederland (ICN) heet, opvolger van onder meer de Rijksdienst Beeldende Kunst. Conservatoren en directeuren zitten minder als een broedkip op hun bezit. 'Vroeger was het voor een museum een gruwel om iets uit de collectie te stoten.' Vos herinnert zich glimlachend het verzet toen hij, in zijn vorige baan als directeur van het Fries Museum, dertig kubieke meter oud schoolmateriaal trachtte te redden van de muizen in de opslagkelders.

Vos vond een schoolmuseum dat gelukkig was met het materiaal dat in Friesland gedoemd was in depot weg te teren. Maar zijn conservatoren trof het in het hart. Ze snelden stiekem met stukken onder hun jas de kelders uit. Nog weken na de verhuizing haalde Vos oude schoolplaten van achter hun kasten en onder bureaus vandaan. De conservatoren konden er geen afstand van doen. 'Dat pekelen van de collectie', zegt Vos, 'dat zit de conservatoren toch een beetje in het bloed.'

Een recent voorbeeld van clustering in de Collectie Nederland is het ruilverkeer met werk van Francis Bacon (1909-1992). Nederland bezit vier werken van Bacon, in eigendom bij vier musea: Boijmans Rotterdam, het Stedelijk Museum Amsterdam, het Van Abbe in Eindhoven en het Haags Gemeentemuseum. Tien jaar geleden al kreeg Boijmans de Bacon van het Van Abbe in langdurige bruikleen. En conservator De Jonge rekent erop binnenkort Bacon nummer drie, Paralytic child walking on all fours (1965), in bruikleen te krijgen van het Stedelijk Museum. Amsterdam verlangt daarvoor waarschijnlijk het Croce van Fabro retour, dat Boijmans weer in ruil voor Bacon nummer twee aan het Van Abbe in bruikleen gaf. Om de driehoeksruil compleet te maken, heeft het Van Abbe nog iets tegoed van Boijmans.

Je kunt dat schuiven met topstukken een soort koehandel noemen, erkent De Jonge. Hij zit er niet mee, zijn instelling is nogal pragmatisch. Ook als het mislukt, zoals de ruil met de vierde en laatste 'losse' Nederlandse Bacon, Paralytic child (1964). De Jonge had dit werk graag in Rotterdam gehad, maar het Haags Gemeentemuseum staat het niet af.

'Dat is jammer, maar Den Haag heeft wel legitieme redenen om zo'n werk in de eigen collectie te houden', zegt De Jonge. 'Dat ruilverkeer moet natuurlijk niet het karakter krijgen van een sigarenbandjesverzameling waarbij je alles van één merk compleet wilt hebben.'

Vooral over dat laatste bestaat consensus bij de conservatoren van de grote musea. De Collectie Nederland moet geen kwartetspel worden. Voor de identiteit van een museumcollectie kan een schilderij van Kiefer zowel voor het Kröller-Müller, Van Abbe, Stedelijk als Boijmans onmisbaar zijn. Zeker ook gelet op de historische context van een verzameling. Juist met het oog op wat ook wel de genealogie van een collectie wordt genoemd, is volgens Geurt Imanse, hoofd collecties Stedelijk Museum, ruilverkeer alleen mogelijk op basis van bruikleen-overeenkomsten. Zodat een nieuwe directeur weer terug kan draaien als hij dat nodig vindt.

Die bruikleenformule geldt bijvoorbeeld ook voor de ruil tussen het Stedelijk en het Haags Gemeentemuseum. Stedelijk-directeur Rudi Fuchs is een verklaard liefhebber van het werk van Bruce Nauman, van wie hij de installatie Carrousel kocht toen hij nog de scepter zwaaide bij het Haags Gemeentemuseum. Het is de enige Nauman die Den Haag bezit. Fuchs heeft het naar Amsterdam gehaald in ruil voor het schilderij Overreden hond van Constant. Carrousel is nu meer op zijn plek bij andere werken van Nauman die reeds in het bezit van het Stedelijk waren.

Tegenover de angst van conservatoren voor 'sigarenbandjescollecties', plaatst ICN-directeur Vos bij voorkeur het zogeheten Armando-argument. Wat als elk regionaal museum met zijn eigen Armando wil pronken? 'Dan heb je straks voor twaalf miljoen gulden Armando's op vijftig vierkante kilometer. Wie schiet daar wat mee op?'

Nederland kent geen centrale sturing in het aankoopbeleid van musea. 'Er is geen bedrijfstak die zo autocratisch wordt bestuurd als het museum voor moderne kunst. Het is niet overdreven om te stellen dat de identiteit van een museum synoniem is met die van zijn directeur', mopperde het blad Kunst en Museumjournaal een paar jaar geleden.

Rik Vos is in zijn nieuwe functie wel bereid een steen in de vijver te werpen, maar hij benadrukt dat zijn Collectie Nederland geen 'collectiepolitie', maar een service-instelling is. De hoofdtaak van het ICN is het beheer van de rijkscollectie - 150 duizend kunstwerken - en daarnaast kunnen musea bij Vos aankloppen voor advies over collectiebeheer, restauratieaanpak en collectiebemiddeling. Het is een nieuwe rol die het instituut gaat spelen, het moet zijn plek nog vinden in de museumwereld.

Er is één instelling die wel grip kan krijgen op de autonomie van de musea. Financiële steun van de Mondriaan Stichting is, gelet op de prijzen op de kunstmarkt, voor een museum onmisbaar als het een topstuk wil verwerven. En de Mondriaan Stichting kijkt bij de beoordeling van dat verzoek om steun ook naar het profiel van de collectie van het museum en het verzamelplan.

De Mondriaanstichting bespeurt wel een mentaliteitsverandering onder de museumdirecteuren. Gealarmeerd door de hoge prijzen voor topkunst, staken acht directeuren van musea voor moderne kunst dit jaar de koppen bij elkaar en wierpen zich op als hoeder van de goede naam van de Collectie Nederland in het buitenland. Ze vroegen staatssecretaris Nuis een extra aankoopbudget van vier miljoen gulden, te verdelen door de Mondriaan Stichting. 'Bij de verdeling ervan zal de stichting toezien op collectie-afstemming en museale bereidheid tot bruikleenverkeer', lieten de directeuren weten.

Met een beetje meer kennis van wat er zich in de museumdepots bevindt, zou de Collectie Nederland zich een stuk rijker kunnen voelen, ook zonder die vier miljoen extra. Het gebeurt dat een klein museum een dure Jan Sluyters (1881-1957) koopt op de veiling, 'terwijl wij in Rotterdam een mooie Sluyters in bezit hebben die het depot zelden uitkomt', zegt Piet de Jonge van het Boijmans. Wat dat betreft is de museumwereld nieuwsgierig naar een ander project van het ICN: het opzetten van een computernetwerk waarin Nederlandse musea laten weten wat ze nodig hebben.

Het ruilen van A-stukken als van Nauman, Bacon en Fabro mag dan relatief nieuw zijn, het bruikleenverkeer van depot-werk is een stuk ouder dan het begrip Collectie Nederland. Zo hangt het schilderij Seine bij Marnes van Signac, eigendom van het Kröller-Müller, al jaren in het Van Gogh Museum, omdat Otterlo goed in de pointillisten zit en Amsterdam niet.

'Maar het is ook wel handig het label van de Collectie Nederland op dat bestaande bruikleenverkeer te plakken', zegt Dorothé Cannegieter, directeur van Rijksmuseum Twenthe. Zij heeft het begrip Collectie Nederland 'flink misbruikt' in haar streven Twenthe met een substantiële collectie achttiende-eeuwse schilderkunst te verrijken.

Cannegieter: 'De achttiende eeuw is een gat in markt, als ik dat even oneerbiedig mag zeggen.' Het tijdvak is relatief onontgonnen en de schilderijen zijn nog betaalbaar. Cannegieter beschikt in Twenthe over een flink aantal bruiklenen achttiende-eeuws werk uit de rijkscollectie. De ontbrekende schakels in haar verzameling heeft ze op een 'verlanglijstje' genoteerd en daarmee is ze op tour de depot gegaan. In de kelders van het Rijksmuseum, het Amsterdams Historisch en het Boijmans tikte ze zo fraaie bruiklenen op de kop. Portret van graaf Johannes van den Bosch (1829) van Cornelis Kruseman en De zelfopoffering van predikant Hambroeck van Pieneman hangen nu in Enschede.

Zo ziet het Instituut Collectie Nederland dat graag. Museum de Lakenhal in Leiden legt zich toe op het Hollandse landschap, het Bonnefanten in Maastricht op de Italianen en het Noordbrabants Museum in Den Bosch op bloemstillevens. Elk museum kiest een specialisatie en speurt de depots af naar waardevol werk. Want, zegt ICN-directeur Vos 'musea kunnen maar tien procent van hun collectie laten zien. Negentig procent zit in depots op dure A-locaties te wachten op niks.' En wat in depot zit, kost geld. Niet alleen omdat de opslagruimtes steeds voller worden, ook omdat kunst in depot gestaag kwaliteit verliest en zonder restauratie onherroepelijk verloren gaat. 'Ik vergelijk zo'n depot wel eens met de dierentuin', zegt Vos. 'Je kunt de tent wel dichtgooien, maar je moet toch de beesten voeren.

De overvolle opslagruimten nopen de musea ook tot andere keuzes. Niet alles wat in de kelder zit, heeft eeuwigheidswaarde. 'Er zit een hoop bagger in de depots', zegt Vos kordaat. Ook de rijkscollectie van de voormalige Rijksdienst Beeldende Kunst is op die manier 'gesaneerd'. Vos gebruikt in dit verband liever het woord 'selectie' of - nog fijner - 'negatief verzamelen'. Maar het komt uiteindelijk wel neer op weggooien.

'Hoeveel Friese koekplanken kun je bewaren? Duizend is te veel. Maar is tien te weinig?', vraagt Vos retorisch. Bij deze beheerskeuzes speelt mee dat onder begrip Collectie Nederland niet alleen kunst valt, maar ook kunstnijverheid en cultuurhistorische objecten. Van legermateriaal tot Francis Bacon of oude Friese schoolbanken. De 'selectie' bij deze miljoenen voorwerpen, komt nog maar traag op gang. 'Museumdirecteuren zijn tobbers', meent Vos. 'Ik zeg vaak tegen ze: wees niet bang.'

Je kunt het idee van de Collectie Nederland ook rigoureus aanpakken, mijmert conservator Piet de Jonge. Je zet een enorm gebouw in de polder neer en brengt daar alle kunst in onder. Maar dergelijk dirigistisch denken à la Pompidou of Mitterrand is slecht te rijmen met de gedecentraliseerde Nederlandse museumtraditie. In een klein kland ontbreekt de noodzaak ook. Met een beetje goede wil kun je op een dag alle Kiefers in Nederland bekijken.

Meer over