Kort verhaal

Maartje Wortel begint de slutty summer waar we zo naar verlangden met een kort verhaal: ‘Ben jij mij aan het versieren?’

Ter inspiratie voor de zogeheten slutty summer van 2021 waar we zo naar uitkeken, vroegen we zes auteurs om aan de haal te gaan met dit thema. Maartje Wortel trapt af met: Rampgebieden.

Maartje Wortel Beeld Anna Boulogne
Maartje WortelBeeld Anna Boulogne

Elgar wist hoe voorbijgangers hem erbij zouden zien zitten. Hij had zichzelf gezien in de reflectie van de ruit en was geschrokken. Hij hing over zijn toetsenbord in een blauw licht. Als hij lang doorwerkte, vergat hij de lampen aan te doen. Het beeldscherm bleef wel schijnen, dat was het probleem niet.

Hij moest naar buiten, net als de rest. Maar tegen de tijd dat hij naar buiten wilde, mocht hij niet meer naar buiten. Ze hadden het hem verboden, al begreep hij niet waarom: alsof iedereen die ’s avonds een rondje zou gaan wandelen, elkaar zou besmetten.

De mensen die iets over hem te zeggen hadden, zeiden: binnen blijven is noodzakelijk, anders drinken de mensen te veel. En als de mensen te veel drinken, gaan ze aan elkaar zitten. Elgar dronk helemaal niet te veel. Hij werkte altijd en als hij niet werkte, raakte hij de kraan, de koekenpan, zijn specerijen aan. Hij hield van koken. En van pistachenoten. Iedereen die Elgar een beetje kende, wist dat hij over elk gerecht pistachenoten strooide, zoals sommigen dat doen met kaas.

Elgar had deze dagen meer werk dan ooit. Hij voerde onderwatercodes in om websites te construeren. Hij creëerde in een voor anderen onbegrijpelijke taal een nieuwe wereld, die oppervlakkiger leek dan-ie was. Vroeger, op feestjes, zei hij dat hij diepzeeduiker was. Hij hoopte er meisjes mee te versieren. Hij had vaak genoeg een meisje versierd, maar geen van hen was echt geïnteresseerd geweest in het duiken. Er was wel een meisje geweest dat had gezegd dat ze er niets van geloofde, dat hij dook. Maar dat het oké was. Er bestaan ergere leugens, had ze gezegd. En daarna was ze bovenop hem gaan zitten.

Nu surfte hij al uren op het internet, bovenwater. Hij was op zoek naar een nieuwe lamp. Aangezien de wereld nu weer verboden gebied was geworden, kon hij daar weinig uitrichten, maar aan zijn woonkamer kon wel het een en ander gebeuren.

Onder andere omstandigheden waren er wellicht andere dingen tussendoor gekomen, bij deze lampenzoektocht, zoals etentjes met vrienden, zelfgemaakt pistache-ijs, zeiltochten of een squashwedstrijd. Elgar squashte. Het was een spel dat hem jarenlang had gerustgesteld. Het spel, of misschien was het zijn manier van spelen, deed hem aan zijn eigen leven denken. Het gaf hem inzichten en, dus, overzicht. Ook in zijn driftaanvallen. Sommige mensen lezen filosofieboeken en anderen spelen squash. Omdat ook de squashbanen dicht waren had Elgar een spelcomputer gekocht waarmee je in je woonkamer met een digitaal tennisracket tegen een denkbeeldige bal kon slaan. Toen hij zag dat de overbuurvrouw met een glas wijn in haar hand naar hem stond te kijken, was hij daarmee gestopt.

Hij schaamde zich niet tegenover de buurvrouw, hij werd er verdrietig van dat hij in korte tijd iemand was geworden die hij – volgens zichzelf, althans – niet was. Hij schoof de spelcomputer onder de bank en dacht erover een hond te nemen. Maar hij bezat net genoeg zelfkennis en nam geen hond. Op een avond dat hij weer eens in het licht van zijn computer zat te werken, herinnerde hij zich een documentaire over lichttherapie in Scandinavië. Mensen schenen enorm op te knappen van licht. Om zijn vitaliteit terug te krijgen, zijn zelfvertrouwen niet te verliezen, had hij licht nodig. Soms stond je niet eens stil bij de simpelste dingen. Hij had een paar pakken peertjes bij de supermarkt kunnen halen, maar Elgar was iemand die in het totaalpakket geloofde: alles moet kloppen, anders werkt het niet. Dat had hij later ook tegen Luka gezegd. Ik ben geïnteresseerd in jou als totaalpakket, en geloof het of niet, Luka had hem geantwoord dat ze dit – net als de meeste dingen aan Elgar, overigens – opwindend had gevonden.

Dus Elgar bestelde een lamp op het internet. Uiteraard hadden die lamp en de lichttherapie helemaal niets met elkaar te maken, behalve dat ook de lamp uit Scandinavië kwam. Dit alles was nu al weken geleden. Hij mocht nog steeds niet naar buiten. Hij luisterde naar wat er gezegd werd zonder zich al te veel vragen te stellen bij de hem opgelegde regels. Zodoende had hij al heel lang niet gedanst, gekust, gevreeën, of iets wat er maar van in de buurt kwam. Het uitknijpen van de limoenen boven een Thais gerecht was zo’n beetje het meest erotische wat er was gebeurd. En nu had hij licht nodig. Sinds hij de lamp besteld had, verlangde hij zelfs naar dat ding zoals hij eerder naar een mens had verlangd. Het donker ging hem te ver. Het licht moest hem – eh ja – letterlijk licht brengen.

Hij mailde het bedrijf met de vraag waar de lamp bleef. Het was een beleefde mail geweest, maar er kwam geen antwoord. Hij mailde opnieuw en wachtte opnieuw een paar dagen af. Weer was er niemand die hem gerust kon stellen. Dus zocht hij het nummer op van het bedrijf.

Met Luka, zei een vrouw aan de andere kant van de lijn. Een kort moment dacht hij dat Luka de naam van het bedrijf was. Toen begon hij over zijn lamp. Hij legde uit dat hij had besteld en al betaald, ook. Hij zei dat hij snapte dat alles vertraging had. Hij zei ook dat er aan vertraging een limiet zit. Mijn limiet is bereikt, zei hij.

Luka zei dat ze het voor hem zou uitzoeken. In de computer kon zij zien dat de lamp verzonden was. Ik denk dat-ie zoek is, zei ze.

Elgar zei dat dit niet zijn verantwoordelijkheid was. Ik heb niet betaald voor een zoekgeraakt object, zei hij.

Luka zei dat ze hem snapte, maar hij hoorde in haar stem dat ze hem helemaal niet snapte, of in ieder geval: zijn irritatie niet. Op een of andere manier raakte hem dat. Nu hij eindelijk weer eens een gesprek met een onbekende had, wilde hij dat ze het gesprek prettig af konden sluiten. En dus maakte hij een grapje. En Luka lachte. Ook Elgar lachte en omdat hij een stellige behoefte had om te praten of misschien te flirten zei hij plotseling: Ik ben een duiker.

Luka was geen meisje dat met een biertje op het balkon stond tijdens een feestje. Ze bestonden slechts op afstand en in gesproken taal voor elkaar. Dat had Elgar zich te laat gerealiseerd, want Luka vroeg hem wat de andere meisjes niet hadden gevraagd: Waar duik je naar? Nu hij zichzelf de laatste tijd toch al niet meer herkende, nu er werkelijk niets nieuws gebeurde in zijn leven, behalve deze zoekgeraakte lamp, dan, zei hij: Ik behandel de rampgebieden. Hij hoopte dat Luka er inhoudelijk niet al te veel op in zou gaan. Dat deed ze ook niet, ze had zich kennelijk zelf een beeld gevormd (dat nam hem voor haar in), ze vroeg hoe hij zich eronder voelde, of hij nog wel kon slapen.

Elgar antwoordde dat het moeilijk was, dat je ervoor moet zorgen dat je nergens aan gewend raakt, dat het dan echt misgaat, maar dat je aan de andere kant routineus te werk moet gaan omdat je anders inderdaad niet meer kunt slapen.

Ik heb geleerd kalm te zijn, zei hij. Hij dacht aan het squashen, aan alle pogingen die hij had gedaan in zijn leven, alle kanten die hij op was geschoten, en alle muren, alle zwarte vegen van ballen en rackets. Hij wist dat dit van alle leugens de grootste was.

En jij?

Ik ben nooit kalm, zei Luka.

Wat je doet, bedoel ik.

Ik neem de telefoon op als er een lamp zoekraakt, zei ze. En ze vertelde dat ze daarnaast journalist is.

Luka is een mooie naam, zei Elgar.

En Luka zei: Weet je wat ik het meest mis? Een sigaret delen met een vreemdeling.

We kunnen roken, zei Elgar. We kunnen bellen én roken. Misschien komt het in de buurt.

Dus belden ze later die avond weer. Elgar kwam erachter dat Luka niet van pistache-ijs hield, maar wel van pistachenootjes. En dat ze graag fietste langs lange kanalen waar containerschepen voeren. Van containerschepen werd ze rustig, dat er producten waren die via de traagste weg vervoerd konden worden, geen haast hadden. Elgar maakte toen weer een grapje over de lamp.

Luka zei: Je maakt me aan het lachen.

Na een paar keer bellen in diezelfde week werden de gesprekken intiemer. Luka vertelde dat haar vader dood was en dat ze twee katten had. Ook zei ze dat ze had samengewoond met een jongen die Simon heette, maar dat de seks niet zo goed was. Allerminst, zei ze.

Waarom niet? Vroeg Elgar.

Omdat hij zichzelf overschatte, zei ze. Er was iets verkeerd aan de energie tussen ons. Hij dacht dat zijn taak erop zat nadat hij mij had versierd. En daarna vroeg ze aan Elgar: Ben jij mij eigenlijk aan het versieren?

Elgar nam een trekje van zijn sigaret, hij wist dat ze dat kon horen. Hij gaf geen antwoord, hij blies rook uit in de hoorn. Ze zei, heel zacht: Ik heb zin in de zomer.

De zomer? vroeg Elgar.

Je weet wat ze zeggen over de zomer. Dat wist Elgar niet, maar hij snapte wat ze van hem wilde. Misschien kunnen we elkaar tot die tijd verhalen vertellen, zei hij. Hou je van verhalen?

Ik hou meer van films, zei ze. In romans gaat het altijd over mislukte liefdes. In films komen mensen vaak samen, ook als het onmogelijk is.

Dit zag Elgar als een uitnodiging. Hij zei: Het schemert. Het is een warme dag geweest, je hebt gezwommen in een koel en helder meer. Je bent opgedroogd onder een boom, viel in slaap terwijl je eigenlijk wilde lezen. Je fietst nu door de stad naar vrienden als het hard begint te regenen. Je staat onder een afdak, de damp slaat van de stoeptegels. Je ruikt het natte gras. Ik kom naast je staan. We kijken naar de regen en je vraagt of ik een sigaret heb. Nog ééntje zeg ik. En we roken samen.

Zoals nu? vroeg Luka.

Ja, zei Elgar. Maar dan staan we heel dicht tegen elkaar aan.

Dat wil ik.

Wat wil je nog meer?, vroeg Elgar.

Ik wil alles. Maar weet je waar ik bang voor ben? Iedereen heeft het over the summer of love. Dat het een totaal broeierige en sletterige, hete zomer wordt. Simon noemde mij altijd sletje. Ik kom in je, lekker sletje. Dat soort dingen zei hij. Hij fluisterde dat in mijn oor en als hij klaarkwam beet hij in mijn oorlel. Hij had me net zo goed konijntje kunnen noemen, zo lief klonk het. Het voelde helemaal niet alsof ik een slet was. En ik wil dat voelen. Ik heb daar zin in. Maar ik ben bang dat die hele zomer precies dezelfde uitwerking gaat hebben als Simon met dat woord. Dat iedereen stopt waar het zou moeten beginnen.

Elgar zei dat hij erop zou letten keer op keer opnieuw verder te gaan dan waar ze waren aangekomen. Ik wil je zien, zei hij. En ik zal je konijntje noemen en daarmee sletje bedoelen.

De twee belden maanden met elkaar. Ze rookten pakje na pakje, leken elkaar compleet te kennen. Ze hadden telefoonseks gehad. Ze stuurden elkaar in het weekend lange brieven en de hele dag door sms’jes. Ze verloren hun schaamte, werden zelfs verliefd. En toen kwam de zomer waarop iedereen had gewacht, waar de hele wereld naartoe had gewerkt. Zij samen misschien nog meer dan anderen. Ze konden elkaar gaan zien.

Ik kom je lamp brengen, zei Luka tegen Elgar.

Elgar was de lamp inmiddels compleet vergeten.

En ik vroeg me af: wanneer mag je weer gaan duiken?

Maartje Wortel (1982) is schrijver van onder meer IJstijd, Dennie is een Star en De Groef.

Meer over