Maarten is ziek, Freek gescheiden en Lien huilt

OPVALLEND aan het gepruttel dat de populaire roman-in-delen Het Bureau van J.J. Voskuil ook heeft verwekt, is de eensgezindheid van de tegenstanders....

Arjan Peters

Die weerstand onthult iets over de hardnekkigheid waarmee veel lezers blijven verlangen naar een vertelperspectief dat in de negentiende eeuw een bloeitijd beleefde: dat van de alwetende verteller die tussen de personages en de lezer komt staan, en die de interpretatie van de gebeurtenissen liefst zelf vast levert. In haar kordate cursusboek Het geheim van de schrijver (2000) stelt Renate Dorrestein hoofdschuddend vast dat het in Het Bureau niet aan een midden ontbreekt, maar 'eerder aan een begin en vooralsnog een einde. Er zijn geen polen opgesteld, er is alleen moeras.'

De cholerische columnist Patrick Demompere stelt in Erg! (1999) aangaande Het Bureau verwijtend vast: 'Nooit wordt er eens een gesprek samengevat, nooit wordt er eens een stoplap ingeslikt, nooit wordt er eens voor een komisch of absurd effect langs elkaar heen gepraat.'

De Vlaamse professor Hugo Bousset betitelt in zijn essaybundel Bevlogen lichtheid (1999) de Hollandse onderneming als 'niet veel meer dan een therapeutische oefening van een gefrustreerd en pretentieus kereltje'. Tot zijn verdriet trof Bousset geen sporen aan van 'taalmanipulatie' zoals de experimenteel Daniël Robberechts demonstreerde in diens 'Totaaltekst'.

Hoeveel delen lazen de criticasters van de roman die pas dit najaar zal zijn voltooid met de verschijning van De dood van Maarten Koning, voordat ze met hun gepeperde meningen op de proppen kwamen? Zeker is dat de genoemde drie zo'n haast hadden hun partij mee te blazen in het publicitaire geweld dat Het Bureau heeft veroorzaakt, dat ze niet toekwamen aan het analyseren - of zelfs maar het opmerken - van de talloze momenten waarop de manipulatie van de schrijver aanwijsbaar is.

Een opmerkelijk verschil met de gangbare literatuur is alleen dat Voskuil de dialogen grotendeels het werk laat doen, dat hij afziet van opzichtige ingrepen en derhalve evenmin bereid is met eigen duidingen naast zijn verhaal te gaan staan. Alles wat Dorrestein, Demompere en Bousset verlangen zit in Het Bureau, maar de schrijver verdomt het alles hardop toe te lichten. Hij volgt zijn hoofdpersoon Maarten Koning, afdelingshoofd aan het A.P. Beerta-Instituut te Amsterdam, in de tegenwoordige tijd.

In het zesde deel, Afgang, zijn dat de jaren 1982-'87. Maarten Koning weet dan nog niet wat zijn geestelijke vader gedurende de zomer van 1994 (blijkens de ondertekening heeft hij dit deel in vier maanden tijd geschreven) met hem zou gaan doen.

'Je zou alles moeten opschrijven', bedenkt Koning (1983) als zijn geheugen hem in de steek laat. 'Over het Bureau bijvoorbeeld schrijf ik bijna nooit meer iets op', vertrouwt hij (1983) vriend Frans Veen toe, 'terwijl ik daar toch het grootste deel van mijn leven doorbreng. Ik vind het niet interessant, of het is niet typerend.' Gijs Veenboer van het tv-programma Van Gewest tot Gewest stapt op Koning toe (1984), zwaaiend met het wetenschappelijk tijdschrift waarin een artikel van Maarten staat: 'Puur cabaret! Toen ik dat las, dacht ik, die man had schrijver moeten worden!' Een te uitbundig heerschap, is daarop Konings reactie.

Weer later (1985) stelt hij zich kortstondig voor, hoe aardig het zou zijn als hij zijn irritaties op het werk 'stelselmatig' noteerde, 'al was het alleen al om jezelf beter te leren kennen'. Waarna hij aan een nieuwe paragraaf begint; die witregels ertussen, dat is zijn commentaar, de knipoog naar de lezer die inmiddels zes dikke delen in zijn kast heeft staan.

Als Maarten met de vut gaat (1987), spreekt Bureau-medewerker Eef Batteljee de wens uit dat Koning aan een nieuw leven begint 'met de eerste bladzij van een roman die Het Bureau zal heten'. Verlegen luistert Maarten toe. In zijn dankwoord gaat hij niet op deze suggestie in.

Over manipulatie gesproken! Al schreef Voskuil dit deel voordat er een begin was gemaakt met de publicatie van Het Bureau, hij moet hebben vermoed dat zijn voormalige collega's niet blij zouden zijn met de portretten die hij van hen schetst. Wat blijkt nu, op bladzij 697 van het zevende deel? Ze hebben hem zelf op het idee gebracht, eens een boekje open te doen over zijn Bureau-belevenissen.

Hij zet iedereen herkenbaar neer, maar niemand krijgt gedachten mee. We zien het personeel slechts van de buitenkant. En dan ook nog maar deels: we zien niet meer dan Maarten Koning. We krijgen de wereld gemanipuleerd voorgeschoteld.

Dat kan niet anders, zou ook Koning vinden. Hij hamert er telkens op dat er geen statische of objectieve waarheid bestaat, een overtuiging die hij als volkskundige uitdraagt in artikelen en gesprekken. Iedere poging de werkelijkheid onder woorden te brengen is een vereenvoudiging, en die 'is een afspiegeling van de geest van de tijd of van persoonlijke behoeften'. De waarden en normen die men in volksliedjes wil overdragen, zijn altijd tijd- en groepsgebonden, legt Koning vergeefs uit aan de koppige Bureau-medewerkster Rie Veld. De uitbundige regisseur van Van Gewest tot Gewest stopt de opnamen enkele keren, als Maarten de mythe van het midwinterhoornblazen in Twente (geen traditie uit de heidense tijd, maar een folkloristisch gebruik van na de Tweede Wereldoorlog) niet ultrakort en voldoende krachtig doorprikt. 'Sla die historische bijzonderheden maar over! Dat interesseert de mensen geen bal!' Terwijl díe het bewijs vormen.

De lezer kan het op zijn klompen aanvoelen: tegen het eind van zijn ambtelijke loopbaan wordt Maarten Koning langzaam in de richting van het schrijverschap gedreven. Prompt aan het begin van Afgang breekt de natte pleuris uit: Maarten is ziek (inderdaad), Freek gescheiden, Bavelaar overspannen, Lien huilt. Behalve deze onheilstekenen zijn er de waarschuwingen van de wereld buiten het Bureau: een zwerver in Hoog-Catharijne gooit Maarten iets kledderigs in de nek, Nicolien vergast hem in een ruzie op een stomp, Maarten valt languit op straat, en later opnieuw met zelfs een kist wijn en zijn eigen fiets bovenop zich.

Tel hierbij de roemloze ondergang van Frans Veen, van de moeder van Nicolien en van de oud-directeur die Maarten in 1957 naar het Bureau heeft gehaald, Anton Beerta. Die fragmenten zijn ingelast op momenten dat het gebazel en gehakketak werkelijk te veel lijkt te worden.

De eenzaamheid van die mensen in het zicht van de dood, werkt sterk emotionerend door Voskuils sobere weergave. Pas dan komt Koning erachter dat Beerta niet de zoon was van een scheepsmakelaar, maar van een kruidenier uit een arme wijk in Middelburg. Uit schaamte heeft de voormalig directeur dit altijd verzwegen. Het nieuwe feit verklaart veel van Beerta's eigenaardigheden. Maarten ziet de man met wie hij jaren samenwerkte ineens in een ander licht. Ofwel: er is geen objectieve waarheid.

Er is alleen inzicht. De mens 'zit ingemetseld in zijn toevallige situatie', houdt Koning in 1983 de verzamelde Gemeenschap Dorps- en Streekgeschiedenis te Enkhuizen voor. 'De enige vrijheid die hem gegeven is, is dat in te zien.' Tot zijn eigen mensen spreekt hij de zekerheid uit 'dat het idee dat de wetenschap voortdurend voortgang boekt en steeds dichter bij de waarheid komt, een fictie is. Iedere generatie legt haar eigen maatschappijbeeld op aan de feiten om daaruit vervolgens de zekerheid te putten dat dat beeld juist is. Waar ik voor pleit, is die samenhang meer dan tot nu toe gebeurd is, tot grondslag voor ons onderzoek te maken. Dank je wel.'

Hierop volgt geen applaus. Koning heeft minder steun dan hij dacht. Hij voert een gevecht tegen de traditionalisten in het vak (die geloven in onveranderlijke oerbronnen), tegen de verzakelijking in de wetenschap (er komt een nieuwe directeur die stevige bezuinigingen moet doorvoeren), en tegen onstuitbare uitwassen als de bevolkingstoename, naakt recreërende homo's langs een kade bij Vreeland (van wie er een, als hij Maarten en Nicolien aan ziet komen wandelen, schielijk een eierwarmer over zijn geslacht schuift) en een giechelige vrouwenclub Taalsexisme op zijn eigen kantoor.

En dat alles in slechts zevenhonderd bladzijden. Wie de samenhang ontgaat, en durft te gewagen van een moeras van saaiheid, ontbreekt het aan gevoel voor humor en leest welhaast moedwillig om de kern heen. Een heksentoer, want zelfs de kleinste elementen bouwen daaraan mee.

Maarten en Nicolien zijn op bezoek bij de zieke Frans Veen in een Hilversums verpleeghuis. 'Een tijd lang zwegen ze, rustig rokend. In de stilte was heel in de verte het verkeer op de Soestdijkseweg te horen. ' 'Ben je daar jongen? Waar ben je al die jaren toch geweest?', zei Maarten langzaam. 'Van wie is dat?' 'Is dat niet van Dèr Mouw?', opperde Frans. 'Dat is van Dèr Mouw!', zei Maarten tevreden.' Die tweede regel is anders, volgens Frans, maar hij kan niet op het juiste citaat komen.

Voor de goede orde, het luidt aldus: 'Zo jongen, ben je daar? 'k Heb lang gewacht' (sonnet 10 uit de cyclus 'In de hoogte' van J.A. Dèr Mouw). Denkt Maarten aan zijn eigen overleden vader, of aan God de vader, vragen Frans en Maarten zich af.

En de lezer denkt: die verspreking zegt óók iets. Maartens bevrijdende inzicht is nakende. Hij kan zijn opvattingen en ervaringen prachtig kwijt wanneer hij aanstonds vervroegd is uitgetreden, om na al die jaren thuis te komen in zijn eigen superroman.

Meer over