MAAR GAAN, HO MAAR!

Klaagzangen viel het Nederlands toneel dit jaar ten deel, het vaderlands theater zou in een crisis verkeren. Toch werden er bij uitstek dit seizoen prachtvoorstellingen gespeeld....

Hein Janssen

‘Liefst 68% van de Nederlanders denkt positief over toneel. Ze vinden dat toneel meerwaarde heeft, sfeervol, betekenisvol en aantrekkelijk is.’

Met deze goedgeluimde zin opent een persbericht dat het Bureau Promotie Podiumkunsten (BPP) onlangs uit deed gaan. De kop luidde vrolijk: ‘Nederlanders positief over toneel!’

Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het BBP en de veertien grote toneelgezelschappen. Via een aantal Uit-bureaus en theaters werd een representatieve steekproef onder 100 duizend kaartkopers gehouden. Tevens werd ook een onderzoek gepleegd onder niet-toneelbezoekers. De resultaten ervan kwamen op een moment dat het toneel in Nederland wel een steuntje in de rug kon gebruiken. Immers: het hele seizoen 2006-2007 heeft voornamelijk in het teken gestaan van discussies over het toneel in crisis. Het begon allemaal vorig jaar september, toen Ivo van Hove bij de opening van het Theater Festival een filosofisch getint negenpuntenplan presenteerde met als doel het theater in Nederland weer bruisend en vitaal te maken.

Daarna verschenen er artikelen in kranten en tijdschriften over de vermeende crisis in het Nederlandse toneel. Artistiek leiders gingen publiekelijk met elkaar in debat, elf grote gezelschappen en de gezamenlijke schouwburgen kwamen met een manifest voor een ander toneelbestel, gevolgd door een gelijkgestemd beleidsplan van de Raad van Cultuur. Speerpunt in die gezamenlijke toekomstvisie: acht grote stadsgezelschappen met allerlei taken (van het brengen van groot repertoiretoneel tot het begeleiden van jong talent) moeten op termijn uitkomst bieden. Waarbij het nog maar de vraag is wie die grote gezelschappen moeten gaan leiden. In elk geval lijkt de terugkomst van Johan Simons (nu Gent), Guy Cassiers (nu Antwerpen) en Luk Perceval (nu Berlijn) dringend gewenst.

Crisis in het Nederlandse toneel – maar hoezo? Kern van de problemen: er is te veel aanbod, er is te

veel middelmatig (lees overbodig) toneel, de publiekscijfers vallen tegen, er is te weinig doorstroming van nieuw talent. Ter illustratie van dat laatste: Toneelgroep Oostpool in Arnhem is een half jaar lang op zoek geweest naar een nieuwe artistiek leider, maar heeft die niet gevonden. Nu is dan maar besloten met een intendant (een niet zelf regisserende gezelschapsleider) te gaan werken, en met twee ‘jonge’ huisregisseurs. Armoe troef, zou je zeggen, als er voor zo’n mooie stad als Arnhem met zo’n rijk theaterverleden niet eens een artistiek leider te vinden is.

Als er in korte tijd ineens zo veel gepraat en geschreven wordt over een crisis in het toneel, komen als vanzelfsprekend de tegenkrachten los. Theatermakers die bezeerd beweren dat er helemaal geen crisis is, dat we die elkaar alleen maar aanpraten. Want moet je eens zien hoeveel, hoe gevarieerd en hoe goed het theateraanbod in Nederland is! Laat duizend bloemen bloeien!

Het is een voorspelbaar ritueel, omdat theater in Nederland een bedrijfstak is die nogal in zichzelf is gekeerd, moeilijk met kritiek kan omgaan en al helemaal niet met tegenvallend bezoekcijfers. Een halflege zaal is dan al gauw toch maar mooi halfvol, een mislukte productie heet dan ineens een interessant experiment.

Een theatermaker is een autonoom kunstenaar, hij moet kunnen maken wat hij wil, hoor je dan. Leuk als daar publiek op afkomt, jammer als dat niet gebeurt. Maar theater is nu eenmaal bij uitstek een kunstvorm waarvoor de aanwezigheid van publiek een tamelijk belangrijke voorwaarde is.

Tegenover die crisis staat dit seizoen ook een flink aantal prachtige voorstellingen. Om maar eens ongeremd positief te zijn: het was een beregoed theaterseizoen! De hierbij afgedrukte toptiens van de drie theatercritici van deze krant laten een rijke schakering aan voorstellingen zien: van grote klassieke stukken in de grote zaal tot de gekste rariteiten in de kleine zaal, en andersom. Die toptien zou makkelijk kunnen worden uitgebreid tot een topdertig. Evenzo makkelijk zou er een flop-dertig kunnen worden opgesomd, maar op deze plaats overheerst nu even het positivisme.

De lijstjes spreken verder voor zich. Mefisto for ever scoort hoog, August August, August en Maeterlinck komen in alle drie de lijstjes voor. Opmerkelijk: veel Vlaamse invloeden in de lijstjes, alle nummers één zijn zelfs zeer Vlaams. Maar misschien moet er helemaal geen onderscheid meer worden gemaakt tussen Nederlands en Vlaams theater, met al die heen en weer bewegende regisseurs en acteurs. Verder was dit seizoen vooral verheugend het groot aantal nieuwe Nederlandse stukken dat werd geschreven en opgevoerd. Rob de Graaf schreef met Vrede (Keessen & Co) en Schuur (Dood Paard), twee prachtige nieuwe teksten waarin zijn theatrale poëzie in een realistische setting voorbeeldig tot zijn recht kwam. Eric de Vroedt is met zijn Mighty Society-project bezig aan een imposante reeks van stukken over de tijdgeest en Peer Wittenbols werkt gestaag door aan een eigen oeuvre. Ilja Leonard Pfeijffer schreef met De Eeuw van mijn Dochter een flitsende satire op rijm over Nederland in de nabije toekomst. Er waren nieuwe stukken van Willem Jan Otten, Gerardjan Rijnders en Maria Goos.

De Geschiedenis van de Familie Avenier van Goos was het afgelopen seizoen een van de weinige echte blockbusters in het theater. Overal uitverkocht, evenals Kentering van een Huwelijk naar de roman van Sandor Márai. Een opmerkelijke ervaring: op een bloedhete voorzomeravond een tot de nok toe gevulde, bomvolle Amsterdamse Stadsschouwburg.

Daar komt het toneelpubliek dus zijn huis voor uit: voor herkenbare personages, zoals bij de Aveniers, of voor het navertellen van een bekend en gekend boek, zoals in Kentering. En voor de acteurs in beide voorstellingen natuurlijk, want Gijs Scholten van Aschat, Will van Kralingen en Huub Stapel zijn spelers waar het publiek graag voor naar de schouwburg komt.

Tegenover die volle zalen staan helaas ook de vele lege stoelen bij vaak erg goede, belangwekkende voorstellingen. Treurig hoe Onschuld van het Ro Theater maar weinig publiek trok (van 505 mensen op de première tot 86 op de avond daarna), en dat er zelfs een voorstelling wegens gebrek aan belangstelling moest worden afgelast. Nog meer Rotterdams leed: de beste voorstelling van het seizoen, Mefisto for ever van Het Toneelhuis, trok op die ene avond dat het daar te zien was slechts een halfvolle zaal, of liever gezegd: half leeg.

Ook het indrukwekkende Maeterlinck van Christoph Marthaler heeft slecht gelopen, waarbij overigens een groot vraagteken geplaatst kan worden bij de programmering ervan: drie volle weken in de Amsterdamse Stadschouwburg. Dat is echt te veel voor een land dat Marthaler nog moet ontdekken. Het Wijde Land, toch een mooie voorstelling van Theu Boermans’ Theatercompagnie met een fenomenale Mark Rietman, trok in steden als Hoorn en Den Bosch tussen de vijftig en 100 toeschouwers per avond.

68 Procent van de Nederlanders mag dan positief over toneel denken – maar gaan, ho maar! Volgens het BBP-onderzoek zijn de motieven om een voorstelling te bezoeken vooral sociaal van aard. 84 Procent van de ondervraagden gaat ‘voor de gezelligheid’ en ‘een avondje uit’, gevolgd door ‘de sfeer in het theater’. Als derde reden noemt men het feit dat men graag ‘iets verrassends’ mee wil maken. Ook is gebleken dat toneelpubliek het meest naar het theater gaat met vrienden, familie of kennissen; pas op de tweede plaats staat de eigen partner. Gezellig een avondje uit, in een leuke sfeer met iemand die niet je partner is – dat is het dus eigenlijk.

Intussen wordt er van alles aan gedaan om meer publiek te trekken, zoals met de reeks ‘Topstukken’. Dit initiatief van een aantal grote gezelschappen en tien schouwburgen heeft als doel meer publiek voor het ‘betere toneel’ te winnen. Daartoe worden succesvoorstellingen of producties waarvan veel wordt verwacht in tien steden vier dagen achtereen gespeeld. Het loopt nog niet echt storm: het bezettingspercentage van de Topstukken 2006-2007 varieert van 57 procent voor Rouw siert Elektra (Toneelgroep Amsterdam) tot 34 procent voor Platonov (Ro Theater). En dat voor toneelproducties die de top van het gesubsidieerde toneel zouden moeten vormen. De andere twee topstukken van afgelopen seizoen Alexander (Het Toneel Speelt) en De Graaf van Monte Cristo (Nationale Toneel) brachten ook geen volle zalen .

De Topstukken voor komend seizoen lijken op papier al heel wat uitnodigender, met onder meer Angels in America van Ivo van Hove en de hernemingen van Midsummernightsdream van Dirk Tanghe, een geheide hit uit 2002, en Platform van Houellebecq in regie van Johan Simons. Die laatste twee zijn bewezen successen waar naar verwachting een breed en nieuw publiek voor te vinden is.

Topstukken kreeg dit seizoen concurrentie van de serie Toptheater, zoals vrije producent Hummelinck Stuurman zijn toneelaanbod een beetje plagerig noemt. Hierin onder meer toegankelijk repertoire als een toneelbewerking van Couperus’ De Stille Kracht en Edward Albee’s Who’s afraid of Virginia Woolf?. Bij dat grote aanbod van ‘toptoneel’ komt volgend seizoen ook nog eens de serie ‘Toneelmeesters’ waarmee Hans Croiset bij Joop van den Ende klassiek repertoire met grote namen gaat brengen –als Brechts Moeder Courage met Anne-Wil Blankers en Mark Rietman. En een Drie Zusters met jong talent, dat dan weer wel.

Gevoegd bij al dat andere aanbod van grote en middelgrote theatergroepen en vrije producenten, kan rustig worden geconcludeerd dat de makers van toneel in Nederland elkaar kapot concurreren in een markt die de verzadiging nabij lijkt te zijn.

Daarbij komt dat de programmeurs van een aantal schouwburgen steeds minder risico’s durven of willen nemen. In een rondetafelgesprek eerder dit seizoen liet Ronald Klamer, directeur van Het Toneel Speelt, bezorgd weten dat schouwburgen huiveriger worden als het gaat om het inkopen van kwaliteitstoneel. De ‘nieuwe Maria Goos’ wil iedereen wel hebben, maar Ik ben weg, het nieuwe stuk van Ger Thijs, toch een gelauwerd toneelschrijver, met goede acteurs als Mark Rietman en Peter Blok, dat verkoopt al een stuk moeilijker.

Veel theatermakers klagen ook over de passieve houding van schouwburgen, die veel meer zouden moeten doen om hun publiek voor toneel te interesseren. Meer in elk geval dan louter elk jaar een veelkleurige brochure drukken en afwachten wie er op af komt.

Onwillige programmeurs, schouwburgen die hun publiek niet actief genoeg benaderen, een stevige concurrentie tussen de producenten die te veel aanbieden – dat is in grote lijnen waar de schoen wringt. Maar langzaam lijkt het besef te groeien dat er iets aan gedaan moet worden, en de discussie die dit seizoen is losgebarsten draagt daar zeker toe bij.

Juist daarom moeten voorstellingen als Onschuld, August, Mefisto en Maeterlinck gemaakt blijven worden. Omdat ze zijn ontstaan uit een artistieke noodzaak, en niet om een publiek te behagen. Het is toch doodzonde dat er zo weinig mensen in de zaal zitten als de naaistertjes in Maeterlinck hun liedjes van weemoed en verlangen aanheffen en de stille emotie als een warme golf door het theater rolt. Die zaal moet voller.

Meer over