Lulu is slechts katalysator in ondergang van hitsige mannen

Lulu van Frank Wedekind door Het Nationale Toneel. Regie: Johan Doesburg. Vertaling: Marcel Otten. De Regentes Den Haag. 31 oktober....

MARIAN BUIJS

Een opvoering van Lulu staat of valt met de actrice die de titelrol speelt. Verleidelijk en vrijgevochten is zij het symbool van de vrouw zoals mannen haar graag zien. Allemaal noemen ze haar anders: Nellie, Eva, Katja of Lulu. Maar hoe ze ook heet, ze blijft onweerstaanbaar, een feeënkind, dat de begeerte opwekt van iedere man in haar buurt.

Angelique de Bruijne, Lulu in de voorstelling van het Nationale Toneel, heeft veel mee. Ze is jong, bekoorlijk om te zien, en al is haar start een beetje stijfjes, hoe luchtiger haar kledij wordt, hoe meer ze loskomt. Open en baldadig als een kind flapt ze eruit wat haar voor de mond komt en ongeremd koestert ze zich in de aandacht van de heren die haar omringen.

Wedekind schreef met Lulu een verrukkelijke maar lijvige draak, die de banaliteit van een keukenmeidenroman paart aan literaire bevlogenheid. Klucht en melodrama lopen dwars door elkaar. Het Haagse gezelschap opent met deze 'monstertragedie' zijn nieuwe behuizing, het voormalige zwembad De Regentes. De enorme zaal waar de balustrades rondom ongekende scenische mogelijkheden bieden, is ingericht als een salon uit eind vorige eeuw.

Aanvankelijk oogt de enscenering klassiek, maar gaandeweg wordt duidelijk dat het regisseur Johan Doesburg vooral te doen is om de kluchtige, dwarse kanten van het stuk. Hij speelt de tekst integraal en na een stroef begin, krijgen Lulu's avonturen vaart: in hoog tempo verslijt ze de ene echtgenoot na de andere.

Meer dan een fatale verleidster werkt ze als een katalysator, waardoor we zien hoe schlemielig het manvolk is dat voor haar valt. De schilder Schwarz (Jack Wouterse) is een onbeholpen kolos, zwelgend in romantische dromen, Alwa (René van Zinnicq Bergmann) een hitsige nietsnut en Goll (Ad van Kempen) een opgeblazen heerschap. Allemaal willen ze hun voordeel doen met haar, maar zonder uitzondering komen ze beroerd aan hun eind.

De mannen worden haar slachtoffer, maar buiten haar wil. Lulu is hoogstens aanleiding, zij wil leven. Ze weet heel goed hoe de wereld in elkaar zit, al weigert ze daaruit lering te trekken. Ze kiest voor zichzelf: 'Ik had wel tussen mijn eigen benen in willen glijden.' Een losse kousenband brengt haar meer van haar stuk dan het lijk van een echtgenoot.

Er is maar één man voor wie ze werkelijk iets voelt, haar beschermer en opvoeder Schöning. Peter van der Linden, vooral bekend als mimespeler en sprookjesverteller, is in die rol een verrassing. Met zijn sonore stem, zijn wijsheid en nuchtere daadkracht overtuigt hij onmiddellijk. Maar uiteindelijk zal ook Schöning voor de bijl gaan.

Dat derde bedrijf is een hoogtepunt. In een mooie mise-en-scène lopen de minnaars elkaar voor de voeten, terwijl Lulu daar onbekommerd tussendoor vlindert. Met die zwierige uitspatting gaan we de pauze in. Maar daarna verandert de toon: we stevenen recht op een drama af. Lulu raakt verwikkeld in de schandalen van de Parijse beau monde en eindigt aan lager wal. Jack the Ripper rijgt haar tot slot aan zijn mes.

Dat ze ook de voorstelling in haar ondergang meesleept, ligt niet aan haar. De schrijver slaat hier merkwaardige zijpaden in. Doesburg probeert dat te ondervangen met een fiks aantal vondsten. Een groot ensemble danst zwijgend in luguber licht. Jerome Reehuys zit met rollende ogen achter jongetjes aan en tenslotte zweven we met tribune en al achteruit om zicht te krijgen op de betegelde ruimte in de diepte die ooit gevuld was met water.

Die ingreep is logisch, de troosteloosheid van de Londense gewelven waar Lulu aan haar eind komt, ligt hier voor het grijpen. Maar die keus stelt deze acteurs voor een onmogelijke taak: nauwelijks zichtbaar moeten ze een veel grotere ruimte bespelen. Bovendien zijn Elsje de Wijn als de lesbische Geschwitz en Angelique de Bruijne het tegendeel van tragédiennes. Lulu wordt een zeurend kind, de Wijn een wanhopige actrice die vecht met haar lamentabele tekst.

Zo gaat de voorstelling jammerlijk kopje onder. Na die lange, lamme staart zijn we het begin allang vergeten, waarin het de spelers wèl lukte dit weerbarstige stuk tot leven brengen. Doesburg en vertaler Marcel Otten tonen zich ongewoon volgzaam, in geen enkele tekst is het mes gezet. En paradoxaal genoeg krijgt de voorstelling daarmee ook iets keurigs, terwijl Wedekind juist schopte tegen het burgermansfatsoen. Een integrale versie, wie is daar eigenlijk mee gediend?

Marian Buijs

Meer over