Ludwig in een compleetheidskoffer

Platenmaatschappijen moeten een beetje wennen aan eeuwfeestviering. Deutsche Grammophon probeert het met Beethoven compleet. Een kast met cd's. Voelt Gardiner zich wel thuis in het jubileumkoffermilieu?...

LICHTE DUIZELINGEN doen zich voor bij de aanblik van de kartonnen sarcofaag met inhoud - het woord box schiet tekort - waarmee de platenmaatschappij Deutsche Grammophon de mensheid in kennis stelt van haar honderdjarig bestaan. In deze jubileumkoffer zitten 87 cd's. Op 81 daarvan staat het complete werk van Ludwig van Beethoven.

Hoewel, compleet: het moet een heel gedoe zijn geweest om uit te maken wat er op moest en wat niet. De raadselcanon Ik kus u (vijftien seconden) duidelijk wel. De onvoltooide canon Heb mij lief, waarde Weissenbach bij nader inzien toch maar niet.

Ook op de laatste zes cd's in de koffer staat werk van Beethoven. Het is een aparte afdeling, met 'historische opnamen'.

Hoe viert een platenmaatschappij haar eeuwfeest? De branche heeft er nog niet veel ervaring mee. De Britse maatschappij EMI, die haar historie terugvoert tot het moment waarop Emile Berliner (de uitvinder van de schijfvormige grammofoonplaat) in Londen zijn eerste commerciële opnamen liet maken, gaf afgelopen voorjaar niet zo'n erg sterk voorbeeld. EMI herleidde haar fabelachtige catalogus tot een kakelbonte classico-medley van korte nummers en fragmenten.

In Hamburg, waar Deutsche Grammophon graag stilstaat bij het moment waarop dezelfde plaatuitvinder Emile Berliner en zijn broer Joseph in 1898 een nering begonnen in Hannover, moet de gedachtengang als volgt zijn geweest: wie Deutsche Grammophon Gesellschaft zegt, zegt 'het gele label'. Wie het gele label zegt, zegt Herbert von Karajan. Wie Von Karajan zegt, zegt Berliner Philharmoniker. Wie orkest zegt, zegt symfonie, en wie symfonie zegt, zegt Beethoven.

En wie Beethoven zegt, kan vanzelf niet meer om het Gesamtwerk heen, als men DG heet en jubileert.

Misschien redeneerden ze anders in Hamburg, maar de uitkomst is in ieder geval dat het gele label, dat in de Beethovenherdenkingsjaren 1970 en 1977 al 'complete' edities uitbracht op 76 langspeelplaten, nu de eigen geschiedenis volledig identificeert met een componist die zelf aan de era van wasrol tot lasertechniek part noch deel heeft gehad. Het fraaie is wel, dat hier een oeuvre voorop staat, met alle bekende en minder bekende onderdelen, en alle sterke en minder beduidende aspecten.

De toneelmuzieken bij König Stephan en Vestas Feuer, of wat er van het laatste ook bewaard of opgelapt werd: toch maar doen bij die hele handel. Het zijn cd-premières, net als de cantate Der glorreiche Augenblick. De grote Von Karajan is in zekere zin slechts het openingsnummer. Hij neemt alle symfonieën voor zijn rekening, in opnamen uit 1961 en 1962.

De twintig cd-boxjes in de koffer van Deutsche Grammophon zijn rijk voorzien van contemporaine Beethovenportretten, en ze worden rechtopgehouden in een perspex pronkkast. Het oogt zowel imposant als tijdelijk en futiel; vanaf de buitenkant is het een pak pampers. Op een of andere manier kost het moeite, zich Ludwig van Beethoven voor te stellen met deze compleetheidskoffer in de hand, voortbenend door de straten van Wenen, in zichzelf pratend en achtervolgd door jouwende kinderen.

Toch was de componist zelf wel degelijk in de ban van volledigheidsidealen. Met zijn uitgever Haslinger besprak hij de wenselijkheid van iets dat tegenwoordig Gesamtausgabe heet. Iets dergelijks kwam pas decennia na zijn dood van de grond bij de uitgeverij Breitkopf und Härtel, en het zou vervolgens nog tot 1961 duren eer een legertje Beethovenvorsers, geregisseerd vanuit het studiecentrum in Beethovens geboortehuis in Bonn, zou beginnen aan het precisiewerk van een wetenschappelijke uitgave.

De jaren 1960 vormden ook de begintijd van onze historiserende uitvoeringspraktijk, van de verkenning en het eerherstel van oude instrumenten en speelwijzen. Van de authentici. Die hebben, zoals bekend, op het gele label zelden iets te zoeken gehad. In deze Beethovenkoffer zijn ze dan ook nagenoeg non-existent.

De brave oude-pianospelpionier Jörg Demus sluipt er af en toe doorheen bij de liederen. Uit de serieuzer te nemen oudemuzieksector is alleen de Britse duizendpoot John Eliot Gardiner vertegenwoordigd, met zijn recente opnamenkoppeling van Beethovens Mis uit 1807 (met Charlotte Margiono) en de cantate Meeresstille und glückliche Fahrt. Gardiner zit er ook bij met Leonore, de oorspronkelijke versie van Beethovens opera Fidelio. Misschien dat Gardiner zich nog op het hoofd zal krabben, zo makkelijk als hij opgaat in het jubileumkoffermilieu van de Karajans, Barenboims, Böhms en Chungs.

0 OCHTEN DE termen Gardiner of 'eerste versie' wellicht niet besteed zijn aan de bijvoorbeeld meer Beiers georiënteerde Beethovenburger, dan heeft DG nog een opwindende Fidelio onder Bernstein achter de hand. De Missa Solemnis-opname is die van James Levine.

Overigens kan gemeld worden, naar aanleiding van de 'historische opnamen', dat de dirigenten Arthur Nikisch, Otto Klemperer, Wilhelm Furtwängler, Carl Schuricht, Fritz Busch en Ferenc Fricsay de historische uitvoeringspraktijk in het geheel niet nodig hadden.

Opmerkelijk, in de prachtige, helaas wat beknopte bloemlezing die Deutsche Grammophon uit eigen en andere Duitse archieven heeft laten samenstellen door een team van Angelsaksische Beethovenkenners en luisterfanaten, is de grote interpretatieve ruimte waarin oude en nóg oudere Pultmeister van het Duitse podium zich naast en na elkaar bewogen. Met als hypnotiserend bewijs onder meer de ouverture Coriolan, gespeeld met mateloze dramatiek door de Berliner Philharmoniker onder Furtwängler (een radio-opname uit het oorlogsjaar 1943), tegenover de veel strakker uitgevoerde, niet minder dwingende derde Leonore-ouverture van Klemperer uit 1927.

Van de groeiende eenvormigheid van klank en uitgekauwdheid van het repertoire die in de klassieke platenwereld inmiddels hebben geleid tot een geaccepteerde, niet eens onwaarderend bedoelde gruwelterm (mainstream, voor alles wat niet te maken heeft met nieuwe muziek of period instruments), is bij de vooroorlogse dirigentenvaderen in deze collectie geen greintje te bespeuren.

Het enige waarin ze op elkaar lijken, is de drift waarmee ze de kaars van maat tot maat brandend houden. Eén bloemlezing kan het beeld van een uitvoeringsgeschiedenis aardig vertekenen, maar deze verzameling voedt de veronderstelling, dat de symfonicus Beethoven de symfonische instituten van een halve of driekwarteeuw geleden aanzienlijk meer te zeggen heeft gehad dan die van tegenwoordig.

Maar wat is 'vroeger', of vooroorlogs? Arthur Nikisch, chef van de Berliner Philharmoniker, kon natuurlijk niet ontbreken met zijn uitvoering uit 1913 van de vijfde symfonie. Het was de eerste opname die van een complete Beethovensymfonie werd gemaakt. Met een orkest dat vanwege de korte-afstandscapaciteit van de opneemhoorn was gereduceerd tot 40 man, waarbij de toen onregistreerbare contrabaspartijen werden overgedragen aan trombones en tuba's. Frappant, naast het wel degelijk 'symfonisch' klinkende resultaat, is Nikisch' zendingsdrang, de wens om vorm en boodschap uit te dragen met een vurig cantabile, nadrukkelijke fraseringen, en met doorgecalculeerde vertragingen en versnellingen.

En het 'vroeger' was in 1960 nog niet afgelopen - zie het bedachtzame espressivo van Fricsays uitvoering van de zevende symfonie met de Berliner Philharmoniker. Von Karajan kwam in 1961 aanzetten met een voortvarender esthetiek, die meer gericht was op het uitzetten van een technisch hoogontwikkelde, op afroep te reproduceren standaard. Zijn energieke Beethovens uit die periode doen denken aan handzame producten als fototoestellen van het type Agfa Clack, voorverpakte appelsap en DKW-auto's met snorrende tweetaktmotor (niet de turbo-Mercedes die het later zou worden; Von Karajan was in 1961 nog fris en niet zo geobsedeerd door gehypertrofeerde orkestklanken). Maar ook Von Karajan huldigt de vooroorlogse deugden van een indringend cantabile, en een sterk profiel in de onderlinge orkestrale dialoog.

0 S DE Beethoven van Fricsay (1960) 'historisch', en die van Karajan (1961) 'gewoon', nieuw of actueel? De vraag zou er niet zo erg toe doen, als DG niet zo krampachtig was omgesprongen met haar rubricering en met de gegevens over de opnamedata in deze sarcofaag. Bij de zes cd-tjes van het compartiment 'historische opnamen' staan ze duidelijk op het doosje en in het tekstboek. Bij alle andere zoek je je een ongeluk naar de opnamedata en productiemensen; ze zijn bij elkaar geveegd in de kleine lettertjes, ADD-tjes, titelloze opusnummers en gemixte Werke ohne Opuszahl-vermeldingen achterin de boekjes.

Het is een rare methode voor een zo complete en musicologisch zo gul begeleide uitgave, en ze kan de illusie van een scheiding van oud en nieuw niet lang in stand houden. Het interessante aan dit massamonument is juist het merkwaardige continuum van de Beethovenpraktijk op het gele label. De klaviersonates door Wilhelm Kempff: opgenomen rond 1965, maar eigenlijk een product van de jaren dertig. Het vioolspel van Gidon Kremer: onvermoede banden met Wolfgang Schneiderhan (1952). Een hoeraatje voor het Nederlands Blazers Ensemble (1975) met een kort Rondino, door DG geleend van Philips: maar het NBE klinkt tegenwoordig wel anders. Bij de canonspelletjes zitten trouwens juweeltjes.

De late kwartetten zullen nog even moeten wachten, evenals de vroege kwartetten, de pianotrio's en de mittlere Quartette. Bij Deutsche Grammophon hebben ze naar de vijfde symfonie geluisterd in DG-uitvoeringen van Nikisch, Richard Strauss, Furtwängler (drie opnamen), Van Kempen, Böhm (twee), Maazel, Jochum, Fricsay, Karajan (drie), Klemperer, Carlos Kleiber, Giulini, Bernstein (twee), Kubelik, Abbado, Gardiner en Thielemann. Ze konden er niet allemaal in.

Complete Beethoven Edition. Deutsche Grammophon 453 700 (87 cd's), circa ¿ 1950,-.

Meer over